Laatste verandering.

17-04-2017

15-05-2016

02-02-2016

14-01-2016

24-12-2015

25-10-2015

22-09-2015

29-01-2015

11-11-2014

23-10-2014

17-10-2014

17-02-2014

15-02-2014

22-12-2013

Dagboek-3 operaties.

Aanvulling op-Je kunt niet.

Krishnamurti.

De mens en zijn evolutie.

Sporen van een verloren kind.

E-mail gesprek aan de deur.

Einstein had het mis.

Beelddenken 1,2,3, en 4.

Inleiding 2.

Differentiatie

Zwartepiet.

Dimensies en Utopia.

De basis van een relatie kiezen.

Is er dan niet anders om.

Als u in het sub menu op een nummer klikt kunt u de mp3 hier boven beluisteren.

Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button

In het gewone leven weet iemand niets van 'objectief bewustzijn', en in die richting zijn er geen experimenten mogelijk. De derde bewustzijnstoestand, die van 'zelfbe­wustzijn', schrijft een mens zichzelf toe; dat wil zeggen, hij denkt die te bezitten, hoewel hij zich in werkelijkheid alleen in heel zeldzame flitsen bewust kan zijn van zich­zelf; en zelfs in die momenten van zelfbewustzijn zal hij deze waarschijnlijk niet als zodanig herkennen omdat hij niet weet wat het zou inhouden als hij het inderdaad bezat.

Deze flitsen van bewustzijn doen zich voor in bijzondere ogenblikken, in momenten van gevaar, in een staat van hevige emotie, onder totaal nieuwe en onverwachte omstandigheden en situaties; of soms ook in heel gewone ogenblikken, wanneer er-niets bijzonders gebeurt. Maar in zijn gewone of 'normale' toestand heeft een mens niet de minste controle over deze momenten van bewustzijn.

Wat ons gewone geheugen of momenten van herinnering betreft, we herinneren ons eigenlijk alleen momenten van bewustzijn, hoewel we ons niet realiseren dat dit zo is.

Op dit punt is het nodig te begrijpen dat de eerste hin­derpaal op de weg naar de ontwikkeling van zelfbewust­zijn in een mens zijn overtuiging is dat hij al zelfbewust­zijn bezit of althans dat hij dit bewustzijn kan hebben op elk moment dat hij dit wenst. Het is heel moeilijk iemand

te overtuigen dat hij niet bewust is en niet bewust kan zijn wanneer hij dat maar wil. Dit is zo bijzonder moeilijk omdat de natuur ons hier op een grappige manier voor de gek houdt.

Wanneer we iemand vragen of hij bewust is of als we tegen hem zeggen dat hij niet bewust is, zal hij antwoor­den dat hij wel degelijk bewust is en dat het onzin is te zeggen dat hij het niet is: hij hoort en begrijpt ons immers.

En hij heeft helemaal gelijk en tegelijkertijd helemaal ongelijk. Dat is de manier waarop de natuur ons voor de gek houdt. Hij heeft gelijk omdat onze vraag of opmer­king hem voor een ogenblik vagelijk bewust heeft gemaakt. Het volgende ogenblik verdwijnt dat bewustzijn weer. Maar hij herinnert zich wat we gezegd hebben en wat hij heeft geantwoord en zal zichzelf ongetwijfeld als bewust beschouwen.

In werkelijkheid vereist het verkrijgen van zelfbewustzijn langdurig en hard werk. Waarom zou iemand bereid zijn lang en hard werk te ondernemen als hij denkt dat hij al heeft wat hem als resultaat van dit werk in het vooruitzicht wordt gesteld? Natuurlijk begint hij daar niet aan en vindt hij dit niet noodzakelijk, tot hij ervan overtuigd is dat hij noch zelfbewustzijn bezit noch alles wat daarmee samen­hangt, dat wil zeggen: eenheid of individualiteit, een duur­zaam 'Ik' en wil.

Laten we nu proberen de vraag te beantwoorden: Wat doet een mens ernaar verlangen nieuwe kennis te verwerven en zichzelf te veranderen?

