Laatste verandering.

17-04-2017

15-05-2016

02-02-2016

14-01-2016

24-12-2015

25-10-2015

22-09-2015

29-01-2015

11-11-2014

23-10-2014

17-10-2014

17-02-2014

15-02-2014

22-12-2013

Dagboek-3 operaties.

Aanvulling op-Je kunt niet.

Krishnamurti.

De mens en zijn evolutie.

Sporen van een verloren kind.

E-mail gesprek aan de deur.

Einstein had het mis.

Beelddenken 1,2,3, en 4.

Inleiding 2.

Differentiatie

Zwartepiet.

Dimensies en Utopia.

De basis van een relatie kiezen.

Is er dan niet anders om.

Als u in het sub menu op een nummer klikt kunt u de mp3 hier boven beluisteren.

Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Wat is Beelddenken

                                                                                      KRISHNAMURTI

Sprak tot en met mensen in vele delen van de wereld en verscheidene van zijn boeken, samen­gesteld uit zijn toespraken en aantekeningen, hebben een grote verspreiding gevonden.

Dit boek geeft voor de eerste maal een synthese van wat Krishnamurti te zeggen heeft over de hachelijke positie van de mens en de eeuwige levensproblemen. Zijn uitspraken zijn ontleend aan meer dan honderd lezingen die hij in één jaar gehouden heeft voor mensen van alle leeftijden en nationaliteiten in Europa en Indië.

Krishnamurti zelf vroeg aan de bekende Engelse schrijfster, en levenslange vriendin Mary Lutyens, of ze dit boek wilde samenstellen en deed haar ook de Engelse titel aan de hand. Aan zijn woorden heeft zij uiteraard niets veranderd, maar de rangschikking is van haar en beoogt de lezer een beter begrip mogelijk te maken.

Volgens Krishnamurti kunnen wij onszelf, van welke leeftijd we ook zijn, radicaal veranderen, niet in de loop van de tijd maar ogenblikkelijk, en dank zij die verandering de gehele structuur van de maatschappij en van onze relaties wijzigen. De dringende noodzaak tot verandering en de mogelijkheid ertoe zijn de kern van wat hij heeft te zeggen.

Men kan moeilijk spreken over Krishnamurti’s leer, want hij werpt zich niet op als leraar; evenmin over zijn filosofie, want hij noemt zichzelf geen filosoof. Zelf zegt hij dat zijn woorden enkel een spiegel zijn waarin wij onszelf kunnen bekijken. Wie in staat is onversaagd in die spiegel te kijken, zal nooit meer dezelfde zijn, maar wanneer de spiegel beslaat door de hete adem van zijn afwijzing, is er niets te zien.



De enige revolutie

De onmogelijke vraag* Toespraken Amsterdam 1968 Vrijheid en meditatie De wereld dat ben jij Verandering dringende noodzaak* Vrijheid van het bekende De adelaar in zijn vlucht* Kijken in de spiegel Als twee vrienden Geborgenheid in Vrijheid Antwoord op vragen Questions and Answers Het web van het denken The NetWork of Thought The flame of attention De vlam van aandacht Mens zijn zonder maatstaf Letters to the Schools.

Laat het verleden los / J. Krishnamurti; (geaut. vert. uit het Engels). — Den Haag: Mirananda

Vert. van uitg.: Freedom from the known

© 1969 Krishnamurti Foundation, London (Engelse uitgave)

© 1986 Mirananda uitgevers, Den Haag (Nederlandse uitgave).

Uit deze uitgave mag uitsluitend iets verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, na voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers.

Dit boek is op Krishnamurti’s suggestie en met zijn goed­keuring samengesteld.

De woorden zijn ontleend aan een aantal van zijn recente toespraken (in het Engels) — welke op de band werden op­genomen en tot nu toe nog niet gepubliceerd — tot toehoor­ders in verscheidene delen van de wereld.

Voor de keuze en de volgorde waarin ze in dit boek werden gebracht ben ik verantwoordelijk.

M. L.INHOUD

1  ’s Mensen speurtocht — De gekwelde geest — De traditionele benadering — De valstrik der achtens­waardigheid — Het menselijk wezen en het individu — De strijd om het bestaan — De grond­slag der menselijke natuur — Verantwoordelijk­heid — Waarheid — Zelf-transformatie — Ver­spilling van energie — Bevrijding van gezag

2  Wij leren iets over onszelf — Eenvoud en nederig­heid — Bepaald-zijn

3  Bewustzijn — De totaliteit van het leven — Gewaarzijn

4  Najagen van genoegens — Verlangen — Ontaar­ding door denken — Herinnering — Vreugde

5  Belangstelling voor zichzelf — Haken naar een positie — Angsten en totale angst — Verbrok­keling van het denken — Het beëindigen van angst

6  Geweld —- Boosheid — Rechtvaardigheid en veroordeling — Het ideaal en de werkelijkheid

7  Verwantschap — Conflict — De maatschappij — Armoede — Bedwelmende middelen — Afhanke­lijkheid — Vergelijking — Verlangen — Idealen— Huichelarij

8 Vrijheid — Opstand — Eenzaamheid — Onschuld — Leven met onszelf zoals we zijn

9 Tijd — Smart — Dood

10 Liefde

11 Kijken en luisteren — Kunst — Schoonheid — Soberheid — Beelden — Problemen — Ruimte

12 De waarnemer en het waargenomene

13 Wat is denken? — Denkbeelden en handeling — Uitdaging — Materie — De aanvang van het denken

14 De lasten van gisteren — De rustige geest — Communicatie — Verwerving — Discipline — Stilte — Waarheid en werkelijkheid

15 Ervaring — Voldoening — Tweeslachtigheid — Meditatie

16 Totale revolutie — De religieuze geest — Energi — Hartstocht



’s Mensen speurtocht — De gekwelde geest — De traditionele benadering — De valstrik der achtenswaar­digheid — Het menselijk wezen en het individu — De strijd om het bestaan — De grondslag der menselijke natuur — Verantwoordelijkheid — Waarheid — Zelf-transformatie — Verspilling van energie — Bevrijding van gezag

                                                                                               1.


De mens heeft door de eeuwen heen gezocht naar iets boven hemzelf, boven materiële welvaart — iets dat wij waarheid of God of werkelijkheid noemen, een tijdeloze staat — iets, dat niet verstoord kan worden door omstandigheden, door het denken, of door menselijke verdorvenheid.

Steeds opnieuw stelde de mens de vraag: ‘Waar gaat dit alles om? Heeft het leven eigenlijk wel zin?’ Hij ziet de enorme verwarring in het leven, de wreedheden, de opstan­den, de oorlogen, de eindeloze verdeeldheid van godsdien­sten, ideologieën en nationaliteiten en met een gevoel van diepe en blijvende frustratie vraagt hij zich af wat hij kan doen; wat het is, dat wij leven noemen, en of er nog iets meer is.

Omdat hij dit naamloze, met wel duizend namen, dat hij al­tijd zocht, niet heeft gevonden, kweekte hij geloof aan — ge­loof in een heiland of een ideaal — en geloof baart onveran­derlijk geweld.

In deze voortdurende strijd die wij leven noemen, trach­ten wij een gedragscode vast te stellen in overeenstem­ming met de gemeenschap waarin wij grootgebracht worden, of het nu een communistische dan wel een zogenaamde vrije gemeenschap is; wij aanvaarden een gedragslijn als deel van onze traditie als Hindoes, Moslims en Christenen, of wat we ook mogen zijn. Wij kijken uit naar iemand, die zeggen kan wat goed of verkeerd gedrag is, welke denkwijze goed of ver­keerd is en dit patroon volgend worden ons optreden en ons denken mechanisch, ons antwoord werktuiglijk. Dit kun­nen wij gemakkelijk bij onszelf waarnemen.

Eeuwenlang is het ons met de paplepel ingegoten door on­ze leraren, door onze autoriteiten, onze boeken, onze heiligen. Wij zeggen: ‘Vertel ons toch — wat ligt er achter de heuvels en de bergen en de aarde?’ en we zijn tevreden met hun be­schrijvingen, wat betekent dat we leven van woorden en dat ons leven oppervlakkig is en leeg. Wij zijn tweedehands-men- sen. We hebben geleefd van wat ons verteld werd, geleid door onze neigingen, onze aanleg, ófwel doordat omstandig­heden en omgeving ons dwongen het te aanvaarden. Wij zijn het resultaat van allerlei soorten invloeden en er is niets nieuws in ons, niets, dat we voor onszelf ontdekt hebben; niets origineels, oorspronkelijks, zuivers.

Door de ganse geschiedenis der theologie heen hebben godsdienstige leiders ons verzekerd dat we door het in acht nemen van bepaalde ritualen, het herhalen van bepaalde ge­beden of mantrams, het ons voegen naar bepaalde patronen, het onderdrukken van onze verlangens, het beheersen van onze gedachten, het sublimeren van onze driften, het beper­ken van onze begeerten en het ons onthouden van sexuele overdaad, na genoegzame kwelling van geest en lichaam iets zullen vinden dat boven dit kleine leven uitgaat.

Dit is wat miljoenen zogenaamde gelovigen door de eeu­wen hebben gedaan, hetzij in afzondering, zich terugtrekkend in de woestijn of in de bergen of in een grot, of wandelende van dorp tot dorp met de bedelnap, hetzij in een groep, of door zich aan te sluiten bij een kloosterorde, hun geest dwin­gend zich te schikken naar een gevestigd patroon. Een ge-

kwelde geest echter, een gebroken geest, een geest die alle ge­woel wil ontvluchten, die de buitenwereld heeft afgezworen en door discipline en navolging afgestompt is, zal, hoe lang hij ook zoekt, alleen vinden, wat in overeenstemming is met zijn eigen misvorming.

Om dus te ontdekken of er inderdaad iets boven dit zorgelij­ke, schuldvolle, angstwekkende en wedijverende bestaan uit­gaat of niet, komt het mij voor, dat onze benadering geheel anders moet zijn. De traditionele wijze van benaderen is van­af de omtrek naar binnen toe, om na verloop van tijd, door oefening en zelfverloochening, geleidelijk te komen bij die in­nerlijke bloem, die innerlijke schoonheid en liefde — in feite door al datgene te doen wat ons bekrompen, kleinzielig en prullerig maakt; bij stukjes en beetjes ontpellen; de tijd er­voor nemen; morgen kan het ook nog wel, of in een volgend leven? — maar als men tenslotte tot het middelpunt is ge­komen, vindt men daar niets, omdat onze geest onbruikbaar is gemaakt, dof en ongevoelig.

Als men dit proces waargenomen heeft, vraagt men zich af, of er niet een geheel andere benadering is — zou het bijvoor­beeld niet mogelijk zijn vanuit het middelpunt los te barsten?

De wereld aanvaardt en volgt de traditionele benadering. De hoofdoorzaak van de wanorde in onszelf is het zoeken naar een werkelijkheid die een ander ons heeft beloofd; wij volgen mechanisch degene die ons een comfortabel geestelijk leven verzekert. — Het is wel bijzonder vreemd dat wij, of­schoon we gekant zijn tegen politieke tyrannie en dictator­schap, innerlijk wel de autoriteit en de tyrannie accepteren van iemand anders, die onze geest en onze levenswijze wil ver­vormen. Indien we dus alle zogenaamde geestelijk gezag, alle ceremoniën, rituelen en dogma’s volkomen afwijzen, niet ver­standelijk maar daadwerkelijk, betekent dat, dat we alleen staan en al in conflict zijn met de maatschappij; wij zijn geen achtenswaardige menselijke wezens meer. Een achtenswaardig mens (achtenswaardig volgens de normen van deze maat­schappij ) kan onmogelijk dicht bij die oneindige, onmetelijke werkelijkheid komen.

U is nu begonnen iets te verwerpen dat volkomen onwaar is — de traditionele benadering — maar als u die verwerpt als een recatie, heeft u alweer een ander patroon geschapen waarin u gevangen zult worden; indien u zich uzelf verstan­delijk vertelt dat deze verwerping een heel goed idee is, maar er niets aan doet, komt u niet verder. Als u het echter ver­werpt, omdat u de domheid en onvolwassenheid ervan inziet, als u het dus verwerpt uit een geweldig begrip, omdat u vrij bent en niet bevreesd, schept u een grote verwarring in uzelf en om u heen, maar u is aan de valstrik der achtenswaardig­heid ontkomen. Dan zult u bemerken, dat u niet langer zoekt. Dat is het eerste wat we moeten leren — niet zoeken. Als u zoekt bent u eigenlijk pas aan het étalage-kijken toe.

De vraag of er al dan niet een God, of waarheid, of werkelijk­heid, of hoe je het wilt noemen bestaat, kan nooit beantwoord worden door boeken, priesters, filosofen of redders der mens­heid. Niemand en niets kan die vraag beantwoorden dan uzelf en daarom moet u zichzelf kennen. Onvolgroeidheid berust alleen op een volslagen niet-kennen van het zelf. Uzelf be­grijpen is het begin der wijsheid.

Wat is dit zelf, dit individuele u? Ik geloof dat er een ver­schil bestaat tussen het menselijk wezen en het individu. Het individu is een plaatselijk wezen, levend in een bepaald land, behorend tot een bepaalde beschaving, een bepaalde gemeen­schap, een bepaalde godsdienst. Het menselijk wezen is geen plaatselijk wezen. Het is overal. Indien het individu alleen optreedt in een bepaalde hoek van het uitgestrekte levensveld, staat zijn optreden geheel los van het geheel. Men moet dus in gedachten houden dat we spreken over het geheel, niet over een deel, want in het grote ligt het kleine, maar in het kleine niet het grote besloten. Het individu is het kleine, bepaalde, miserabele, gefrustreerde wezen, tevreden met zijn kleine gó­den en zijn kleine tradities, terwijl een menselijk wezen be­trokken is bij de totale welvaart, de totale rampzaligheid en de totale verwarring van de wereld.

Wij menselijke wezens zijn wat we miljoenen jaren waren — kolossaal hebzuchtig, afgunstig, agressief, jaloers, angstig en wanhopend, met nu en dan flitsen van vreugde en genegen­heid. Wij zijn een vreemd mengelmoes van haat, vrees en zachtaardigheid; wij zijn zowel geweld als vrede. Uiterlijk is er vooruitgang geweest; van de cssekar tot het straalvliegtuig, maar psychologisch is het individu helemaal niet veranderd en de structuur van de maatschappij is over de gehele wereld ge­schapen door individuen. De uiterlijke sociale structuur is het resultaat van de innerlijke psychologische structuur van onze inter-menselijke relaties, want het individu is het resultaat van de totale ervaring, kennis en het gedrag van de mens. Ieder van ons is de voorraadschuur van het ganse verleden. Het individu is de mens die het gehele mensdom is. De ganse historie van de mens staat geschreven in onszelf.

Merk op wat er werkelijk plaats vindt in uzelf en buiten uzelf in de concurrerende beschaving waarin u leeft, met haar verlangen naar macht, positie, prestige, naam, succes en alles wat daarbij behoort — sla de prestaties gade waar u zo trots op bent, dit gehele terrein dat u leven noemt en waar een con­flict schuilt in elke vorm van verwantschap, wat haat, tegen­werking, wreedheid en eindeloze oorlogen kweekt. Dit ge­bied, dit leven, is het enige dat we kennen en omdat we niet bij machte zijn de enorme strijd om het bestaan te begrijpen, zijn we er natuurlijk bang voor en weten er op allerlei subtiele manieren aan te ontsnappen. Ook zijn we bang voor het onbe­kende — bang voor de dood, bang voor datgene wat nog in het verschiet ligt. We zijn dus bang voor het bekende en voor het onbekende. Dat is ons dagelijks leven en daarin is geen hoop, en daarom is elke vorm van filosofie, elke vorm van theologisch begrip slechts een vlucht voor de actuele werke­lijkheid van wat is.

Alle uiterlijke veranderingen, teweeggebracht door oorlogen, omwentelingen, hervormingen, wetten en ideologieën, zijn er ten enenmale niet in geslaagd de basis van de menselijke na­tuur en daardoor van de maatschappij te veranderen. Laten wij onszelf, als menselijke wezens levend in deze monsterlijk-lelij- ke wereld, af vragen: kan deze maatschappij, die berust op wedijver, wreedheid en angst, beëindigd worden? Niet als een verstandelijk begrip, niet als hoop, maar als een werkelijk feit, zó dat de geest weer fris, nieuw en onschuldig wordt en een geheel andere wereld voort kan brengen? Dat kan alleen ge­beuren, meen ik, indien ieder van ons het centrale feit erkent, dat wij, als individuen, als menselijke wezens, in welk deel der wereld we ook leven en tot welke beschaving wij beho­ren, geheel en al verantwoordelijk zijn voor de toestand waar­in de wereld verkeert.

Wij zijn — ieder van ons — verantwoordelijk voor elke oorlog door de agressiviteit in onze eigen levens, door ons nationalisme, onze zelfzuchtigheid, onze góden, onze vooroor­delen, onze idealen, welke ons alle verdeeld houden. Alleen als we ons bewust worden, niet verstandelijk maar in werke­lijkheid, zó werkelijk als we honger of pijn onderkennen, dat u en ik verantwoordelijk zijn voor alle bestaande chaos, voor alle ellende over de gehele wereld, omdat wij er in ons dage­lijks leven aan hebben bijgedragen en deel uitmaken van deze monsterachtige maatschappij met haar oorlogen, verdeeldhe­den, haar lelijkheid, wreedheid en hebzucht — eerst dan zul­len we handelen.

Wat kan een menselijk wezen echter doen — wat kunnen u en ik doen — om een geheel andere maatschappij te schep­pen? We stellen onszelf hiermee een heel ernstige vraag. Kan er eigenlijk iéts gedaan worden? Wat kunnen we doen? Kan iemand ons dat vertellen? Men heeft het ons verteld. De zo­genaamde geestelijke leiders, die geacht worden deze dingen beter te begrijpen dan wij, hebben het ons verteld, en getracht ons te verwringen en te vormen naar een nieuw patroon en dat heeft ons niet erg ver gebracht; wereldwijze en geleerde mensen hebben het ons verteld en ook dat heeft ons niet ver­der gebracht. Men vertelde ons dat alle wegen tot de waar­heid leiden — u heeft uw weg als Hindoe en iemand anders heeft zijn pad als Christen en weer een ander als Moslim en zij allen ontmoeten elkaar bij dezelfde deur — wat als u het goed bekijkt meer dan dwaas is. De waarheid heeft geen weg, dat is juist de schoonheid van de waarheid; de waarheid lééft. Naar een dood iets leidt een weg omdat het statisch is, maar wanneer u inziet dat de waarheid iets levends, iets bewegends is, dat geen rustplaats heeft, dat in geen tempel, moskee of kerk verblijft, waarheen geen godsdienst, geen leraar, geen filosoof, niemand u leiden kan — dan zult u ook zien, dat dit levende iets is, wat u in feite zelf bent — uw woede, uw wreedheid, uw geweld, uw wanhoop, de zielsangst en de smart waarin u leeft. In het verstaan van dit alles ligt de waar­heid en u kunt het alleen verstaan als u weet, hoe u deze din­gen in uw leven moet bekijken. En u kunt niet kijken door een ideologie, door een scherm van woorden, door hoop en vrees heen. U ziet dus dat u zich op niemand kunt verlaten. Er is geen gids, geen leraar, geen gezaghebbende. Alleen u bent er — uw relatie met anderen en met de wereld — verder is er niets. Als u zich dit realiseert, brengt het öf grote wanhoop, waaruit cynisme en bitterheid voortkomen, öf, als u het feit onder de ogen ziet dat u en niemand anders verantwoordelijk is voor de wereld en voor uzelf, voor wat u denkt, wat u voelt, hoe u handelt, verdwijnt zelfbeklag. Gewoonlijk vinden we het prettig als we de schuld op een ander kunnen werpen, wat een vorm van zelfbeklag is.

Kunnen u en ik dan zonder enige beïnvloeding van buitenaf, zonder enige overreding, zonder enige vrees voor bestraffing — kunnen wij in de kern-zelf van ons wezen een algehele om­wenteling tot stand brengen, een psychologische mutatie, zo­dat we niet langer wreed zijn en gewelddadig, wedijverig, on­gerust, angstig, hebzuchtig en de hele rest van wat er in onze natuur leeft, waaruit de verrotte maatschappij is opgebouwd, waarin we ons dagelijks leven leiden?

Het is belangrijk dat u vanaf het eerste begin verstaat dat ik geen filosofie of theologisch bouwsel van ideeën of theo­logische begrippen aan het formuleren ben. Alle ideologieën zijn volgens mij volkomen dwaas. Wat belangrijk is, is niet een levensfilosofie, maar wel waarnemen wat er daadwerke­lijk in ons dagelijks leven, innerlijk en uiterlijk, plaats vindt. Indien u nauwkeurig bekijkt wat er zich afspeelt en het onder­zoekt, zult u inzien dat het berust op een verstandelijk begrip en het verstand is geenszins het gehele gebied van ons be­staan; het is een fragment en hoe kunstig ook in elkaar gezet, hoe oud ook en vol traditie, het is maar een klein gedeelte van het bestaan, terwijl wij te maken hebben met de totaliteit van het leven. Als we kijken naar wat er in de wereld gebeurt, be­ginnen we te begrijpen dat er geen uiterlijk en innerlijk pro­ces is; er is slechts één uniform proces; het is één gehele, tota­le beweging waarvan de innerlijke beweging zich voordoet als de uiterlijke, terwijl de uiterlijke weer reageert op de in­nerlijke. Dit te kunnen zien is volgens mij het enig nodige, want als we weten hoe we moeten kijken, wordt het geheel zeer duidelijk en om te kunnen kijken heeft men geen filoso­fie nodig, noch een leraar. Niemand behoeft u te vertellen hoe u moet kijken. Dat gaat vanzelf.

Kunt u zich dan, met dit gehele tafereel voor ogen, niet met woorden maar daadwerkelijk, kunt u zichzelf gemakkelijk, spontaan omzetten? Dat is waar het werkelijk om gaat. Is het mogelijk om een algehele omwenteling in de psyche teweeg te brengen?

Ik ben benieuwd wat uw reactie is op zo’n vraag. Misschien zegt u: ‘Ik wil niet veranderen’, en de meeste mensen doen dat ook niet, in het bijzonder liegenen, die zich sociaal en economisch genoegzaam geborgen weten, of die er een dog­matisch geloof op nahouden en er vrede mee hebben dat zij zelf en andere zaken zijn zoals zij zijn, of misschien een beetje anders. Met zulke mensen behoeven wij ons niet te bemoeien. U zou ook, iets subtieler, kunnen zeggen: ‘Dat is te moeilijk hoor, niets voor mij’, in welk geval u zichzelf al vastgezet hebt, u onderzoekt niet langer en het heeft geen nut verder te gaan. Misschien zegt u ook: ‘Ik zie wel de noodzaak van een fundamentele verandering in mijzelf in, maar hoe moet ik die bewerkstelligen? Wilt u me alstublieft de weg wijzen, me er naar toehelpen?’ Indien u dat zegt gaat het u niet om de ver- andering-zelf, u bent dan niet wezenlijk geïnteresseerd in een fundamentele omwenteling; u zoekt dan enkel naar een methode, een systeem, om een verandering teweeg te brengen.

Als ik dwaas genoeg zou zijn om u een systeem te geven en u dwaas genoeg om het te volgen, zoudt u slechts iets naboot­sen, imiteren, u aan iets aanpassen, iets aanvaarden en wan­neer u dat doet, hebt u in uzelf het gezag van een ander ge­vestigd en daardoor ontstaat er conflict tussen u en dat gezag. U vindt dat u het een of ander moet doen, omdat het u zo is opgedragen en toch kunt u het niet. U hebt uw eigen speciale neigingen, aanleg en spanningen, die botsen met het systeem dat u denkt te moeten volgen en daarom is er tegenstrijdig­heid. U zult dus een dubbel leven leiden tussen de ideologie van het systeem en de actualiteit van uw dagelijks bestaan. Als u tracht u aan te passen aan de ideologie onderdrukt u uzelf, terwijl wat werkelijk waar is, niet die ideologie is, maar wat u bent. Indien u uzelf tracht te bestuderen aan de hand van een ander, zult u steeds een tweedehands mens blijven. Iemand die zegt: ‘Ik wil veranderen, vertel me hoe’, schijnt heel ernstig, zeer serieus, maar hij is het niet. Hij zoekt naar een gezag, dat, naar hij hoopt, orde in hem zal scheppen. Kan gezag echter ooit innerlijke orde brengen? Orde van buitenaf opgelegd moet altijd wanorde kweken. Misschien ziet u de waarheid hiervan wel verstandelijk in, maar kunt u haar wer­kelijk toepassen, zo dat uw geest niet langer enig gezag pro­jecteert: het gezag van een boek, van een leraar, van een vrouw of echtgenoot, van een ouder, van een vriend of van de gemeenschap? Omdat we altijd gehandeld hebben binnen het patroon van een formule, wordt die formule de ideologie en het gezag, maar op het moment dat u werkelijk inziet dat de vraag: ‘Hoe kan ik veranderen?’ een nieuw gezag vestigt, heeft gezag voor altijd voor u afgedaan.

Laten we het nog eens duidelijk stellen: ik zie in, dat ik ge­heel moet veranderen tot in de wortels van mijn wezen; ik kan mij niet langer verlaten op welke traditie ook, omdat de traditie deze kolossale luiheid, aanvaarding en gehoorzaam­heid heeft voortgebracht; ik kan onmogelijk iemand anders hulp inroepen voor deze verandering; niet die van een leraar, een god, een geloof, een systeem, van een uiterlijke dwang of invloed. En wat gebeurt er dan?

Allereerst, kunt u alle gezag afwijzen? Zo ja, dan betekent het dat u niet langer bang bent. Wat gebeurt er dan? Als u iets onwaars afwijst, dat u vele generaties lang met u mee­droeg, als u een last, welke óók, afwerpt, wat vindt er dan plaats? U hebt meer energie, nietwaar? U bent tot meer in staat, hebt meer voortvarendheid, groter intensiteit en vitali­teit. Als u dit niet voelt, dan heeft u uw last niet afgeworpen, de loodzware vracht van het gezag niet laten schieten.

Heeft u haar wel afgeworpen en heeft u energie waarin helemaal geen vrees is — geen vrees voor het maken van fou­ten, geen vrees om iets goed of verkeerd te doen — is dan deze energie zelf niet de omzetting? We hebben een gewel­dige hoeveelheid energie nodig en we verspillen haar door angst, maar wanner deze energie die los komt bij het verwer­pen van elke vorm van vrees, er is, produceert die energie zelf die radicale innerlijke omwenteling. U behoeft daar niets aan te doen.

U is dus aan uzelf overgelaten en dat is inderdaad de staat voor de mens, die dit alles zeer ernstig opvat; en omdat u niet langer van andere mensen of dingen hulp verwacht, bent u al vrij om te ontdekken. Als er vrijheid is, is er energie; als er vrijheid is, kan er niets verkeerd gaan. Vrijheid is iets geheel anders dan opstand. Er bestaat niet zoiets als goed of kwaad doen, als er vrijheid is. U bent vrij en vanuit dat middelpunt handelt u. En daarom is er geen vrees en een geest zonder vrees is in staat tot grote liefde. En wanneer er liefde is kan de geest doen wat hij wil.

We gaan daarom nu trachten iets te weten te komen over onszelf, niet volgens mij of een of andere onderzoeker of filo­soof — want, als we iets leren over onszelf volgens iemand anders, leren we iets over hem, niet over onszelf — neen, we gaan leren wat wij in feite zijn.

Nu we ons gerealiseerd hebben, dat wij ons op geen uiter­lijk gezag kunnen verlaten bij het teweegbrengen van een to­tale omwenteling in de structuur van onze eigen psyche staan we voor de onmetelijk veel groter moeilijkheid ons te ontdoen van ons eigen innerlijk gezag, het gezag van onze eigen spe­ciale kleine ervaringen en verzamelde meningen, kennis, denk­beelden en idealen. U had gisteren een ervaring die u iets leer­de en wat u geleerd heeft wordt een nieuw gezag — en dat gezag van gisteren werkt even vernietigend als het gezag van een duizend jaar. Om onszelf te begrijpen behoeven we geen gezag, dat van gisteren niet, noch dat van een duizend jaar, omdat we levende wezens zijn, altijd in beweging, vloeiend, nooit rustend, indien we onszelf bekijken met het dode gezag van gisteren, zullen we de levende beweging en de schoonheid en waarde van die beweging niet begrijpen.

Vrij zijn van elk gezag, van het eigene of dat van een ander, is sterven voor alles van gisteren, zodat uw geest altijd fris is, altijd jong, onschuldig, vol kracht en hartstocht. Het is alleen in die staat dat men leert en opmerkt. Hiervoor is veel ge- waarzijn nodig, daadwerkelijk gewaarzijn van wat er omgaat in uzelf, zonder dit te verbeteren of te zeggen wat het wel of niet had moeten zijn, want op het moment dat u het verbetert, hebt u een ander gezag gevestigd, een censor.

We gaan dus nu gezamenlijk onszelf onderzoeken — niet zo dat de ene persoon uitleg geeft over wat u leest, en u het al dan niet met hem eens bent, de woorden op de bladzijde vol­gend — maar door gezamenlijk een reis te ondernemen, een onderzoekingstocht tot in de meest geheime hoeken van onze geest. Om zo’n tocht te kunnen ondernemen moeten we wei­nig bagage meenemen; niet belast zijn met meningen, voor­oordelen en conclusies — al dat oude huisraad dat we in de laatste tweeduizend jaar en meer verzameld hebben. Vergeet alles wat u van uzelf weet; vergeet alles wat u ooit over uzelf gedacht hebt; we zullen afreizen alsof we niets weten.