Een mens leeft onder twee soorten invloeden. Dit moet heel goed begrepen worden en het verschil tussen de twee soorten invloeden moet duidelijk worden onderkend.

De eerste soort bestaat uit interessen en attracties die hun oorsprong vinden in het leven zelf: belangstelling voor onze gezondheid, onze veiligheid, rijkdom, genoegens, amusement, zekerheid, ijdelheid, trots, roem, enzovoorts. De tweede soort bestaat uit interessen van een hele ande­re orde, gewekt door denkbeelden die niet voortkomen uit het leven maar oorspronkelijk van scholen afkomstig zijn. Deze invloeden bereiken de mens niet rechtstreeks. Ze komen terecht in de algemene maalstroom van het leven, vinden hun weg door vele geesten, en bereiken een mens via wijsbegeerte, wetenschap, godsdienst en kunst, maar altijd vermengd met invloeden van de eerste soort en in het algemeen weinig gelijkend op wat ze eerst waren. In de meeste gevallen beseffen mensen niet dat de tweede soort een andere oorsprong heeft, en denken zij dat ze alle­maal uit dezelfde bron komen. Al weet een mens niets af van het bestaan van twee soor­ten invloeden, ze werken beide op hem in, en op de een of andere wijze respondeert hij erop. Hij kan uitsluitend openstaan voor één of enkele invloe­den van de eerste soort en volkomen onontvankelijk zijn voor invloeden van de tweede soort. Of hij kan aange­trokken en geraakt worden door de een of andere invloed van de tweede soort. De uitkomst is in beide gevallen ver­schillend. We zullen de eerste soort A-invloeden en de tweede soort B-invloeden noemen. Als een mens volledig in de macht van A-invloeden is, of van één speciale A-invloed, en volkomen onverschillig voor B-invloeden, gebeurt er niets met hem en wordt zijn mogelijkheid tot ontwikkeling elk jaar van zijn leven klei­ner; en op een bepaalde leeftijd, vaak al heel vroeg, ver­dwijnt ze helemaal. Dit betekent dat die mens sterft terwijl hij fysiek nog in leven blijft, zoals een zaadkorrel die niet kan ontkiemen en een plant voortbrengen. Maar als een mens daarentegen niet volledig in de macht van A-invloeden is en als B-invloeden hem aantrekken en met een gelijktijdige belangstelling voor een aantal onder­ling onverenigbare dingen — met een school in aanraking komt, is hij er niet in geïnteresseerd, of hij oefent direct kritiek uit nog voor hij er iets van kan weten, of zijn interesse verdwijnt heel snel zodra hij geconfronteerd wordt met de eerste moeilijkheden van het schoolwerk. Dit is de voornaamste beveiliging van een school. Anders zou de school vol zitten met een heel verkeerd soort mensen die het schoolonderricht onmiddellijk zouden verdraaien. Een juist magnetisch centrum helpt niet alleen een school te herkennen, maar helpt ook bij het opnemen van het schoolonderricht, dat verschilt van zowel A-invloeden als B-invloeden en gevoeglijk C-invloed kan worden genoemd.

Een C-invloed kan alleen mondeling worden overgedra­gen, door rechtstreeks onderricht, rechtstreekse uitleg en demonstratie.

Wanneer iemand in aanraking met een C-invloed komt en in staat is deze op te nemen, wordt van hem gezegd dat hij in één punt in zichzelf, dat wil zeggen in zijn magnetisch centrum, vrij wordt van de wet van het toeval. Op dat moment heeft het magnetisch centrum zijn taak vervuld en houdt het op een rol te spelen. Hij heeft een mens tot een school gebracht of hem daar geholpen bij zijn eerste stappen. Vanaf dit punt zijn het de ideeën en het onder­richt van de school die de plaats innemen van het magne­tisch centrum en deze beginnen langzaam door te dringen in de verschillende delen van de persoonlijkheid en na verloop van tijd ook in de essentie. Men kan veel over scholen, over de organisatie en activifeiten ervan, te weten komen op de gewone manier door erover te lezen en door het bestuderen van tijdperken in het verleden toen scholen nog meer in de openbaarheid traden en makkelijker toegankelijk waren. Maar bepaalde zaken over scholen kan iemand alleen in de scholen zelf leren. En de verklaring van schoolbeginselen en schoolre­gels neemt een zeer belangrijke plaats in het schoolonder­richt in.