Het heeft vannacht zwaar geregend en nu begint de hemel helder te worden; het is een nieuwe, frisse dag. Laten we deze nieuwe dag tegemoettreden alsof het de enige dag was. Laten wij gezamenlijk onze reis aanvangen en alle herinnering aan gisteren achterlaten — en voor de eerste maal onszelf gaan begrijpen.

                                                                                            2.

Wij leren iets over onszelf— eenvoud en nederigheid — Bepaald-zijn

Wanneer u het belangrijk acht iets over uzelf aan de weet te komen, alleen omdat ik of iemand anders gezegd heeft dat het belangrijk is, ben ik bang dat alle communicatie tussen ons een einde neemt. Maar als we het erover eens zijn dat het van vitaal belang is dat we onszelf geheel begrijpen, dan staan u en ik in een geheel andere betrekking tot elkaar, dan kun­nen we gezamenlijk een gelukkig, zorgvuldig en intelligent on­derzoek instellen.

Ik eis geen vertrouwen van u; ik werp mij niet op als auto­riteit. Ik heb u niets te leren — geen nieuwe filosofie, geen nieuw systeem, geen nieuw pad naar de werkelijkheid; er is geen weg naar de werkelijkheid, evenmin als naar de waar­heid. Alle gezag, van welke soort ook, speciaal op het terrein van het denken en begrijpen, is een vernietigend en slecht iets. Leiders voeren hun volgelingen naar de ondergang en de volgelingen hun leiders. U zult uw eigen leraar en uw eigen leerling moeten zijn. U zult moeten twijfelen aan alles wat de mens als waardevol, als noodzakelijk geaccepteerd heeft.

Indien u niemand volgt, voelt u zich zeer eenzaam. Wéés dan eenzaam. Waarom bent u zo bang om alleen te zijn? Om­dat u van aangezicht tot aangezicht staat tegenover uzelf zoals u bent en omdat u bemerkt dat u leeg, saai, dom, lelijk, schul­dig en angstig bent — een bekrompen, prullerig tweedehands wezen. Zie het feit onder de ogen; kijk ernaar, vlucht er niet voor. Op het moment dat u vlucht komt de angst.Onszelf onderzoeken betekent niet onszelf isoleren van de rest van de wereld. Het is geen ongezond proces. De mens over de gehele wereld is gevangen in dezelfde dagelijkse pro­blemen als wijzelf, dus door het onderzoeken van onszelf zijn we geenszins neurotisch, want er is geen verschil tussen het individu en de collectiviteit. Dat is een vaststaand feit. Ik heb de wereld geschapen zoals ik ben. Laten we dus niet verdwa­len in deze strijd tussen het deel en het geheel.

Ik moet het totale gebied van mijn eigen zelf gewaar wor­den en dat is het bewustzijn van het individu èn van de maat­schappij. Eerst dan, als de geest boven dit individuele en so­ciale bewustzijn uitstijgt, kan ik voor mezelf een licht worden dat nooit uitdooft.

Waar nu beginnen we onszelf te begrijpen? Hier ben ik, en hoe moet ik mijzelf bestuderen, mijzelf waarnemen, zien wat er feitelijk in mij plaats vindt? Ik kan mezelf alleen gadeslaan in een of andere relatie, omdat alle leven relatie is. Het heeft geen nut in een hoekje te gaan zitten en over mezelf te medi­teren. Ik kan niet alleen bestaan. Ik besta slechts in relatie tot mensen, dingen en denkbeelden, en door mijn relaties met dingen buiten mezelf en met mensen te bestuderen, alswel die met innerlijke dingen, begin ik mijzelf te begrijpen. Iedere an­dere vorm van begrijpen is enkel een abstractie en ik kan me­zelf niet abstract bestuderen; ik ben geen abstract wezen; daarom moet ik mijzelf bestuderen als feitelijkheid — zoals ik ben, niet zoals ik zou willen zijn.

Begrijpen is geen verstandelijk proces. Kennis over uzelf ver­werven en iets te weten komen van uzelf zijn twee verschil­lende zaken, want de kennis die u over uzelf verzamelt, is altijd iets van het verleden en een geest die belast is met het verleden is een droevige geest. Iets van uzelf te weten komen is niet hetzelfde als het leren van een taal of een techniek of een wetenschap — dan moet u vanzelfsprekend verzamelen en onthouden; het zou onzinnig zijn weer geheel opnieuw te be­ginnen — maar op psychologisch gebied is iets te weten ko­men over jezelf steeds in het heden, en kennis is altijd iets van het verleden, en omdat de meesten van ons in het ver­leden leven en daar tevreden mee zijn, wordt kennis buiten­gewoon belangrijk voor ons. Daarom kijken we op tegen de erudiet, en de handige, de listige. Maar als u voortdurend iets leert, elke minuut leert, leert door gadeslaan en luisteren, door kijken en doen, dan zult u bemerken dat leren een constante beweging is zonder verleden.

Als u zegt dat u geleidelijk iets van uzelf te weten wilt komen, steeds meer eraan toevoegend, beetje bij beetje, dan bestudeert u uzelf niet zoals u nu bent, maar door middel van verworven kennis. Leren vóóronderstelt een grote gevoelig­heid. Er is geen gevoeligheid, wanneer een denkbeeld dat het verleden is, het heden domineert. Dan is de geest niet langer snel, plooibaar, waakzaam. De meesten van ons zijn zelfs phy- siek niet gevoelig. We overeten ons, we maken ons niet druk over het juiste diëet, we roken teveel en drinken teveel, zodat onze lichamen grof en ongevoelig worden; de kwaliteit van de aandacht in het organisme zelf wordt afgestompt. Hoe kan er een zeer waakzame, gevoelige en heldere geest bestaan als het organisme zelf suf en traag is? We mogen dan gevoelig zijn voor bepaalde dingen die ons persoonlijk raken, maar het volledig gevoelig zijn voor alle verwikkelingen in het leven vereist dat er geen afscheiding bestaat tussen het organisme en de geest. Het is één totale beweging.

Om iets te begrijpen moet u ermee leven, moet u het gade­slaan, de gehele inhoud ervan kennen, zijn aard, zijn struc­tuur, zijn gang. Heeft u ooit geprobeerd met uzelf te leven? Zo ja, dan zult u gaan zien dat uw zelf geen statische toestand is, maar een fris, levend ding. En om met een levend ding te leven, moet ook uw geest levend zijn. En hij kan niet levend zijn als hij gevangen is in meningen, oordelen en waarden.

Om de beweging van uw eigen geest en hart, van uw ge­hele wezen gade te slaan, moet u een vrije geest hebben, niet

een die het eens of oneens is, partij kiest in een discussie, die louter over woorden gaat, maar een die alles volgt met de be­doeling om te begrijpen — een zeer moeilijke zaak, omdat de meesten onder ons niet weten, hoe wij naar ons eigen wezen moeten kijken of luisteren, evenmin als wij weten hoe wij naar de schoonheid van een rivier moeten kijken of luisteren naar het briesje dat door de bomen speelt. »

Als we veroordelen of rechtvaardigen kunnen we niet dui­delijk zien, en evenmin als ons denken eindeloos kakelt; dan nemen we niet waar wat is; we kijken alleen naar de projec­ties die we van onszelf hebben gemaakt. Elk van ons vormt zich een beeld van wat we menen te zijn of van wat we zou­den willen zijn en dat beeld, dat portret, verhindert ons vol­komen onszelf te zien zoals we inderdaad zijn.

Het is een der moeilijkste dingen ter wereld om simpel iets te bekijken. Omdat onze geest zeer samengesteld is, hebben we de deugd der eenvoud verloren. Ik bedoel niet eenvoud in kleding en voedsel, het dragen van alleen een lendedoek of het breken van een record in vasten, of iets van die onvolwas­sen nonsens die heiligen beoefenen, maar de eenvoud die de dingen rechtuit aanziet zonder enige angst — die naar onszelf kijkt zoals we werkelijk zijn zonder enige vervorming — en zegt dat we liegen als we liegen; niets verdoezelt of ervoor vlucht.

Eveneens hebben we een grote hoeveelheid nederigheid no­dig om onszelf te leren begrijpen. Als u begint te zeggen: ‘Ik ken mezelf’, dan valt er al niets meer over uzelf te weten te komen; of als u zegt: ‘Er valt niet zoveel over mijzelf te leren, omdat ik slechts een bundel herinneringen, ideeën, ervarin­gen en tradities ben’, ook dan zult u niets meer over uzelf te weten komen. Op het moment dat u iets bereikt, bezit u de hoedanigheid van onschuld en nederigheid niet meer; op het moment dat u een conclusie trekt of iets begint te onderzoe­ken van de kennis uit, is het gedaan, want dan vertaalt u ieder levend iets in termen van het oude. Indien u daarentegen géén vaste voet hebt, geen zekerheid en geen verworvenheid, dan is er vrijheid tot kijken, tot onderzoeken. En als men in vrijheid kijkt, is het altijd nieuw. Een zelfverzekerd mens is een dood menselijk wezen.

Maar hoe kunnen we vrij zijn in ons kijken en leren als onze geest vanaf het moment dat we worden geboren tot het mo­ment dat we sterven, gevormd wordt door een speciale be­schaving binnen het nauwe patroon van het ‘ik’. Eeuwenlang reeds zijn we bepaald door nationaliteit, kaste, klasse, tradi­tie, godsdienst, taal, opvoeding, literatuur, kunst, gewoonte, conventie, propaganda van allerlei soort, economische druk, het voedsel dat we eten, het klimaat waarin we leven, onze familie, onze vrienden, onze ervaringen — elke invloed die u maar kunt bedenken — en daarom is ons antwoord op elk probleem bepaald.

Is u gewaar dat u bepaald is? Dat moet u eerst uzelf afvra­gen, niet hoe u vrij kunt komen van uw bepaald zijn. Mis­schien zult u daar nooit vrij van komen en als u zegt: ‘Ik moet er vrij van zijn’, is het mogelijk dat u in de kuil van een andere vorm van bepaaldheid valt. U is zich er dus van bewust dat u bepaald bent? Weet u, dat uw geest zelfs wanneer u naar een boom kijkt en zegt ‘Dat is een eik’, of ‘Dat is een vijgeboom’, dat het benoemen van die boom, wat botanische kennis is, zo bepaald is, dat het woord tussen u en het daadwerkelijke zien van de boom komt? Om in contact te komen met de boom moet u uw hand ertegen houden en het woord zal u bij dit aanraken niet helpen.

Hoe weet u dat u bepaald is? Wat laat u dit weten? Wat zegt u dat u hongerig is — niet in theorie maar als feitelijke honger? Hoe ontdekt u op dezelfde wijze dat u bepaald is? Is het niet door uw reactie op een probleem, een uitdaging? U reageert op elke uitdaging naar uw bepaaldheid en dit zal steeds onvoldoende reageren, omdat het onvolledig is.

Wanneer u die gewaar wordt, brengt dan dit bepaald-zijn door ras, godsdienst, en beschaving een gevoel van gevangen­schap? Neem slechts één vorm van bepaaldheid, nationalis­me, en wordt dit ernstig, volledig gewaar en kijk of u het prettig vindt dan wel u ertegen verzet, en als u zich ertegen verzet of u dan alle bepaald-zijn wilt doorbreken. Indien u tevreden bent met uw bepaaldheid is het duidelijk dat u er niets tegen zult doen, maar indien u niet tevreden bent als u het gewaar wordt, zult u zich realiseren dat u nooit iets zonder doet. Nooitl

En daarom leeft u steeds in het verleden met de doden.

U zult alleen kunnen zien hoe bepaald u is als er een conflict optreedt in het voortduren van genoegen of het vermijden van pijn. Als alles volmaakt gelukkig is om u heen, uw vrouw van u houdt, u van haar houdt, u een aardig huis hebt, leuke kinderen en meer dan genoeg geld, dan bent u zich helemaal niet bewust van uw bepaaldheid. Maar wanneer er een sto­ring optreedt — als uw vrouw naar een ander kijkt, of u uw geld verliest of bedreigd wordt door oorlog, of door pijn of ongerustheid, welke dan ook — dan weet u dat u bepaald is. Wanneer u tegenstribbelt tegen een of andere stoornis, of uzelf verdedigt tegen een uiterlijke of innerlijke dreiging, dan weet u dat u bepaald is en daar de meesten van ons bijna altijd verontrust zijn, licht of ook wel zwaar, bewijst die on­gerustheid dat we bepaald zijn. Zolang het dier geaaid wordt, reageert het vriendelijk, maar zodra het vijandigheid ontmoet, komt het ganse geweld van zijn aard naar buiten.

Wij zijn verontrust over het leven, de politiek, de econo­mische situatie, de verschrikking, de wreedheid, de smart in de wereld zowel als in onszelf en daardoor realiseren we ons hoe vreselijk streng we bepaald zijn. En wat gaan we doen? De verontrusting accepteren en ermee leven zoals de meesten van ons doen? Eraan wennen zoals men went aan een leven met rugpijn? Erin berusten?

Er is een neiging in ons allen cm in de dingen te berusten, eraan te wennen, ze te wijten aan de omstandigheden. ‘Ach, als alle dingen maar goed waren, zou ik ook wel anders zijn’, zeggen we, of: ‘Geef mij de gelegenheid en ik zal mezelf waar maken’, of: ‘Het onrecht van dit alles schokt me diep’, altijd weer anderen, onze omgeving of de economische situatie de schuld gevend van onze verontrusting.

Indien men gewend raakt aan verontrusting, betekent het, dat de geest afstompt; net zoals men zó gewend kan raken aan schoonheid om zich heen, dat men die niet langer ziet. Dan wordt men onverschillig, hard en gevoelloos en de geest wordt steeds meer afgestompt. Indien we er niet aan wen­nen, trachten we eraan te ontkomen door het gebruik van een of ander verdovend middel, door ons aan te sluiten bij een politieke groep, door schreeuwen, schrijven, naar een voetbalwedstrijd gaan of naar een tempel of kerk, of door een of andere vorm van amusement.

Waarom ontvluchten wij de werkelijke feiten? We zijn bang voor de dood — om dit als voorbeeld te nemen — en we vinc[en allerlei soorten theorieën, verwachtingen en menin­gen uit om het feit van de dood te verhullen; maar het feit blijft bestaan. Om een feit te begrijpen moeten we het bekij­ken, niet ervoor vluchten. De meesten van ons zijn zowel bang om te leven als om te sterven. Wij zijn bang voor onze familie, bang voor de publieke opinie, voor het verliezen van onze werkkring, onze veiligheid en voor honderden andere dingen. Het simpele feit ligt er, dat we bang zijn, niet dat we bang zijn voor iets bepaalds. Waarom kunnen we nu dat feit niet onder de ogen zien?

U kunt een feit alleen onder de ogen zien in het heden, maar als u het nooit toestaat aanwezig te zijn, omdat u er altijd weer voor op de vlucht slaat, kunt u het ook nooit onder de ogen zien en omdat we een heel netwerk van ontsnappin­gen hebben geweven, zijn we gevangen in die gewoonte van ontsnappen.Nu zult u, als u ook maar enigszins gevoelig, enigszins ernstig bent, u niet alleen bewust zijn van uw bepaaldheid, maar ook van de gevaren welke ze met zich brengt, de wreedheid en haat waartoe ze leidt. Waarom handelt u dan niet als u het gevaar van uw bepaald-zijn inziet? Is het omdat u lui bent, lui door een tekort aan energie? Toch zult u geen tekort aan energie hebben als u plotseling gevaar ontmoet, zoals een slang op uw pad, of een afgrond, of een brand. Waarom han­delt u dan niet, als u het gevaar van uw bepaaldheid ziet? In­dien u zag, dat het nationalisme uw eigen veiligheid in gevaar bracht, zou u dan niet handelen?

Het antwoord is dat u het niet ziet. Door een verstandelijk proces van analyse zou u misschien gaan inzien dat nationalis­me leidt tot zelf-vernietiging, maar zo’n proces is zonder emo­tionele inhoud. Alleen als er een emotionele inhoud is, wordt u vitaal.

Indien u het gevaar van uw bepaald-zijn slechts als een ver­standelijk begrip beschouwt, zult u er nooit iets aan doen. Als u een gevaar als zuiver denkbeeldig ziet, dan is er een conflict tussen het denkbeeld en het handelen en dat conflict neemt uw energie weg. Alleen dan, wanneer u het bepaald-zijn en het gevaar daarvan onmiddellijk ziet, zoals u een afgrond ziet, handelt u. Zien is dus handelen.

De meesten van ons gaan zonder aandacht door dit leven, gedachteloos reagerend, naar de omgeving waarin we zijn grootgebracht en deze reacties kweken alleen meer gebonden­heid, meer bepaald-zijn, maar op het moment dat u uw gehele aandacht daaraan schenkt, zult u merken dat u volledig vrij bent van uw verleden, dat dit natuurlijkerwijs van u afvalt.

                                                                                            3.

Bewustzijn — DeTotaliteit van bet Leven — Gewaarzijn

Wanneer u zich bewust wordt van uw bepaald-zijn zult u uw hele bewustzijn begrijpen. Het bewustzijn is het volledige gebied waarin het denken functioneert en relaties bestaan. Alle motieven, bedoelingen, wensen, genoegens, angsten, in­spiraties, verlangens, smarten, vreugden en hoop bevinden zich op dat gebied. Maar we zijn dit bewustzijn gaan verde­len in het actieve en het sluimerende gedeelte, hogere en lage­re gebieden — dus, alle dagelijkse gedachten, gevoelens en activiteiten aan de oppervlakte, en daar beneden, in het zoge­naamde onderbewustzijn, de dingen die ons niet zo bekend zijn en die zo nu en dan tot uitdrukking komen in bepaalde aanduidingen, intuïties en dromen.

Wij houden ons bezig met een klein hoekje van ons bewust­zijn dat het grootste deel van ons leven uitmaakt; hoe wij de rest, die wij het onderbewustzijn noemen met al zijn motie­ven, angsten, raciale en overgeërfde kwaliteiten, moeten be­naderen, weten we zelfs niet. Nu vraag ik u: bestaat er wel zo­iets als onderbewustzijn? We gebruiken dat woord maar al te vaak. We hebben aangenomen dat er iets van dien aard is en alle zegswijzen en het jargon van psychiaters en psycholo­gen zijn de taal binnengeslopen; maar bestaat er zoiets? En waarom vinden we het zo buitengewoon belangrijk? Het komt mij voor dat het even alledaags en dom is als de bewuste geest — even bekrompen, kwezelachtig, bepaald, angstig en smakeloos.

Is het dus mogelijk om het gehele terrein van bewustzijnhelemaal gewaar te zijn en niet enkel een gedeelte, een frag­ment ervan? Indien u in staat is die totaliteit te beseffen, functioneert u de hele tijd met uw ganse aandacht en niet slechts met een gedeelte ervan. Het is belangrijk dit te begrij­pen, want als je het gehele veld van bewustzijn gewaar bent, is er geen wrijving. Slechts wanneer men het bewustzijn — en dat zijn alle gedachten, gevoelens en handelingen — wil on­derverdelen in verschillende niveaus, is er wrijving.

We leven in brokstukken, fragmenten. U is zó op kantoor, iets anders thuis; u spreekt over democratie en in uw hart bent u autocratisch; u heeft het erover, dat u uw buren lief­heeft, maar doodt ze door uw concurrentie; een gedeelte van u werkt en kijkt, onafhankelijk van het andere. Is u zich van dit fragmentarische bestaan in uzelf bewust? En is het een brein, dat zijn eigen functies, zijn eigen denken, heeft ver­splinterd, mogelijk om zich van het gehele terrein bewust te zijn? Is het mogelijk om het gehele bewustzijn volledig, in zijn totaliteit, te zien, hetgeen betekent een volslagen mense­lijk wezen te zijn?

Indien u, om de gehele structuur van het ‘ik’, het zelf, in al zijn buitengewone samengesteldheid te begrijpen, stap voor stap verder gaat, laag na laag blootlegt, elke gedachte, elk ge­voel en motief onderzoekt, zult u gevangen worden in een analytisch proces dat u weken, maanden, jaren zal kosten — en wanneer u de tijd toelaat in dit proces waardoor u zichzelf wilt begrijpen, moet u ook elke vorm van verminking toela­ten, omdat het zelf een ingewikkeld iets is, bewegend, le­vend, strijdend, verlangend, afwijzend en voortdurend be­werkt door allerlei soorten van pressie, spanningen en in­vloeden. Dan zult u voor u zelf ontdekken dat dit niet de weg is; u zult begrijpen dat de enige wijze waarop u naar uzelf kunt kijken, totaal, onmiddellijk, zonder tijd is; u kunt de to­taliteit van uzelf slechts zien als de geest niet verdeeld is. Wat u in zijn totaliteit ziet, is de waarheid.

Welnu, kunt u dat? De meesten van ons niet, omdat we het probleem nooit zo serieus benaderd hebben, omdat we in werkelijkheid nooit naar onszelf gekeken hebben. Nooit. We beschuldigen anderen, we praten de dingen goed, of we zijn te bang om te kijken. Indien u echter volledig kijkt, totaal, geeft u uw gehele aandacht, uw gehele wezen, alles van uzelf, uw ogen, uw oren, uw zenuwen; u zult erbij zijn met volle­dige zelfovergave en dan is er geen plaats voor angst, geen plaats voor tegenspraak en daarom geen conflict.

Aandacht is niet hetzelfde als concentratie. Concentratie is uitsluiting; de aandacht, die totaal gewaar-zijn is, sluit niets uit. Het komt mij voor, dat de meesten van ons zich niet be­wust zijn waarover we praten en ook niet van onze omgeving, de kleuren om ons heen, de mensen, de vorm van de bomen, de wolken, het bewegen van het water. Misschien zijn we niet objectief gewaar, omdat we ons zo bezorgd maken over ons­zelf, over onze kleinzielige probleempjes, onze eigen ideeën, onze eigen genoegens, wat we najagen, onze ambities. Toch spreken we heel veel over gewaar-zijn. Eens reed ik in India in een auto. Er zat een chauffeur aan het stuur en ik zat naast hem. Achterin zaten drie heren zeer ingespannen over gewaar- zijn te discussiëren en stelden mij daar vragen over, en onge­lukkigerwijze keek de chauffeur op dat moment net een ver­keerde kant uit en overreed een geit, maar de drie heren wa­ren nog aan het praten over gewaar-zijn — volkomen niet ge­waar van het feit, dat ze juist over een geit waren gereden. Toen de heren op dit gebrek aan aandacht werd gewezen, waren zij daar zeer door verrast.

Met de meesten van ons is het ook zo. We zijn ons niet bewust van dingen buiten ons, noch van die in ons. Indien u de schoonheid van een vogel, een vlieg, een blad, of een persoon met al zijn complexen wilt begrijpen, moet u uw ge­hele aandacht daaraan schenken en dat is gewaar-zijn. En uw gehele attentie kunt u slechts geven als u werkelijk om iets geeft, wat betekent dat u vol liefde wilt begrijpen — dan geeft u uw hele hart en geest om er achter te komen.

Dit gewaar-zijn gelijkt veel op het samenleven met een slang in de kamer; u volgt iedere beweging ervan, u bent zeer, zeer gevoelig voor het minste geluid dat hij maakt. Zo’n toe­stand van aandacht is totale energie; in dit gewaar-zijn wordt uw ganse zelf in één oogwenk onthuld.

Wanneer u zo indringend naar uzelf hebt gekeken, kunt u nog veel dieper gaan. We gebruiken het woord ‘dieper’ hier niet in vergelijkende zin. Wij denken in vergelijkingen — diep en ondiep, gelukkig en ongelukkig. We zijn altijd aan het meten, aan het vergelijken. Is er eigenlijk zo’n toestand als diep en ondiep in onszelf? Als ik zeg: ‘Mijn geest is ondiep, klein­zielig, bekrompen, beperkt’, hoe ben ik dan deze dingen te weten gekomen? Omdat ik mijn geest vergeleken heb met de uwe, die helderder is, meer inhoud heeft, intelligenter en waakzamer is. Ken ik mijn kleinzieligheid zonder vergelijken? Als ik honger heb, vergelijk ik dan die honger met de honger van gisteren? De honger van gisteren is een denkbeeld, een herinnering. *

Als ik aldoor mijzelf afmeet naar u, etnaar streef te zijn als u, dan verloochen ik wat ikzelf ben. Derhalve schep ik een illusie. Als ik begrepen heb dat vergelijken, in welke vorm ook, alleen tot groter illusie en groter ellende leidt, net zoals wanneer ik mezelf analyseer en beetje bij beetje mijn kennis over mezelf vermeerder of mezelf vereenzelvig met iets buiten mij, hetzij de staat, een heiland of een ideologie — als ik be­grijp dat al deze processen slechts leiden lot groter onderwer­ping en daardoor tot groter conflict — als ik dit zie, dan zet ik alles volledig van me af. Dan zoekt mijn geest niet langer. Het is zeer belangrijk dit te begrijpen. Dan tast, zoekt, vraagt mijn geest niet langer. Het betekent niet dat mijn geest tevre­den is met de dingen zoals ze zijn, maar hij heeft geen illusies meer. Dan kan hij zich ook in een volkomen andere richting bewegen. De dimensie waarin wij plegen te leven, het leven van alledag dat pijn, genoegen en angst is, heeft de geest be­paald, zijn aard beperkt en als de pijn, het genoegen, de angst zijn verdwenen (dit betekent niet dat u geen vreugde meer zou beleven; vreugde is iets geheel anders dan genoe­gen) — dan functioneert de geest in een geheel andere dimen­sie, waarin geen conflict is, geen gevoel van ‘anders-zijn’.

Met woorden kunnen wij slechts tot hier komen; wat daar­achter ligt kan niet in woorden worden uitgedrukt, omdat het woord niet de zaak is. Tot nu toe konden we beschrijven, uit­leggen, maar geen woorden of uitleg kunnen de deur openen. Wat de deur opent, is het dagelijks gewaar-zijn en aandacht hebben — gewaar-zijn hoe we spreken, wat we zeggen, hoe we lopen, wat we denken. Het gelijkt op het schoonmaken van een kamer en die in orde houden. De kamer in orde hou­den is belangrijk in één opzicht, maar geheel onbelangrijk in een ander. Er moet orde zijn in de kamer, maar de deur of het raam zullen niet door die orde geopend worden. Niet wils­kracht of verlangen zullen de deur openen. U kunt onmoge­lijk het andere uitnodigen. Het enige wat je kunt doen is de kamer in orde houden, wat betekent deugdzaam zijn om der wille van de deugdzaamheid zelf, niet om wat het zal brengen. Verstandig, redelijk, ordelijk zijn. Dan misschien, als u geluk hebt, zal het raam opengaan en het briesje binnenwaaien. Of misschien ook niet. Het hangt af van de gesteldheid van uw geest, en die gesteldheid kan slechts door uzelf begrepen wor­den door hem gade te slaan, nooit te trachten hem te vormen, nooit partij te kiezen, nooit tegen te werken, nooit in te stem­men, nooit te rechtvaardigen, nooit af te keuren, nooit te oordelen — wat betekent gadeslaan zonder te kiezen. En door dit keuzeloos gewaar-zijn zal misschien de deur opengaan en zult u weten wat die dimensie is waarin geen conflict en geen tijd is.

                                                                                              4.

Najagen van Genoegens — Verlangen — Ontaarding door Denken — Herinnering — Vreugde

Wij zeiden in het vorige hoofdstuk dat vreugde iets geheel anders is dan genoegen; laten we dus eens nagaan wat genoe­gen eigenlijk inhoudt en of het mogelijk is te leven in een wereld waarin geen genoegen voorkomt, maar wel een gewel­dig gevoel van vreugde, van gelukzaligheid.

Wij nemen allen deel aan het najagen van genoegens in een of andere vorm — verstandelijk, zinnelijk of cultureel; het genoegen van hervorming, anderen vertellen wat ze moeten doen, verandering brengen in de misstanden van de maat­schappij, goed-doen — het genoegen van meer kennis, meer lichamelijke voldoening, meer ervaring, meer begrip van het leven, alle handige, listige dingen van de geest — en het hoog­ste genoegen is natuurlijk God te hebben.

Genoegen is de structuur van de maatschappij. Vanaf onze kindsheid tot aan de dood jagen we heimelijk, listig of onop­vallend genoegens na. Welke vorm van genoegen ook de onze is, ik meen dat deze ons helder voor de geest moet staan, want daardoor zal ons leven geleid en gevormd worden. Daarom is het voor ieder van ons belangrijk om nauwkeurig, voorzichtig en op delicate wijze de kwestie van het genoegen te onder­zoeken, want het vinden van genoegen en het dan voeden en in stand houden is een eerste levensvereiste, want door het ontbreken ervan wordt het leven saai, stompzinnig, eenzaam en zinloos.

Misschien zult u vragen waarom het leven dan niet geleid zou moeten worden door genoegens. Om de zeer simpelereden dat genoegens pijn, frustratie, smart en angst met zich brengen, en als gevolg van die angst geweld. Als u zo wilt leven, doe het dan. Het grootste gedeelte van de wereld doet het immers, maar indien u vrij wilt zijn van smart moet u ook de ganse structuur van genoegen begrijpen.

Genoegen begrijpen is niet het afwijzen. We veroordelen het niet of zeggen niet dat het goed of slecht is, maar als we het najagen, laten we het dan doen met open ogen in het weten dat de geest, die de hele tijd genoegen zoekt, onver­mijdelijk ook zijn schaduw, de pijn, zal vinden. Zij zijn onaf­scheidelijk, ofschoon wij achter het genoegen aanjagen en de pijn trachten te vermijden.