We moeten nogmaals terugkeren tot de centra en probe­ren te ontdekken waarom we ons niet sneller kunnen ont­wikkelen zonder langdurig schoolwerk. We weten dat we bij het leren van iets nieuws, nieuw materiaal in ons geheugen verzamelen. Maar wat is ons geheugen? Om dit te begrijpen moeten we ieder centrum leren zien als een afzonderlijk en onafhankelijk apparaat dat bestaat uit gevoelig materiaal, vergelijkbaar met het materiaal van fonografische rollen.* Alles wat ons over­komt, wat we zien, horen, voelen en leren, wordt op deze rollen vastgelegd. Dit betekent dat alle uiterlijke en inner­lijke voorvallen bepaalde 'indrukken' op deze rollen ach­terlaten. 'Indrukken' is daar een heel goed woord voor, omdat het inderdaad een indruk is, een stempelindruk. Een indruk kan diep of heel oppervlakkig zijn, of zo vluchtig dat hij zeer snel weer verdwijnt en geen enkel spoor achterlaat. Maar diep of vluchtig, het zijn indrukken.


* Fonografische rollen horen bij een fonograaf, een apparaat dat in 1878 werd gepaten­teerd door T.A. Edison.

Hiermee was het voor het eerst mogelijk geluid op te nemen en af te spelen.


En deze indrukken op de rollen zijn alles wat we heb­ben, ze vormen ons hele bezit. Alles wat we weten, alles wat we hebben geleerd en ondervonden — het is allemaal geregistreerd op onze rollen. Op precies dezelfde manier bestaan al onze denkprocessen en onze berekeningen en speculaties uit het vergelijken van wat er op die rollen is geregistreerd, het lezen en herlezen ervan en het proberen ze te begrijpen door ze samen te voegen en te vergelijken, enzovoorts. We kunnen niets nieuws denken, niets wat niet op onze rollen staat. We kunnen niets zeggen noch iets doen dat niet correspondeert met de een of andere registratie op onze rollen. We kunnen geen nieuwe gedach­te denken, evenmin als we een nieuw dier kunnen uitvin­den omdat al onze denkbeelden over dieren zijn gebaseerd op onze waarnemingen van bestaande dieren.

De registraties of indrukken op de rollen zijn verbonden door associaties. Deze associaties verbinden indrukken die ofwel gelijktijdig zijn ontvangen, ofwel op de een of ande­re wijze op elkaar lijken. In mijn eerste lezing zei ik dat de herinnering afhankelijk is van het bewustzijn en dat we ons alleen die ogenblikken herinneren waarin we flitsen van bewustzijn hadden. Het spreekt vanzelf dat verschillende indrukken die gelijktijdig ontvangen en onderling verbonden zijn, langer in de her­innering blijven dan los van elkaar staande indrukken. In een flits van zelfbewustzijn of zelfs van iets dat het benadert,

worden alle indrukken van het ogenblik onderling verbonden en ze blijven dat in de herinnering. Dit is ook het geval met indrukken die verbonden zijn door hun innerlijke gelijkenis. Wanneer een mens bewust is op het ogenblik waarop indrukken worden ontvangen, verbindt hij deze nieuwe indrukken vaster met gelijksoortige oude indrukken en blijven ze in de herinnering verbonden. Wanneer hij daarentegen indrukken ontvangt in een toe­stand van identificatie, merkt hij ze eenvoudig niet op en de sporen ervan verdwijnen voordat ze op hun waarde beoordeeld en geassocieerd kunnen worden. In de toe­stand van identificatie ziet noch hoort men. Iemand wordt volkomen in beslag genomen door zijn ergernis, zijn begeerten of zijn verbeelding. Hij kan zich niet losmaken van de dingen, van gevoelens en herinneringen, en is vol­komen afgesloten van de buitenwereld.