Waarom nu eist de geest steeds weer genoegen? Waarom doen we edele en lage daden met een onderstroom van genoe­gen? Waarom brengen we offers en lijden we op de dunne draad van het genoegen? Wat is genoegen en hoe komt het tot stand? Ik vraag me af of iemand van u zich deze vragen al eens gesteld en de antwoorden tot het alleruiterste gevolgd heeft?

Genoegen komt tot stand in vier fasen — waarneming, ge­waarwording, aanraking en verlangen. Ik zie bijv. een prach­tige auto; dan krijg ik een gewaarwording, een reactie door het kijken ernaar; dan raak ik haar aan of stel me voor dat ik zulks doe en dan komt het verlangen op, die auto te bezitten en ermee te pronken. Of ik zie een mooie wolk, of een helder tegen de hemel afgetekende berg, of een pas ontloken blad in de lente, of een diepe vallei vol liefelijkheid en pracht, of een schitterende zonsondergang, of een mooi gezicht, intelligent, levend, niet zelf-bewust en daardoor niet langer mooi. Ik kijk naar deze dingen met intens behagen en als ik ze zó waar­neem, dan is er geen waarnemer, maar louter schoonheid als liefde. Eén ogenblik ben ik er niet met al mijn problemen, angsten en ellende — er is alleen dat wonderbare iets. Ik kan ernaar kijken met vreugde en het volgende moment vergeten, öf wel het denken doet zijn intrede en dan begint het pro­bleem; mijn geest denkt na over wat hij heeft gezien en hoe mooi het was; ik zeg bij mezelf dat ik het graag nog vele ma­len zou zien. Het denken begint te vergelijken, te oordelen en zegt: ‘Dat moet ik morgen weer meemaken’. De voortzetting van een ervaring die een seconde behagen heeft geschonken wordt in stand gehouden door het denken.

Zo is het ook met sexuele begeerten en elke andere vorm van begeren. Begeerte is geenszins verkeerd. Reageren is vol­komen natuurlijk. Wanneer u mij met een speld prikt, rea­geer ik, tenzij ik verlamd ben. Maar dan treedt het denken op, herkauwt nog eens het behagen en verandert het in genieten. Het denken wil de ervaring herhalen en hoe meer u herhaalt, hoe mechanischer het wordt; hoe meer je erover denkt, hoe krachtiger het denken het genoegen maakt. Het denken schept en onderhoudt dus het genoegen door verlangen, en geeft het continuïteit; daarom wordt de natuurlijke reactie van verlan­gen naar iets moois bedorven door het denken. Het denken verandert het in een herinnering en de herinnering wordt dan gevoed door er telkens weer aan te denken.

Natuurlijk heeft de herinnering haar plaats op een bepaald plan. In het leven van alledag zouden wij er niet buiten kun­nen. Op haar eigen gebied moet zij doelmatig zijn, maar er is een geestestoestand waarin heel weinig plaats voor haar is. Een geest die niet mank gaat aan herinnering is werkelijk vrij.

Heeft u nooit opgemerkt dat het volledig op iets reageren, met uw hele hart, heel weinig herinnering achterlaat? Alleen wanneer u niet met uw hele wezen ingaat op een uitdaging, is er een conflict, een worsteling, en dit brengt verwarring en genoegen of pijn. En de worsteling kweekt herinnering. Aan die herinnering worden telkens weer andere herinneringen toegevoegd en het zijn deze herinneringen die reageren. Alles wat het resultaat is van herinnering is oud en daarom nooit vrij. Er bestaat niet zoiets als vrijheid van denken. Dat is louter onzin.

Het denken is nooit nieuw, want het is het antwoord op herinnering, ervaring, kennis. Het denken, omdat het oud is, maakt datgene waarnaar u met welbehagen hebt gekeken en op dat moment geweldig aanvoelde, ook oud. Uit het oude put je genoegen, nooit uit het nieuwe. Er is geen tijd in het nieuwe.

Als u dus naar alles kunt kijken zonder dat u het genoegen toestaat binnen te glippen — naar een gezicht, de kleur van een sari, de schoonheid van een strook water glinsterend in het zonlicht, of wat u ook behaagt — als u daarnaar kunt kij­ken zonder te hopen dat die ervaring zal herhaald worden, dan zal er geen pijn zijn, geen angst en daarom een geweldige vreugde.

Het is de worsteling om de herhaling en de bestendiging van genoegen, die het in pijn omzetten. Sla het in jezelf gade. De eis tot herhaling van genoegens als zodanig brengt pijn voort, omdat ze niet dezelfde zijn als die van gisteren. U wor­stelt om dezelfde verrukking te verwerven, niet alleen voor uw schoonheidszin, maar ook voor dezelfde innerlijke waarde van de geest en het doet u pijn en stelt u teleur dat het u ont­houden wordt.

Heeft u opgemerkt wat er met u gebeurt wanneer u een klein genoegen ontzegd wordt? Als u niet krijgt waar u uw zinnen op hebt gezet, wordt u onrustig, jaloers, haatdragend. Heeft u bemerkt als u het genot van drank of van roken of van sex, of van wat dan ook, wordt onthouden — hoeveel strijd er dan door u wordt gevoerd? En dat alles is een vorm van angst, nietwaar? U bent bang dat u niet zult krijgen wat u wilt en zult verliezen wat u heeft. Wanneer een speciaal ge­loof of een ideologie, welke u sinds jaren hebt aangehangen, wankelt, of van u wordt weggerukt door de logica of het le­ven, is u dan niet bang alleen te komen staan? Dat geloof heeft u jarenlang bevredigd en genoegen gegeven en wanneer het van u wordt weggenomen, blijft u hulpeloos, leeg, achter en de angst blijft, totdat u een andere vorm van genoegen, een ander geloof hebt gevonden.

Het lijkt mij zo eenvoudig en omdat het zo eenvoudig is, weigeren wij de eenvoud ervan te zien. We maken alles maar al te graag ingewikkeld. Als uw vrouw zich van u afkeert, is u dan niet jaloers? Bent u niet kwaad? Haat u de man niet, die haar aantrok? En wat is dit alles anders dan de angst om iets te verliezen dat u zeer veel genoegen heeft verschaft, een kameraadschap, een bepaalde graad van zekerheid en de vol­doening over het bezit?

Indien u dus begrijpt dat er pijn moet zijn waar genoegen wordt gezocht en u op die manier wilt leven, doe het dan, maar laat u er niet zonder meer door meeslepen. Indien u echter een einde wilt maken aan genoegen, wat zeggen wil een einde maken aan pijn, moet u volledig aandacht schenken aan de gehele structuur van het genoegen — het niet uitsnij­den zoals monniken en sannyasis doen, die nooit naar een vrouw kijken omdat ze menen dat zoiets zonde is, en daar­mee de vitaliteit van hun begrijpen vernietigen — maar de gehele bedoeling en het belang ervan inzien. Dan zult u een geweldige levensvreugde ervaren. U kunt niet denken over vreugde. Vreugde is een onmiddellijk iets, en erover denken verandert het in genoegen. Leven in het heden is de ogenblikkelijke gewaarwording van schoonheid en de grote vreugde daaraan, zonder er genoegen aan te willen ontlenen.



                                                                                            5.


Belangstelling voor ZichzelfHaken naar een positieAngsten en Totale AngstVerbrokkeling van het Denken Het Beëindigen van Angst


Voor we verder gaan, zou ik u willen vragen wat uw funda­mentele en blijvende belangstelling beeft in het leven. Wat zou u, wanneer u alle ontwijkende antwoorden van de hand wijst en direct en eerlijk deze vraag behandelt, hierop ant­woorden? Weet u het?

Is het niet uzelf? In ieder geval is dat het, wat de meesten van ons zouden zeggen als we er naar waarheid op antwoord­den. Ik ben geïnteresseerd in mijn vooruitgang, mijn werk­kring, mijn familie, het kleine hoekje waarin ik leef, in het verkrijgen van een betere positie voor mijzelf, meer prestige, meer macht, meer overwicht op anderen, enzovoorts. Ik ge­loof dat het logisch is, nietwaar, te erkennen dat dat het is, waar de meesten van ons voornamelijk in geïnteresseerd zijn, het eigen ‘ik’ eerst?

Enkelen van ons zouden misschien zeggen dat het verkeerd is allereerst in onszelf geïnteresseerd te zijn. Maar wat voor verkeerds zit erin dan dat we het zelden behoorlijk en eerlijk toegeven? Als we dat doen, schamen we er ons nogal over. Zo is het dus — wij zijn in de grond geïnteresseerd in onszelf, en om allerlei ideologische en traditionele redenen denken wij dat het verkeerd is. Maar wat wij denken doet er niets toe. Waarom naar voren brengen, dat het verkeerd is? Dat is een denkbeeld, een begrip. Een feit is dat men in de grond en voortdurend in zichtzelf geïnteresseerd is.

U zou kunnen zeggen dat het meer voldoening schenkt eenander te helpen dan aan jezelf te denken. Maar wat is het ver­schil? Het blijft belangstelling voor jezelf. Indien het u meer voldoening schenkt anderen te helpen, houdt u zich bezig met wat u meer voldoening zal schenken. Waarom een ideolo­gisch begrip erbij halen? Waarom dit dubbel denken? Waar­om niet zeggen ‘Wat ik werkelijk verlang is bevrediging, het­zij in sex, hetzij in het helpen van anderen, of in het worden van een groot heilige, wetenschapsman of politicus?’ Het is hetzelfde proces, nietwaar? Bevrediging op allerlei manieren, subtiel en opvallend, dat is wat we verlangen. Als we zeggen dat we vrijheid willen, is het omdat we denken dat dit ons op wonderbaarlijke wijze voldoening zal schenken en de uitein­delijke voldoening is natuurlijk dit bijzondere idee van zelf­verwezenlijking. Wat we werkelijk zoeken is een voldoening, waarin geen enkele onvoldaanheid is.

De meesten van ons haken naar de voldoening een positie in de maatschappij te bekleden, omdat we bang zijn een nul te wezen. De maatschappij is nu eenmaal zo dat een burger, die een achtenswaardige positie bekleedt, met grote beleefd­heid wordt behandeld, terwijl iemand die geen positie heeft een verschoppeling is. Iedereen in de wereld wil graag een positie hebben, hetzij in de maatschappij, in de familie, of aan God’s rechterhand en deze positie moet door anderen als zodanig erkend worden, anders is het helemaal geen positie. We willen altijd op de beste plaats zitten. Innerlijk zijn we draaikolken van ellende en ondeugd en daarom schenkt het veel voldoening als men uiterlijk een grote figuur geacht wordt. Dit haken naar positie, naar prestige, naar macht, om door de maatschappij erkend te worden als iemand die op enigerlei wij ze op de voorgrond treedt, is het verlangen om om anderen te overheersen en deze wens is een vorm van agressie. De heilige die een positie zoekt, passend bij zijn hei­ligheid, is even agressief als de kippen die op het boerenerf aan het pikken zijn. En wat is de oorzaak van deze agressivi­teit? Het is angst, nietwaar?

Angst is een van de grootste levensproblemen. Een geest die gevangen is in angst leeft in verwarring, in conflict en moet daarom gewelddadig zijn, verwrongen en agressief. Hij durft zijn eigen denk-patronen niet los te laten en dat kweekt hui­chelarij. Al beklimmen we de hoogste bergen en vinden aller­lei soorten góden uit, totdat we vrij zijn van angst zullen we steeds in het duister blijven.

Levend in een corrupte, stompzinnige maatschappij als de onze, opgevoed in wedijver die de angst in het leven roept, worden we allen belast met diverse soorten van angst en angst is iets afschuwelijks, dat verdraait, bedriegt en onze dagen somber maakt.

Er bestaat een lichamelijke angst, maar dat is een reactie die wij geërfd hebben van de dieren. Het zijn de psychologische angsten waar we ons nu mee bezighouden, want als we de diep-gewortelde psychologische angsten begrijpen, zullen we in staat zijn het hoofd te bieden aan de dierlijke angsten, ter­wijl als wij ons eerst bezighouden met de dierlijke angsten, dit ons nooit zal helpen de psychologische te begrijpen.

We zijn allen bang voor iets; er bestaat geen angst in ab- stracto. Ze bestaat altijd met betrekking tot iets. Kent u uw eigen angsten — angst om uw betrekking te verliezen, angst voor te weinig voedsel of geld, of voor wat uw buren of de buitenwereld over u denken, angst om geen succes te zijn, om uw positie in de maatschappij te verliezen, om veracht of be­spottelijk gemaakt te worden — angst voor pijn en ziekte, voor overheersing, om nooit te zullen weten wat liefde is of nooit liefgehad te worden, om je vrouw of kinderen te ver­liezen, voor de dood, om te moeten leven in een wereld die gelijk de dood is, voor uiterste verveling, om niet te kunnen beantwoorden aan het beeld, dat je van jezelf gemaakt hebt, om je geloof te verliezen — al deze en onnoemelijk veel ande­re angsten — kent u uw eigen speciale angsten? En wat doet u er meestal mee? U vlucht ervoor, nietwaar, of u vindt ideeën en beelden uit om ze te bedekken. Maar vluchten voor angst betekent alleen haar vergroten.

Een van de hoofdoorzaken van angst is dat we onszelf niet willen zien zoals we zijn. Dus moeten we, evenals de angsten zelf, ook het netwerk van ontsnappingen onderzoeken, dat we ontwikkeld hebben om aan de angst te ontkomen. Indien de geest, de hersens inbegrepen, de angst probeert te overwin­nen, te onderdrukken, in bedwang te houden, te beheersen, om te zetten in termen van iets anders, ontstaat er wrijving, conflict en dat conflict is verspilling \>an energie.

Het eerste wat wij onszelf dan moeten afvragen is: wat is angst en hoe ontstaat ze? Wat bedoelen we met het woord angst zelf? Ik vraag mijzelf af, wat angst is, niet waar ik angst voor heb.

Ik leid een bepaald soort leven; ik denk volgens een be­paald patroon; ik geloof in bepaalde dingen en dogma’s en ik wil niet dat deze bestaanspatronen verstoord worden, want ik heb er mijn wortels in. Ik wil ze niet verstoord hebben, omdat deze storing een staat van niet-weten teweegbrengt en daar heb ik een afkeer van. Als ik weggerukt word van al datgene wat ik weet en geloof, wil ik er redelijk zeker van zijn naar welke staat van dingen ik toe ga. De hersencellen hebben dus een patroon geschapen en deze cellen weigeren een ander patroon te vormen waar ze niet zeker van zijn. De gang van zekerheid naar onzekerheid noem ik angst.

Op dit speciale moment, zoals ik hier zit, ben ik niet bang; ik ben op dit moment niet bang, er gebeurt niets met me, nie­mand bedreigt me of wil me iets afnemen. Maar achter dit huidige moment is een diepere laag in de geest die er bewust of onbewust over denkt, wat er zou kunnen gebeuren in de toekomst, of zich bezorgd er over maakt dat iets uit het ver­leden mij zal achterhalen. Ik ben dus bang voor het verleden en voor de toekomst. Ik heb de tijd verdeeld in verleden en toekomst. Het denken bemoeit zich ermee en zegt: ‘Wees voorzichtig dat het niet nog eens gebeurt’, of: ‘Wees voorbe­reid op de toekomst. De toekomst kan gevaarlijk voor je zijn. Je hebt nu iets, maar je zou het kunnen verliezen. Misschien sterf je morgen, je vrouw gaat er vandoor, je kunt je betrek­king verliezen. Misschien word je nooit beroemd. Misschien zul je eenzaam zijn. Je moet heel zeker zijn van morgen.’