Terugkomend op de kwestie van werken aan onszelf, moeten we ons afvragen waar onze kansen eigenlijk lig­gen. We moeten in onszelf functies en uitingen ontdekken waarover tot op zekere hoogte controle mogelijk is, en die controle moeten we uitoefenen en proberen zo veel mogelijk te versterken. We hebben bijvoorbeeld in zekere zin macht over onze bewegingen, en in bepaalde scholen, voornamelijk in het Oosten, begint het werk aan zichzelf met het verkrijgen van een zo volledig mogelijke beheer­sing over de bewegingen. Dit vereist echter een speciale training, heel veel tijd en de bestudering van zeer inge­wikkelde oefeningen. Onder de omstandigheden van het moderne leven hebben we meer macht over onze gedach­ten en in verband hiermee bestaat er een speciale metho­de met behulp waarvan we aan de ontwikkeling van ons bewustzijn kunnen werken door het instrument te gebrui­ken dat het beste aan onze wil gehoorzaamt, dat wil zeggen onze geest, of liever gezegd het denkcentrum. Om beter te begrijpen wat ik nu ga zeggen, moet u pro­beren u te herinneren dat wij geen macht over ons bewustzijn hebben. Toen ik zei dat we meer bewust kun­nen worden, of dat iemand voor een ogenblik bewust kan worden gemaakt door hem eenvoudig te vragen of hij bewust is of niet, gebruikte ik het woord 'bewust' en `bewustzijn' in relatieve zin. Er zijn namelijk veel graden van bewustzijn, en iedere hogere graad betekent 'bewust­zijn' met betrekking tot een lagere. Maar al hebben we dan geen macht over het bewustzijn zelf, we hebben wel een zekere macht over ons denken over het bewustzijn en we kunnen ons denken een richting geven die bevorderlijk is voor bewustwording. Ik bedoel dat we bewustzijn kunnen opwekken door aan onze gedachten de richting te geven die ze zouden hebben in een ogenblik van bewustzijn.

Tracht nu onder woorden te brengen wat u hebt opge­merkt toen u probeerde uzelf waar te nemen.

U hebt drie dingen opgemerkt. Ten eerste, dat u zichzelf niet herinnert; dat wil zeggen, dat u zich niet bewust bent van uzelf op het ogenblik dat u probeert uzelf waar te nemen. Ten tweede, dat zelfwaarneming bemoeilijkt wordt door de voortdurende stroom van gedachten, beelden, echo's van gesprekken, fragmenten van emoties die door uw geest waren en heel vaak uw aandacht afleiden van het waarnemen.


* Omdat 'zich herinneren' een wederkerig werkwoord is, zou hier strikt genomen moeten staan: `dat u zich zichzelf niet herinnert'.

We hebben gemeend deze voor ons gevoel hinderlijke verdubbeling weg te mogen laten. [Vert.]


En ten derde, dat zodra u met zelfwaarneming begint, uw verbeelding begint te werken en het observeren, indien u dit werkelijk probeert te doen, een voortdurende strijd tegen de verbeelding is. Dit is het voornaamste punt van het werk aan zichzelf. Wanneer u inziet dat alle moeilijkheden in het werk ver­oorzaakt worden door het feit dat u zichzelf niet kunt her­inneren, weet u al wat u moet doen. Iemand moet probe­ren zichzelf te herinneren. Om dit te kunnen doen, moet men strijden tegen mecha­nische gedachten en tegen de verbeelding. Wanneer iemand dit gewetensvol en met volharding doet, zal hij in betrekkelijk korte tijd resultaten zien. Maar u moet niet denken dat dit makkelijk is of dat u deze oefe­ning onmiddellijk onder de knie krijgt. Het beoefenen van zelfherinnering, zoals het genoemd wordt, is heel moeilijk. De zelfherinnering moet niet gebaseerd worden op de verwachting van resultaten want dan loopt iemand de kans zich met zijn eigen pogingen te identificeren; maar op de erkenning van het feit dat we onszelf niet herinneren en tevens dat we onszelf kunnen herinneren als we dit intens genoeg en op de juiste wijze proberen. We kunnen niet naar believen bewust worden op het ogenblik dat we dit wensen omdat we geen macht hebben over onze bewustzijnstoestanden. Maar we kunnen onszelf gedurende korte tijd herinneren wanneer we dat willen, omdat we enige macht over onze gedachten hebben. En wanneer we beginnen met onszelf te herinneren, door een bijzondere vorm aan onze gedachten te geven, dat wil zeggen, door te beseffen dat we onszelf niet herinneren, dat niemand zichzelf herinnert, en door ons er rekenschap van te geven wat dit allemaal betekent, zal dit ons tot bewustzijn brengen. U herinnert zich de zwakke plek die we in de muren van onze mechaniciteit gevonden hebben. Dit is het feit dat we weten dat we onszelf niet herinneren; en inzien dat wij kunnen proberen onszelf te herinneren. Tot nu toe heeft onze taak alleen bestaan uit zelfstudie. Nu echter begint, met het begrijpen van de noodzaak van een werkelijke verandering in onszelf, het eigenlijke werk. Later zult u leren dat de praktische beoefening van zelf­herinnering, verbonden met zelfwaarneming en de strijd tegen verbeelding, niet alleen een psychologische betekenis heeft, maar ook het meest subtiele deel van onze stof­wisseling verandert en bepaalde chemische, of misschien beter gezegd: alchemistische, gevolgen in ons lichaam teweegbrengt. Zo zijn we dan vandaag van de psychologie tot de alchemie gekomen; dat wil zeggen tot het denk­beeld van de omzetting van grovere in fijnere elementen.

We moeten het nu over begrijpen hebben. Wat is begrij­pen?

Probeer uzelf deze vraag te stellen en u zult merken dat u er geen antwoord op kunt geven. U hebt begrijpen altijd met kennen verward, of het beschikken over informatie. Maar kennen en begrijpen zijn twee totaal verschillende dingen en u moet leren deze duidelijk te onderscheiden'. Om iets te begrijpen, moet u het in verband met iets groters zien, met een groter geheel, en de mogelijke gevol­gen van dit verband. Begrijpen is altijd het begrijpen van een kleiner probleem in relatie tot een groter probleem.

Veronderstel bijvoorbeeld dat ik u een oude Russische zil­veren roebel laat zien. Het is een geldstuk ter grootte van een halve kroon. U kunt dit geldstuk bekijken, het bestu­deren, opmerken in welk jaar het geslagen is, alles onder­zoeken omtrent de tsaar wiens beeldenaar aan de ene zijde staat, het wegen, er zelfs een chemische analyse van maken en precies het gehalte aan zilver bepalen. U kunt nagaan wat het woord roebel betekent en hoe het in gebruik kwam. Dit alles en nog veel meer kunt u erover leren, maar u zult de roebel en zijn betekenis niet begrijpen zolang u niet hebt ontdekt dat de koopkracht ervan vóór de wereldoorlog van 1914 — 1918 in veel gevallen over­eenkwam met de waarde van een Engels pond, terwijl de tegenwoordige papieren roebel in bolsjewistisch Rusland nog maar net één cent waard is. Als u dit ontdekt, zult u iets van de roebel begrijpen, en misschien ook van een aantal andere dingen, want het begrijpen van één ding leidt onmiddellijk tot het begrijpen van veel andere.

Veelal is men van mening dat begrijpen betekent het vin­den van een naam, een woord, een titel of een etiket voor een nieuw en onverwacht verschijnsel. Dit vinden of bedenken van woorden voor onbegrijpelijke dingen heeft niets met begrijpen te maken. Integendeel, wanneer we de helft van onze woorden zouden kunnen opruimen, zou­den we misschien een betere kans hebben tot iets van begrijpen te komen.