Neem nu eens uw eigen speciale vorm van angst. Kijk er­naar. Sla je reacties erop gade. Kun je ernaar kijken zonder enige poging tot ontvluchten, tot rechtvaardigen, tot veroor­delen of tot onderdrukken? Kun je naar die angst kijken zon­der het woord dat de angst veroorzaakt? Kun je bijvoorbeeld naar de dood kijken zonder het wóórd dat de angst voor de dood opwekt? Het woord zelf brengt een trilling, nietwaar, zoals het woord liefde een eigen trilling, een eigen beeld op­roept. Is het nu dat beeld dat er in uw geest bestaat van de dood, de herinnering aan zovele sterfgevallen die u heeft mee­gemaakt en de associatie van jezelf met deze voorvallen — is het dat beeld dat die angst veroorzaakt? Of is u echt bang om aan uw einde te komen, niet voor het beeld dat dit einde schept? Bezorgt het woord dood u angst, of het werkelijke einde? Indien het dat woord of de herinnering is, die de angst bij u veroorzaakt, dan is het helemaal geen angst.

Laten we veronderstellen dat u twee jaar geleden ziek was en dat de herinnering aan die pijn, die ziekte, blijft, en dat de nu werkzame herinnering zegt: ‘Wees voorzichtig, wordt niet opnieuw ziek’. Het zijn dus de herinnering en haar associaties die de angst opwekken, maar dat is helemaal geen angst, om­dat u op dit moment werkelijk zeer gezond is. Het denken, dat altijd oud is, omdat het denken het antwoord is op de herinne­ring en herinneringen altijd oud zijn — het denken schept in de tijd het gevoel dat je bang bent, wat in feite niet zo is. Het feit is dat je gezond bent. Maar de ervaring, die in je geest is achtergebleven als herinnering, wekt de gedachte ‘Wees voor­zichtig, word niet opnieuw ziek’.

We zien dus dat het denken een soort angst voortbrengt. Bestaat er echter, los daarvan, angst? Is angst altijd het resul­taat van het denken en als dat zo is, bestaat er dan nog een andere vorm van angst? We zijn bang voor de dood — dat is iets dat morgen of overmorgen, na verloop van tijd, gaat ge­beuren. Er is een afstand tussen het heden en wat er gaat ge­beuren. Het denken nu heeft deze toestand ervaren; doordat het de dood heeft gadegeslagen zegt het: ‘Ik zal sterven’. Het denken wekt de angst voor de dood en als het dit niet doet, bestaat er dan eigenlijk wel angst?

Is angst het gevolg van denken? Zo ja, dan is de angst, evenals het denken, ook altijd oud. We zeiden het reeds: er bestaat geen nieuw denken. Als we het herkennen is het al oud. Waar we dus bang voor zijn, is de herhaling van het oude — voor wat het denken over wat geweest is in de toe­komst projecteert. Daarom is het denken verantwoordelijk voor angst. Je kunt zelf zien dat dit zo is. Wanneer je ergens onmiddellijk mee geconfronteerd wordt, is er geen angst. Al­leen wanneer het denken zich ermee gaat bemoeien, is er angst.

Onze vraag is daarom nu of het de geest mogelijk is om ge­heel, volledig, in het heden te leven. Alleen zulk een geest kent geen vrees. Om dit te verstaan, dient u echter de samen­stelling van het denken, de herinnering en de tijd te begrijpen. Als u dit begrijpt, niet verstandelijk, niet letterlijk, maar in werkelijkheid met je hart, je geest, met al wat in je is, dan zult u vrij zijn van angst; dan kan de geest het denkvermogen ge­bruiken zonder angst te verwekken.

Het denken is, evenals het geheugen, natuurlijk onmisbaar in het dagelijks leven. Het is het enige instrument dat wij be­zitten voor communicatie, bij onze beroepsbezigheden, enzo­voorts. Het denken is het antwoord op de herinnering; de herinnering, verzameld door ervaring, kennis, traditie, tijd. Vanuit de achtergrond der herinnering reageren wij en dit reageren is denken. Het denken is dus essentieel op bepaalde niveaus, maar als het zich op het psychologisch vlak projec­teert als toekomst en verleden, angst zowel als genoegen op­wekt, dan wordt de geest dof gemaakt en is stilstand onver­mijdelijk.

Dus vraag ik mijzelf met klem af: ‘Waarom, waarom, waar­om toch denk ik aan de toekomst en het verleden in termen van genoegen en pijn, wetend dat zulke gedachten angst ver­wekken. Is het, psychologisch gesproken, niet mogelijk het denken te beëindigen, omdat anders de angst nooit zal op­houden?’

Een van de functies van het denken is voortdurend met iets bezig zijn. De meesten van ons willen onze geest ook aan één stuk door bezig zien, opdat dit zal verhinderen, dat we ons­zelf zien, zoals we inderdaad zijn. We zijn bang voor de leegte. We zijn bang onze angsten onder de ogen te zien.

Je kunt je angsten bewust gewaarzijn, maar ben je ze ge­waar in de diepere lagen van je geest? En hoe wil je de ver­borgen, geheime angsten ontdekken? Moet de angst verdeeld worden in bewuste en onbewuste angst? Dat is een zeer be­langrijke vraag. De specialist, de psycholoog, de psychiater hebben de angst verdeeld in diepliggende en aan de opper­vlakte liggende lagen, maar als u volgt wat de psycholoog zegt of wat ik zeg, begrijpt u wel onze theorieën, onze dogma’s, on­ze kennis, maar niet jezelf. U kunt u zelf niet begrijpen op grond van een uitleg, die Freud of Jung of ik u geven. Ander­mans theorieën zijn hoegenaamd niet van belang. Aan jezelf moet je de vraag stellen of angst verdeeld moet worden in een bewuste en onderbewuste. Of bestaat er slechts angst die je in verschillende vormen vertaalt? Er is slechts één verlangen; er is alleen verlangen. Je verlangt. De voorwerpen van het ver­langen veranderen, maar het verlangen is altijd gelijk. Mis­schien bestaat er dus — op dezelfde wijze — alleen angst. Je bent bang voor allerlei dingen, maar er is slechts één angst.

«

Als u zich realiseert dat angst niet verdeeld kan worden, zult u inzien dat u dit probleem van het onderbewuste geheel weggewerkt hebt en zo de psychologen en psychiaters hebt beetgenomen. Als u begrijpt dat angst een afzonderlijke bewe­ging is die op verschillende wijzen tot uitdrukking komt en wanneer u de beweging ziet en niet het voorwerp waar de be­weging op gericht is, dan ziet u een immense vraag onder de ogen; hoe kunt u ernaar kijken zonder de verbrokkeldheid die de geest heeft aangekweekt?

Er is alleen maar totale angst, maar hoe kan de geest, die in fragmenten denkt, dit totale beeld waarnemen? Kan hij dat? We hebben een leven van verbrokkeling geleefd en kunnen slechts naar die totale angst kijken door middel van het frag­mentarische denk-proces. De gehele gang van de denk-machi- ne is erop gericht alles in kleine stukjes te verdelen: ik houd van je en ik haat je; je bent mijn vijand, je bent mijn vriend; mijn bijzondere eigenaardigheden en neigingen, mijn betrek­king, mijn positie, mijn prestige, mijn vrouw, mijn kind, mijn land en jouw land, mijn God en jouw God — dat alles is de verbrokkeldheid van het denken. En dit denken kijkt naar de totale toestand van angst, of tracht dit althans en herleidt haar tot fragmenten. Daarom zien we dat de geest alleen naar die totale angst kan kijken, wanneer er geen beweging is in het denken.

Kunt u de angst gadeslaan zonder enige gevolgtrekking, zon­der enige inmenging van de kennis die u erover vergaard heeft? Zo niet, dan is datgene wat u gadeslaat het verleden, niet de angst; zo ja, dan slaat u de angst voor het eerst gade zonder inmenging van het verleden.

U kunt slechts gadeslaan als de geest zeer rustig is, precies zo­als u alleen kunt luisteren naar datgene wat iemand zegt, als uw geest niet met zichzelf aan het kwetteren is, niet met zich zelf een dialoog houdt over eigen problemen en verlangens. Kunt u op deze zelfde manier naar uw angst kijken zonder te trachten die op te lossen, zonder het tegengestelde, moed, in het geding te brengen — dus werkelijk ernaar kijken zonder te trachten eraan te ontvluchten? Als u zegt: ‘Ik moet hem in bedwang hebben, ik moet hem kwijt zien te raken, ik moet hem begrijpen’, dan tracht u eraan te ontsnappen.

Je kunt een wolk of een boom of de beweging van een rivier met een vrij rustig gemoed gadeslaan, omdat ze niet zo bijzonder belangrijk voor je zijn, maar jezelf bekijken is veel moeilijker, omdat daarbij de eisen zo praktisch zijn, de reac­ties zo snel. Als je dus direct in contact bent met angst of wanhoop, eenzaamheid of jaloezie of een andere lelijke gees­testoestand, kunt u die dan zo volledig bekijken dat uw geest rustig genoeg is hem te zien?

Kan de geest de angst waarnemen en niet de verschillende vormen ervan — dus de totale angst — niet dat waar u bang voor bent? Als je alleen maar naar de onderdelen van de angst kijkt of tracht uw angsten een voor een aan te pakken, dan zult u nooit tot de kern van de zaak’komen, d.i. met de angst leren leven.

Samenleven met een levend iets zoals angst vereist een buiten­gewoon subtiel verstand en hart, die geen conclusies trekken en dus elke beweging van de angst kunnen volgen. Dan, als je hem gadeslaat en ermee leeft — en dat behoeft geen hele dag te nemen, het behoeft niet meer dan een minuut of een secon­de te duren om de ganse aard van de angst te leren kennen — als je er dus zo volledig mee leeft, zul je onvermijdelijk vra­gen: ‘Wie is het wezen dat met de angst leeft. Wie is het die de angst gadeslaat, let op alle bewegingen van de verschillen­de vormen van angst en bovendien het centrale feit van angst gewaar is? Is die toeschouwer een dode entiteit, een statisch wezen, dat een massa kennis en gegevens heeft vergaard over zichzelf en is het dat dode iets dat de beweging van de angst gadeslaat en ermee leeft? Is de toeschouwer het verleden of is hij een levend iets?’ Wat is uw antwoord? Antwoord niet mij, maar uzelf. Is u, de toeschouwer, een dode entiteit die een levend ding gadeslaat, of bent u een levend iets dat een levend iets gadeslaat? Want in de toeschouwer bestaan beide toestanden.

De toeschouwer is de censor die geen angst wil; de toe­schouwer is het geheel van al zijn ervaringen met angst. De toeschouwer staat dus los van datgene, wat hij angst noemt; er is ruimte tussen hen; hij is altijd weer aan het proberen hem te overwinnen of te ontvluchten, vandaar deze eeuwigduren­de strijd tussen hem en de angst — de strijd, die zo’n verspil­ling van energie is.

Als je erop let, kom je er achter, dat de toeschouwer niet meer dan een bundel denkbeelden en herinneringen zonder enige waarde of inhoud is, maar dat angst een werkelijkheid is en dat je probeert een feit te begrijpen met een abstractie, wat natuurlijk niet mogelijk is. Maar verschilt de toeschou­wer, die zegt: ‘Ik ben bang’, in feite zoveel van datgene wat gadegeslagen wordt nl. de angst? De toeschouwer is die angst en wanneer men zich dat realiseert, is er verder geen verspil­ling van energie meer in de poging om de angst kwijt te raken; de tijd-ruimte-afstand tussen de waarnemer en het waargenomene verdwijnt. Als je ziet, dat je een deel van de angst bent en er niet los van staat — dat jezelf de angst bent — dan kun je er niets aan doen; dan neemt de angst volledig een einde.

                                                                                               6.

Geweld — Boosheid — Rechtvaardigheid en Veroordeling — Het Ideaal en de Werkelijkheid



Angst, genoegen, smart, denken en geweld zijn allen aan elkaar verwant. De meesten onzer scheppen behagen in ge­weld, in het feit dat we iemand niet mogen, een bepaald ras of bepaalde groep mensen haten en vijandige gevoelens voor elkaar koesteren. Maar in een geestestoestand waarin alle ge­weld tot een einde gekomen is, leeft de vreugde, die zeer ver­schilt van behagen scheppen in geweld met zijn conflicten, haatgevoelens en angsten.

Kunnen we tot de wortel van het geweld doordringen en er vrij van zijn? Zo niet, dan zullen we eeuwigdurend in strijd met elkaar leven. Als u graag op deze manier leeft — en klaar­blijkelijk doen de meeste mensen dat — ga er dan mee door; indien u zegt ‘Het is jammer, maar het geweld zal wel nooit eindigen’, dan zijn er voor u en mij geen mogelijkheden tot communicatie,.u heeft zichzelf geblokkeerd; maar indien u zegt dat er nog een andere levenswijze zou kunnen bestaan, dan zullen we met elkaar in communicatie kunnen komen.

Laten we dus samen overdenken, wij die wel in gemeen­schap met elkaar kunnen staan, of het mogelijk is aan elke vorm van geweld in onszelf volkomen een einde te maken en toch in deze monsterlijk-wrede wereld te leven. Ik meen dat het mogelijk is. Ik wil geen aasje haat, jalouzie, onrust of angst in me hebben. Ik wil volkomen in vrede leven, hetgeen niet betekent dat ik wens te sterven. Ik wil op deze prachtige aarde, die zo vol, zo rijk, zo schoon is, leven. Ik wil kijkennaar de bomen, bloemen, rivieren, weiden, vrouwen, jongens en meisjes en tegelijk volkomen in vrede met mezelf en met de wereld leven. Wat kan ik doen?

Als we weten hoe we geweld moeten bekijken, niet alleen buiten in de samenleving — de oorlogen, de opstanden, de nationale vijandschappen en klasse-conflicten — maar ook in onszelf, dan zullen we er misschien bovenuit kunnen komen.

Dit is een zeer ingewikkeld probleem. Eeuwenlang is de mens gewelddadig geweest; godsdiensten hebben over de ge­hele wereld getracht hem te temmen, maar geen is daarin ge­slaagd. Als we dus dieper op deze vraag willen ingaan, moeten we, dunkt mij, ten minste zeer ernstig zijn, want het zal ons brengen op geheel verschillend gebied; als we echter alleen met het probleem willen spelen als verstandelijk amusement, zullen we niet ver komen.