Als we onszelf afvragen wat het betekent iemand te begrijpen of niet te begrijpen, denken we in de eerste plaats aan het geval dat we met iemand niet in zijn eigen taal kunnen spreken. Natuurlijk zijn twee mensen zonder gemeenschappelijke taal niet in staat elkaar te begrijpen. Ze moeten een gemeenschappelijke taal hebben, of met elkaar bepaalde tekens of symbolen overeenkomen waar­mee ze dingen aanduiden. Maar stel nu eens dat u het tij­dens een gesprek met iemand oneens wordt over de bete­kenis van bepaalde woorden, tekens of symbolen, dan begrijpt u elkaar weer niet.

Hieruit volgt dat het principieel onmogelijk is elkaar te begrijpen en het tegelijkertijd niet eens te zijn. In een gewoon gesprek zeggen we vaak: 'Ik begrijp hem maar ik ben het niet met hem eens'. Volgens het stelsel dat wij bestuderen is dit onmogelijk. Als u iemand begrijpt, bent u het met hem eens. Als u het niet met hem eens bent, begrijpt u hem niet.

Het is heel moeilijk dit denkbeeld te aanvaarden, en dit betekent dat het moeilijk is het te begrijpen.

Ik heb u zojuist al gezegd dat er twee kanten aan een mens zijn die zich bij een normale groei beide moeten ontwik­kelen: kennis en 'zijn'. Maar kennis noch 'zijn 'kunnen staan of in dezelfde toestand blijven. Als één van beide niet groter en sterker wordt, wordt ze kleiner en zwakker. Begrijpen kan beschouwd worden als het rekenkundig gemiddelde tussen kennis en 'zijn'. Dit toont de noodza­kelijkheid van een gelijktijdige groei van beide aan. De groei van de een en het afnemen van de ander zal het rekenkundig gemiddelde niet doen veranderen. Dit verklaart ook waarom 'begrijpen' betekent 'het samen eens zijn'. Twee mensen die elkaar begrijpen, moeten niet alleen gelijke kennis maar ook een gelijk 'zijn' hebben.


Alleen dan is wederzijds begrijpen mogelijk.

Een ander verkeerd denkbeeld dat speciaal in onze tijd gehuldigd wordt, is dat begrijpen verschillend kan zijn; dat mensen één en dezelfde zaak op verschillende manieren kunnen begrijpen, dat wil zeggen daar het recht toe heb­ben.

Volgens het stelsel is dit volkomen onjuist. Begrijpen kan niet verschillend zijn. Er kan maar één begrijpen zijn, al het andere is niet-begrijpen of onvolledig begrijpen. Maar toch denken mensen dikwijls dat ze de dingen op verschillende wijze begrijpen. Daar zien we dagelijks voorbeelden van. Hoe is deze schijnbare tegenstrijdigheid te verklaren?