Misschien vind je zelf dat je het probleem wél zeer serieus opvat, maar dat het, zolang zoveel andere mensen op deze wereld het niet ernstig menen en niet bereid zijn er iets aan te doen, geen zin heeft dat je er iets aan doet? Het is mij om het even of zij het al dan niet ernstig menen. Ik meen het ern­stig, dat is voldoende. Ik ben niet mijn broeders hoeder. Ik­zelf als menselijk wezen ben sterk gegrepen door deze kwes­tie en ik zal erop toezien dat er in mezelf geen geweld zal zijn — maar ik kan niet tegen u of iemand anders zeggen: ‘Ge­bruik geen geweld’. Dat heeft geen zin — tenzij u het zelf wenst. Als u dus zelf dit probleem van het geweld werkelijk wilt begrijpen, laten wij dan gezamenlijk onze onderzoekings­tocht voortzetten.

Bestaat het probleem van het geweld daarbuiten of hier? Wil je het probleem oplossen in de buitenwereld of wil je de ge- welddadigheid-zelf, zoals die zich in je bevindt aan de tand voelen? Indien je vrij bent van geweld in jezelf komt de vraag naar boven: ‘Hoe moet ik leven in een wereld vol geweld, heb­zucht, begerigheid, jalouzie en wreedheid? Zal ik niet vernie­tigd worden?’ Dat is de onvermijdelijke vraag die zonder uit­zondering gesteld wordt. Als je zo’n vraag stelt, komt het mij voor dat je niet werkelijk in vrede leeft. Indien je in vrede leeft, heb je helemaal geen problemen. Misschien kom je in de gevangenis, omdat je weigert in het leger te dienen, of mis­schien word je doodgeschoten, omdat je weigert te vechten — maar dat is geen probleem; je wordt doodgeschoten. — ’t Is buitengewoon belangrijk dit te begrijpen.

We trachten het geweld te begrijpen, niet als denkbeeld, maar als feit; een feit dat in het menselijk wezen bestaat en dat menselijk wezen ben ikzelf. En om op het probleem in te gaan moet ik volkomen kwetsbaar, open, ervoor zijn. Ik moet mijzelf voor mijzelf blootleggen — niet noodzakelijkerwijs voor u want u is misschien niet geïnteresseerd — maar ik moet in een geestestoestand zijn die van me eist dat ik er tot het einde mee doorga en er niet ergens onderweg mee ophoud en zeg: ‘Nu ga ik niet verder’.

Nu moet het wel duidelijk voor me zijn dat ik een geweld­dadig menselijk wezen ben. Ik heb geweld ervaren in boos­heid, in mijn sexuele eisen, geweld in de haat die vijandschap kweekt, in jalouzie enzovoorts — ik heb het ervaren, ik heb het gekend en ik zeg tegen mijzelf: ‘Ik wil dit hele probleem begrijpen, niet slechts dat éne fragment dat in oorlog tot uit­drukking komt, maar die agressie in de mens die ook bestaat bij de dieren, en waarvan ik deel uitmaak’.

Geweld betekent niet alleen het doden van elkaar. Het is ook geweld, wanneer we een scherp woord gebruiken, als we het gebaar maken van iemand weg te willen vagen, als we ge­hoorzamen omdat er angst is; geweld is dus niet alleen georga­niseerde slachting in de naam van God, in de naam van de maatschappij of het land, geweld is veel subtieler, dieper en we gaan met ons onderzoek tot de uiterste grens van geweld.

Als je jezelf een Indiër noemt, of een Moslem, of een Chris­ten, of een Europeaan, of wat dan ook, ben je gewelddadig. Begrijpt u waarom het gewelddadig is? Omdat u zichzelf daardoor van de rest van het mensdom afzondert, wanneer u zichzelf afzondert, om uw geloof, om uw nationaliteit, om de traditie, kweekt dat geweld. Een mens dus die geweld tracht te begrijpen behoort niet tot een ander land, een ande­re godsdienst, tot enige politieke partij of partijdig systeem; hij houdt zich bezig met het totale begrijpen van het mens­dom.

Nu zijn er in hoofdzaak twee scholen van denke 1 met be­trekking tot geweld; de ene zegt ‘Geweld is de mens aangebo­ren’ en de andere zegt: ‘Geweld is het resultaat van de sociale en culturele nalatenschap waarin de mens leeft’. Het interes­seert ons niet tot welke school wij behoren — dat is niet be­langrijk. Wat belangrijk is, is het feit dat we gewelddadig zijn, niet de reden waarom.

Een van de meest voorkomende uitdrukkingen van geweld is boosheid. Wanneer mijn vrouw of zuster wordt aangeval­len, zeg ik dat ik terecht boos ben; als mijn bezittingen me worden afgenomen ben ik terecht boos; als mijn land wordt aangevallen, mijn ideeën, mijn principes, mijn levenswijze, dan heb ik het recht boos te zijn. Ik ben ook kwaad als mijn gewoonten worden aangevallen of mijn kleinzielige, kleine meningen. Als je me op mijn tenen trapt of mij beledigt word ik kwaad, of als je er met mijn vrouw vandoor gaat en ik ja­loers word, dan wordt die jalouzie gerechtvaardigd genoemd omdat zij mijn bezit is. Al deze boosheid is moreel gerecht­vaardigd. Maar doden voor mijn land wordt ook gerechtvaar­digd. Als we dus over boosheid spreken, die een deel is van geweld, zien we dan die woede in termen van gerechtvaardig­de en ongerechtvaardigde boosheid volgens onze eigen neigin­gen en de druk van onze omgeving, of zien we slechts boos­heid? Bestaat er eigenlijk wel gerechtvaardigde boosheid? Of alleen maar boosheid? Er bestaat geen goede of slechte in­vloed, alleen invloed, maar als je door iets beïnvloed wordt dat je niet bevalt, dan noem ik dat een slechte invloed.

Op het moment dat je je familie beschermt, je land, een gekleurd vod dat vlag wordt gei.oemd, een denkbeeld, een dogma, iets dat je wilt hebben of dat je al hebt, duidt die bescherming zelf op boosheid. Kunt u dus boosheid bekijken zonder enige uitleg of rechtvaardiging, zonder te zeggen: ‘Ik moet mijn zaken beschermen’, of ‘Ik was terecht kwaad’, of ‘Wat dom van me om kwaad te zijn’? Kunt u boosheid bekij­ken alsof het iets is dat op zichzelf staat? Kunt u er volkomen objectief naar kijken, - dus zonder het te verdedigen of af te keuren? Kunt u dat?

Kan ik je bekijken als ik je vijandig gezind ben of wanneer ik denk dat je een bewonderenswaardig mens bent? Ik kan je alleen zien als ik naar je kijk met een zekere aandacht, waarin geen van deze dingen een rol speelt. Kan ik nu op dezelfde wijze naar boosheid kijken, wat zeggen wil dat ik kwetsbaar ben voor het probleem, ik bied er geen weerstand aan, ik sla dit buitengewone verschijnsel gade zonder enige reactie erop?

Het is zeer moeilijk boosheid onpartijdig te bekijken, want ze is een deel van mij, toch is dat het wat ik probeer. Hier sta ik, een gewelddadig menselijk wezen, of ik nu zwart, bruin, wit of pimpelpaars ben. Het is van geen belang voor mij of ik deze gewelddadigheid heb geërfd, dan wel of de maatschap­pij haar in mij heeft wakker geroepen; alles wat mij aangaat is, of het mogelijk is er vrij van te zijn. Vrij te zijn van geweld­dadigheid betekent alles voor me. Het is belangrijker voor me dan sex, voedsel, positie, want dit geweld bederft me. Het vernietigt me en het vernietigt de wereld en ik wil het begrij­pen, ik wil er bovenuit komen. Ik voel me verantwoordelijk voor al deze woede en al het geweld in de wereld. Ik voel me verantwoordelijk — en dit zijn niet zomaar wat woorden — en ik zeg tegen mezelf: ‘Ik kan alleen iets doen, als ik zelf boven boosheid ben uitgestegen, boven geweld, boven natio­naliteit’. En het gevoel dat ik de gewelddadigheid in mezelf moet begrijpen brengt een geweldige vitaliteit en hartstocht om het op te sporen.

Maar om boven gewelddadigheid uit te komen, kan ik haar niet onderdrukken, niet loochenen, ik kan niet zeggen: ‘Goed, het is een deel van me en daarmee uit’, of ‘Ik wil het niet’. Ik moet het bekijken, ik moet het bestuderen, ik moet er zeer vertrouwd mee worden en ik kan er niet vertrouwd mee wor­den als ik het veroordeel of rechtvaardig. Toch veroordelen we het, toch rechtvaardigen we het. Daarom zeg ik, laten we het om te beginnen niet langer veroordelen of rechtvaardigen.

Welnu, indien u nu het geweld wilt beëindigen en oorlogen doen ophouden, hoeveel energie, hoeveel van uzelf geeft u daar dan aan? Vindt u het niet belangrijk dat uw kinderen gedood worden, dat uw zoons het leger ingaan waar ze ge­ringeloord worden en af geslacht? Kan dat u niet schelen? Mijn God, als dat u niet interesseert, wat dan wel? Uw geld bewaken? Het goed hebben? Verdovende middelen inne­men? Ziet u dan niet dat deze gewelddadigheid in uzelf uw kinderen vernietigt? Of ziet u het slechts als een abstractie?

Goed dan, als het u wel interesseert, luister dan met uw ganse hart en geest om er achter te komen. Blijf niet rustig zitten en zeg niet: ‘Welnu, vertel het ons maar’. Ik wijs u erop, dat u niet naar boosheid, noch naar gewelddadigheid kunt kijken met een afkeurende of goedkeurende blik en dat, als deze gewelddadigheid geen brandend probleem voor u is, u deze beide dingen niet kunt wegmoffelen. Dus eerst moet u leren; leren hoe u boosheid moet bekijken, hoe u uw man, uw vrouw, uw kinderen moet bekijken; hoe u moet leren luiste­ren naar de politicus, leren waarom u niet objectief bent, waar­om u af- of goedkeurt. U moet leren dat u veroordeelt en ver­dedigt, omdat het een deel is van de sociale structuur waarin u leeft en een bepaald-zijn als Duitser, Indiër, als Neger of Amerikaan of hoe u dan ook geboren mag zijn, met alle ver­suffing van de geest waar dit bepaald-zijn op uitloopt.

Om iets fundamenteels te leren, te ontdekken, moet u het vermogen bezitten diep te kunnen doordringen. Als u een bot instrument hebt, een stomp instrument, kunt u niet diep gra­ven. Waar we dus mee bezig zijn is het scherpen van dit in­strument, d.w.z. de geest — de geest die bot gemaakt is door al dat veroordelen en rechtvaardigen. U kunt alleen in de diep­te doordringen als uw geest zo scherp is als een naald en zo hard als diamant.

Het heeft geen zin om rustig te blijven wachten en te vra­gen: ‘Hoe moet mijn geest zo worden?’. U moet het net zo graag willen als u uw volgende maaltijd wilt hebben en om dat te bereiken moet u inzien dat datgene wat uw geest dof en dom maakt, het gevoel van onkwetsbaarheid is, dat muren om zichzelf heeft opgetrokken en dat behoort bij dit beoorde­len en rechtvaardigen. Wanneer de geest die muren kan neer­halen, kunt u zien, bestuderen, doordringen en misschien ko­men tot die staat, waarin u het gehele probleem gewaar bent.

Laten we dus terugkeren tot ons uitgangspunt — is het mo­gelijk de gewelddadigheid in onszelf uit te roeien? Het is een vorm van geweld te zeggen: ‘U bent niets veranderd, hoe komt dat?’ Dat doe ik niet. Het betekent niets voor mij u ergens van te overtuigen. Het is uw leven, niet het mijne. Uw levenswijze is uw zaak. Ik vraag of het mogelijk is voor een menselijk wezen, psychologisch in welke gemeenschap dan ook levend, zichzelf innerlijk te ontdoen van geweld? Als dat kan, zal juist dat proces een geheel andere wijze van leven in deze wereld teweegbrengen.

De meesten van ons hebben het geweld geaccepteerd als een manier van leven. Twee verschrikkelijke oorlogen hebben ons niets anders geleerd dan steeds meer versperringen op te richten tussen menselijke wezens — dus, tussen u en mij. Hoe moeten echter degenen onder ons die het geweld kwijt willen, te werk gaan? Ik denk niet dat er iets bereikt zal worden door middel van analyse, hetzij door onszelf, hetzij door een vak­man. Misschien zullen we in staat zijn onszelf een beetje te verbeteren, iets rustiger te leven en met wat meer genegen­heid, maar dat op zichzelf zal geen totaal gewaar-zijn schen­ken. Ik moet echter weten, hoe ik moet analyseren en dat be­tekent dat in het analytisch proces mijn geest buitengewoon scherp moet worden, en die eigenschap van scherpte, van aan­dacht, van ernst, zal totaal gewaar-zijn schenken. Men heeft de ogen niet om het geheel inééns te overzien; deze helderheid van oog is alleen mogelijk als men de details kan zien, spring dan.

Sommigen van ons hebben om onszelf van geweld te zuive­ren, een begrip, een ideaal gebruikt, geweldloosheid genaamd, en we menen dat wij door het tegenovergestelde van geweld, dus geweldloosheid, tot ons ideaal te maken, het feit, de wer­kelijkheid kunnen kwijtraken — maar dat kunnen we niet. We hebben idealen gehad zonder tal, alle heilige boeken staan er vol van, toch zijn we nog gewelddadig — dus waarom zou­den we niet het geweld-zelf bij de horens vatten en het woord geheel vergeten.

Indien je de werkelijkheid wilt begrijpen moet je je hele aandacht, je hele energie daaraan geven. Die aandacht en energie worden afgeleid, wanneer je een fictieve, ideale we­reld schept. Kun je dan het ideaal volkomen uitbannen? Hij, die werkelijk serieus is, met de drang om te ontdekken wat waarheid is, wat liefde is, heeft helemaal geen ontwerp. Hij leeft alleen in wat is.

Om het feit van uw eigen boosheid te onderzoeken, moet u er geen oordeel over vellen, want op het moment dat u zich een voorstelling van het tegengestelde maakt, veroordeelt u het en daarom kunt u het niet zien zoals het is. Als u zegt dat u iemand niet mag of haat, is dat, hoe vreselijk het ook klinkt, een feit. Als u het bekijkt, ga er dan geheel op in, want dan houdt het op, maar als u zegt: ‘Ik moet niet haten; ik moet liefde in mijn hart hebben’, dan leeft u in een schijnheilige wereld met dubbele maatstaven. Totaal, volledig, in het mo­ment leven, is leven met wat is, het werkelijke, zonder enige vorm van veroordeling of rechtvaardiging — dan begrijpt u het zo totaal, dat u ermee klaar bent. Zodra u het zuiver ziet, is het probleem opgelost.

Kunt u echter het aangezicht van het geweld duidelijk zien — het aangezicht van het geweld niet alleen buiten u, maar ook in uw binnenste, wat zeggen wil, dat u volkomen vrij bent van geweld, omdat u geen ideologie hebt toegelaten als middel om dat geweld kwijt te raken? Dit vraagt zeer diepe meditatie, niet slechts een mondelinge instemming of ont­kenning.