In werkelijkheid is er geen tegenstrijdigheid. Begrijpen betekent: begrijpen van een deel in zijn relatie tot het geheel. Maar het denkbeeld dat mensen hebben van het geheel, kan zeer verschillend zijn, afhankelijk van hun kennis en hun 'zijn'. Dit is een reden te meer waarom het stelsel noodzakelijk is. Mensen leren begrijpen door het stelsel te begrijpen en al het andere met betrekking tot het stelsel. Maar op het gewone niveau, los van het denkbeeld van een school of stelsel, moet worden toegegeven dat er evenveel soorten van begrijpen zijn als mensen. Iedereen begrijpt alles op zijn eigen manier, of volgens de een of andere mechanische scholing of gewoonte; maar dit alles is subjectief en relatief begrijpen. De weg tot objectief begrijpen loopt via schoolstelsels en een verandering van `zijn'. We moeten niet vergeten dat ons begrijpen, net zomin als ons bewustzijn, steeds op hetzelfde niveau is. Het beweegt zich voortdurend op en neer. Dit betekent dat we nu eens meer of beter en dan weer minder goed of minder begrij­pen. Als we deze verschillen in begrijpen in onszelf opmerken, zullen we in de eerste plaats beseffen dat er een mogelijkheid is onszelf op deze hogere niveaus van begrij­pen te handhaven, en in de tweede plaats er bovenuit te stijgen. Maar theoretische studie alleen is niet voldoende. U moet aan uw 'zijn' werken en aan verandering van dit 'zijn'Wanneer u uw doel formuleert vanuit het gezichtspunt dat u anderen wilt begrijpen, moet u één zeer belangrijk schoolprincipe in gedachten houden: u kunt andere men­sen alleen maar begrijpen voor zover u zichzelf begrijpt, en uitsluitend op het niveau van uw eigen 'zijn'. Dit betekent dat u wel de kennis van anderen kunt beoor­delen maar niet hun 'zijn'. U kunt alleen maar zoveel in hen zien als u in uzelf hebt gezien. Maar we maken altijd de fout dat we menen het 'zijn' van de anderen te kunnen beoordelen. In werkelijkheid moeten wij, als we met men­sen van hogere ontwikkeling dan wijzelf in aanraking wensen te komen en hen willen begrijpen, eraan werken om ons eigen 'zijn' te veranderen.

Een vragment uit, OP ZOEK NAAR HET WONDEBAARLIJKE.

Fragmenten van een onbekende leer.

Miranda.


Wat is bewustzijn?

In het gewone spraakgebruik wordt het woord 'bewust­zijn' meestal gebruikt als equivalent van het woord 'intel­ligentie', in de zin van werkzaamheid van de geest.

In werkelijkheid is bewustzijn een heel specifiek 'gewaar-zijn' in een mens, een gewaarzijn van wie hij is, waar hij is, en voorts gewaarzijn van wat hij weet en wat hij niet weet, enzovoorts.

Alleen iemand zelf kan weten bv hij op een gegeven moment bewust is of niet. Dit werd reeds lang geleden

bewezen in een bepaalde lijn van denken in de Europese psychologie, die tot het inzicht kwam dat alleen iemand zelf bepaalde dingen met betrekking tot zichzelf kan weten.

Iemand kan dus alleen zelf weten of zijn bewustzijn op een gegeven ogenblik al of niet aanwezig is. Dit betekent dat de aanwezigheid of afwezigheid van bewustzijn in iemand niet kan worden aangetoond door zijn uiterlijke gedragingen waar te nemen. Zoals ik hiervoor al zei, werd dit feit reeds lang geleden vastgesteld, maar het belang ervan werd nooit volledig onderkend omdat dit denkbeeld altijd verbonden was met de opvatting van bewustzijn als een mentaal proces of werkzaamheid van de geest.

Iemand kan zich er rekenschap van geven dat hij tot op dát moment niet bewust was; wanneer hij deze realisering daarna weer vergeet — en zelfs wanneer hij zich deze her­innert — is dit niet bewustzijn. Het is alleen maar de her­innering aan een intense ervaring. Nu wil ik een ander feit onder uw aandacht brengen dat alle moderne psychologische scholen over het hoofd heb­ben gezien. Dit is het feit dat het bewustzijn bij een mens, wat dit ook betekent, nooit in dezelfde toestand blijft. Het is er, of het is er niet. De hoogste bewustzijnsmomenten vormen de herinnering. Andere momenten herinnert een mens zich eenvoudig niet. Dit, meer dan iets anders, geeft iemand de illusie van voortdurend bewustzijn of onafgebroken `gewaarzijn'.

Sommige moderne psychologische scholen verwerpen bewustzijn helemaal, ontkennen zelfs de noodzakelijkheid van een dergelijk begrip, maar dat is gewoon het summum van onbegrip. Andere scholen — als ze zo genoemd kun­nen worden — spreken van bewustzijnstoestanden en bedoelen daarmee gedachten, gevoelens, bewegingsimpul­sen en gewaarwordingen. Dit berust op de fundamentele fout dat men bewustzijn en psychische functies door elkaar haalt. In feite houdt de moderne psychologie zich in de meeste gevallen nog aan de oude uitspraak dat bewustzijn geen graden of niveaus heeft. De algemene, zij het stilzwijgen­de, aanvaarding van deze idee, ook al was deze in tegen­spraak met vele latere ontdekkingen, heeft menige waarneming over variaties van bewustzijn verhinderd.

Het is een feit dat bewustzijn zichtbare en waarneembare graden heeft, althans zichtbaar en waarneembaar voor iemand in zichzelf.

Ten eerste de duur: hoe lang was men bewust?

Ten tweede de frequentie: hoe vaak werd men bewust? Ten derde de omvang in breedte en diepte: waarvan was men zich bewust? Dit laatste kan in sterke mate verande­ren met de innerlijke groei van een mens.

Als we alleen de eerste twee punten beschouwen, zullen we in staat zijn de idee van een mogelijke evolutie van de mens te begrijpen. Deze idee is verbonden met een zeer belangrijk punt dat volkomen bekend was in de oude psy­chologische scholen, zoals bijvoorbeeld die van de schrij­vers van de Philokalia, maar waaraan de Europese filosofie en psychologie van de laatste twee à drie eeuwen volko­men voorbij zijn gegaan.

Dit betreft het feit dat bewustzijn door middel van speciale inspanningen en een speciale studie continu en contro­leerbaar kan worden gemaakt. Ik zal proberen duidelijk te maken hoe bewustzijn bestu­deerd kan worden. Neem een horloge en kijk naar de secondewijzer terwijl u tegelijkertijd probeert bewust te zijn van uzelf en u te concentreren op de gedachte 'ik ben Peter Ouspensky', 'ik ben hier, nu'. Probeer aan niets anders, te denken, volg eenvoudig de beweging van de wij­zer terwijl u zich bewust bent van uzelf, uw naam, uw bestaan en de plaats waar u bent. Sluit u af voor alle andere gedachten.

Als u volhoudt zult u in staat zijn dit twee minuten te doen. Dat is de limiet van uw bewustzijn. En als u pro­beert dit experiment even later te herhalen, zult u merken dat het moeilijker is dan de eerste keer.

Deze proef laat ons zien dat iemand zich in zijn natuurlij­ke staat met grote inspanning hoogstens twee minuten van één onderwerp (zichzelf) bewust kan zijn.

De belangrijkste conclusie die iemand uit dit experiment, als het op de juiste wijze wordt uitgevoerd, kan trekken, is dat een mens zich niet van zichzelf bewust is. De illusie dat iemand zich van zichzelf bewust is, wordt veroorzaakt door herinnering en denkprocessen.

Iemand gaat bijvoorbeeld naar de schouwburg. Als hij daar regelmatig komt, is hij zich er niet speciaal bewust van daar te zijn. Toch kan hij de dingen om zich heen zien en waarnemen, van de voorstelling genieten of deze verve­lend vinden, zich het stuk herinneren, zich de mensen herinneren die hij ontmoet heeft, enzovoorts.

Wanneer hij thuiskomt, herinnert hij zich dat hij in de schouwburg was en hij zal stellig denken dat hij zich bewust was terwijl hij daar was. Er bestaat voor hem dus geen enkele twijfel over zijn bewustzijn en hij beseft niet dat zijn bewustzijn volledig afwezig kan zijn, terwijl hij toch redelijk kan handelen, denken en waarnemen.

In het algemeen gesproken zijn er voor een mens vier bewustzijnstoestanden mogelijk. Dit zijn: de slaap, de waaktoestand, zelfbewustzijn en objectief bewustzijn. Maar hoewel deze vier bewustzijnstoestanden mogelijk voor hem zijn, leeft iemand feitelijk maar in twee ervan: het ene deel van zijn leven brengt hij door in slaap en het andere in wat de 'waaktoestand' wordt genoemd, hoewel zijn waaktoestand in werkelijkheid maar heel weinig ver­schilt van de slaaptoestand.