U heeft nu een reeks verklaringen gelezen, maar heeft u ze werkelijk begrepen? De bepaaldheid van uw geest, uw levens­wijze, de gehele structuur van de gemeenschap waarin u leeft, verhindert u het feit te zien en er onmiddellijk geheel vrij van te zijn. U zegt: ‘Ik zal erover denken; ik zal eens nagaan of het al dan niet mogelijk is vrij te zijn van geweld. Ik zal pro­beren vrij te zijn’. Dat is een van de vreselijkste verklaringen die u kunt afleggen, ‘Ik zal het proberen’. Er is geen proberen, geen uw-best-doen. U doet het, of u doet het niet. U laat de tijd binnen, terwijl het huis in brand staat. Het huis brandt ten gevolge van het geweld over de gehele wereld en in uzelf en u zegt, ‘Laat me er eens over denkeq. Met welke ideologie blussen we de brand het best?’ Als het huis in brand staat, redetwist u dan over de haarkleur van de man, die het water aandraagt?

                                                                                              7.

Verwantschap — Conflict — De Maatschappij — Armoede — Bedwelmende middelen — Afhankelijkheid — Vergelijking — Verlangen — Idealen — Huichelarij

Het beëindigen van geweld, hetgeen wij zojuist overwogen hebben, betekent niet noodzakelijkerwijs een geestestoestand, waarin de geest in vrede leeft met zichzelf en daardoor in vrede met al datgene waaraan hij verwant is.

Verwantschap tussen menselijke wezens is gebaseerd op het beeldenvormende verdedigings-mechanisme. In al onze relaties schept ieder van ons zich een beeld van de ander en die twee beelden zijn verwant aan elkaar, niet de menselijke wezens zelf. De vrouw heeft een beeld van haar man — mis­schien niet bewust, maar desalniettemin is het er — en de man heeft een beeld van zijn vrouw. Men heeft een beeld van zijn land en van zichzelf en we versterken deze beelden door er steeds meer aan toe te voegen. En het zijn deze beelden, die in relatie met elkaar staan. De werkelijke verwantschap tus­sen twee menselijke wezens of tussen veel menselijke wezens verdwijnt volledig als er beelden worden gevormd.

Verwantschap gebaseerd op deze beelden kan klaarblijke­lijk nooit vrede tot stand brengen in de verwantschap, omdat de beelden slechts schijn zijn en men niet kan leven in iets abstracts. En toch is dat het wat we allen doen; leven in ideeën, theorieën, symbolen, in beelden, die we ons gevormd hebben van onszelf en anderen, maar die in het geheel geen werkelijkheid hebben. Al onze relaties, hetzij deze met onze bezittingen zijn, met ideeën of met mensen, zijn in wezen ge-baseerd op deze beeld-vorming en daarom is er altijd conflict.

Hoe is het dan mogelijk volkomen vrede te hebben in ons­zelf en in al onze relaties met anderen? Tenslotte is het leven een beweging in verwantschap; anders is er in het geheel geen leven, en indien dat leven gebaseerd is op een abstractie, een idee, of een speculatieve veronderstelling, dan moet zo’n ab­stract leven onvermijdelijk een relatie voortbrengen die tot slagveld wordt. Is het de mens nu mogelijk een absoluut or­derlijk innerlijk leven te leiden zonder enige vorm van dwang, imitatie, onderdrukking of verheffing? Kan hij een dusdanige orde in zichzelf tot stand brengen, dat ze een levende hoeda­nigheid is, niet gevangen binnen het raam van ideeën — een innerlijke rust die door niets verstoord kan worden — niet in een of andere fantastische, mythische, abstracte wereld, maar in het dagelijks leven, thuis en op kantoor?

We moeten, geloof ik, zeer zorgvuldig op deze vraag in­gaan, omdat er niet één plekje in ons bewustzijn is, dat niet beroerd wordt door conflict. In al onze relaties, hetzij met de meest vertrouwde persoon, of met een buurman of met de maatschappij, bestaat dit conflict — in de vorm van tegenstel­ling, een toestand van verdeeldheid, afscheiding, een dualiteit. Onszelf en onze betrekkingen tot de maatschappij beschou­wend, zien we dat er in alle lagen van ons wezen conflict aan­wezig is — een kleiner of groter conflict, hetgeen zeer opper­vlakkige weerklanken oplevert, dan wel verwoestende gevol­gen.

V

De mens heeft het conflict als een aangeboren deel van het dagelijks bestaan geaccepteerd, omdat hij ook wedijver, jalou- zie, gulzigheid, hebzucht en agressie als een natuurlijke levens­wijze heeft aanvaard. Wanneer we zo’n levenswijze accepte­ren, accepteren we ook de structuur van de maatschappij zoals zij is en leven binnen het fatsoenspatroon. In dat patroon zijn de meesten van ons gevangen, omdat wij zo graag uitermate achtenswaardig willen zijn. Als we onze eigen geest en hart onderzoeken, de wijze waarop we denken, hoe we ons voelen en hoe we handelen in ons dagelijks leven, merken we op, dat het leven, zolang we ons schikken naar het patroon van de maatschappij, een slagveld moet zijn. Als we het niet accep­teren — en het is niet mogelijk dat een religieus mens zo’n maatschappij accepteert — dan zullen we volkomen vrij zijn van de psychologische structuur van de maatschappij.

De meesten van ons zijn rijk aan zaken die de maatschappij biedt. Wat de maatschappij in ons en wij in onszelf hebben gecreëerd is: gulzigheid, naijver, woede, haat, jalouzie, onrust

—  en aan dit alles zijn we zeer rijk. De verschillende gods­diensten hebben de hele wereld door armoede gepredikt. De monnik neemt een kleed aan, verandert zijn naam, scheert zijn hoofd kaal, begeeft zich in een cel en legt de gelofte van armoede en kuisheid af; in het Oosten heeft hij één lende­doek, één kleed, en één maaltijd per dag — en wij allen res­pecteren zo’n armoede. Maar deze lieden die het kleed der armoede hebben aangenomen zijn van binnen, psychologisch, rijk aan dingen van de maatschappij, omdat ze nog steeds zoe­ken naar positie en prestige; ze behoren tot deze of die orde, deze of die godsdienst; ze leven nog in de afgescheidenheid van een beschaving, een traditie. Dat is geen armoede. Armoe­de is volkomen vrij zijn van de maatschappij, ofschoon de een misschien een paar kleren of een maaltijd meer heeft dan de ander — goede God, wie kan dat iets schelen? Jammer ge­noeg bestaat er echter in de meeste mensen de drang naar uiterlijk vertoon.

Armoede wordt een wondermooi iets als de geest vrij is van de maatschappij. Men moet innerlijk arm worden, want dan is er geen zoeken, geen vragen, geen verlangen meer, neen

—  niets! Het is enkel deze innerlijke armoede die de waar­heid kan aanschouwen van een leven waarin helemaal geen conflict is. Zo’n leven is een zegen die in geen kerk of tem­pel te vinden is.

Hoe is het dan mogelijk onszelf van de psychologische structuur van de maatschappij te verlossen, d.w.z. onszelf te verlossen van de essentie van conflict? Het is niet moeilijk bepaalde takken van conflict bij te snoeien en af te kappen, maar we vragen onszelf af of het mogelijk is te leven in com­plete innerlijke en daarom ook uiterlijke rust? Wat echter niet betekent dat we gaan vegeteren of stagneren. Integen­deel, we zullen dan dynamisch, vitaal en vol energie worden.

Om elk probleem te begrijpen en er vrij van te zijn vraagt een grote hoeveelheid hartstochtelijke en volgehouden ener­gie, niet alleen lichamelijke en verstandelijke, maar een ener­gie die niet afhankelijk is van enig motief, van enige psycho­logische of physieke prikkel of van een verdovend middel. Als we afhankelijk zijn van een prikkel, maakt juist die prik­kel onze geest dof en ongevoelig. Als we een of ander soort stimulerend middel gebruiken krijgen we misschien genoeg energie om de dingen tijdelijk zeer duidelijk te zien, maar we vallen terug in onze vorige staat en worden daarom meer en meer afhankelijk van dat middel. Elke prikkeling dus, hetzij van de kerk, of van alcohol, of van een stimulerend middel, of van het geschreven of gesproken woord, zal onvermijdelijk afhankelijkheid met zich brengen en die afhankelijkheid ver­hindert ons om zelf helder te zien en dus vitale energie te bezitten.

Het is jammer, dat wij allen psychologisch van iets afhan­kelijk zijn. Waarom zijn we afhankelijk? Waarom deze zucht naar afhankelijkheid? We zijn samen op reis; u wacht niet tot ik u vertel wat de oorzaken zijn van uw afhankelijkheid. Indien we er gezamenlijk naar zoeken, zullen we het beiden ontdekken en daarom zal die ontdekking de uwe zijn, en om­dat het uw ontdekking is, zal die u vitaliteit schenken.

Ik ontdek voor mezelf dat ik ergens afhankelijk van ben — laten we zeggen van een gehoor dat mij stimuleert. Ik ontleen aan dat gehoor, aan het toespreken van een grote groep men­sen, een soort energie. Daarom ben ik afhankelijk van dat ge­hoor, van deze mensen, of ze het ermee eens zijn of niet. Hoe minder ze het ermee eens zijn, hoe meer energie ze me geven. Als ze het met alles eens zijn, wordt het een zeer oppervlak­kige, lege zaak. Ik ontdek dus dat ik een gehoor nodig heb, omdat het zeer stimulerend werkt mensen toe te spreken. En waarom? Waarom ben ik daar afhankelijk van? Omdat ikzelf oppervlakkig ben, er is niets in mijzelf; ik heb geen bron in mezelf die altijd vol en rijk, krachtig, vloeiend, levend is. Dus ben ik afhankelijk. Ik heb de oorzaak ontdekt.

Kan de ontdekking van die oorzaak mij echter bevrijden van afhankelijkheid? De ontdekking van de oorzaak is zuiver verstandelijk, dus het is duidelijk dat het de geest niet kan bevrijden van haar afhankelijkheid. De verstandelijke aan­vaarding van een denkbeeld, of de emotionele berusting in een ideologie alléén, kunnen de geest niet bevrijden van haar afhankelijkheid van iets dat haar stimuleert. Wat de geest kan vrijmaken van afhankelijkheid is het zien van de gehele structuur en aard van de prikkeling en de afhankelijkheid, en hoe die afhankelijkheid de geest dom, suf en werkeloos maakt. Alleen het zien van de totaliteit ervan bevrijdt de geest.

Ik moet dus nagaan wat het betekent totaal te zien. Zolang ik het leven bekijk vanuit een zeker gezichtspunt of vanuit een speciale ervaring die ik gekoesterd heb, of vanuit speciale kennis die ik vergaard heb en welke mijn achtergrond, mijn eigen ‘ik’ is, kan ik niet totaal zien. Ik heb verstandelijk, naar de letter, door analyse, ontdekt wat de oorzaak van mijn af­hankelijkheid is, maar alles wat door het denken onderzocht wordt, moet onvermijdelijk fragmentarisch zijn, zodat ik de totaliteit van iets slechts kan zien, als het denken niet tussen­beide komt.

Dan zie ik het feit van mijn afhankelijkheid; dan zie ik werkelijk wat is. Ik zie het zonder sympathie of antipathie; ik behoef die afhankelijkheid niet kwijt te raken, noch me vrij te maken van de oorzaak ervan. Ik sla haar gade en wan­neer er op deze wijze wordt gadegeslagen, zie ik het gehele beeld, niet een fragment ervan en als de geest het gehele beeld ziet, is er vrijheid. Nu heb ik ontdekt dat verdeeldheid verspilling van energie betekent. Ik heb de bron-zelf gevon­den van die verspilling van energie.

U denkt misschien dat er geen verspilling van energie kan zijn als u nabootst, als u gezag accepteert, als u afhankelijk bent van de priester, het ritueel, het dogma, de partij of van een of andere ideologie, maar het volgen en het aannemen van een ideologie, afgezien van het feit of die goed of slecht is, heilig of onheilig, is een verbrokkelde handeling en daarom een oorzaak van conflict en er zal altijd een conflict ontstaan, zolang er nog een scheiding is tussen ‘wat moet zijn’ en ‘wat is’, en elk conflict is verspilling van energie.

Als u zichzelf afvraagt: ‘Hoe kan ik loskomen van con­flict?’, schept u een ander probleem en vergroot het conflict, terwijl u, als u het gewoon als een feit wilt zien — zoals je een of ander concreet voorwerp ziet — helder, direct — we­zenlijk de waarheid zult begrijpen van een leven, waarin ge­heel en al geen conflict is.

Laten we het anders stellen. We vergelijken altijd dat wat we zijn met wat we moeten zijn. Dat ‘moeten-zijn’ is de pro­jectie van wat we o.i. behoren te zijn. Er bestaat een tegen­strijdigheid als er vergeleken wordt, niet alleen met iets of iemand, maar met wat je gisteren was en zodoende is er een conflict tussen wat geweest is en wat is. Wat is is er alleen als er geen vergelijking wordt gemaakt, en leven met wat is betekent vredig zijn. Dan kunt u uw gehele aandacht zonder enige afleiding geven aan wat in jezelf is — of het nu wan­hoop, lelijkheid, wreedheid, vrees, onrust of eenzaamheid is — en er volledig mee leven; dan is er geen tegenstrijdigheid en dus geen conflict.

Wij vergelijken onszelf echter altijd — met hen die rijker, briljanter, intellectueler, liefhebbender, beroemder, méér dit of méér dat zijn. Dat ‘meer’ speelt een buitengewoon belang­rijke rol in onze levens; dit onszelf steeds weer afmeten naar iets of iemand is een van de hoofdoorzaken van conflict.

Waarom moet er altijd vergeleken worden? Waarom verge­lijkt u zichzelf met anderen? Dat vergelijken is ons aangeleerd sinds onze kindsheid In elke school wordt A vergeleken met B en A vernietigt zichzelf om als B te zijn. Wanneer u helemaal niet vergelijkt, als er geen ideaal is, niets dat tegenovergesteld is, geen factor van dualiteit, als u niet langer worstelt om an­ders te zijn dan u bent, — wat is er dan gebeurd met uw geest? Deze schept niet langer het tegenovergestelde en is in hoge mate intelligent en gevoelig geworden, in staat tot im­mense hartstocht, want inspanning is een verspilling van hartstocht — de hartstocht die levensenergie is — en u kunt niets doen zonder die hartstocht.

Als u zichzelf niet vergelijkt met een ander zult u zijn die u bent. Door vergelijking hoopt u te evolueren, te groeien, intelligenter te worden, mooier. Maar gebeurt dat ook? Het feit is wat u bent en door vergelijken verbrokkelt u het feit, hetgeen verspilling van energie is. Te weten komen wat u in werkelijkheid bent, zonder enige vergelijking, geeft een ge­weldige energie tot zien. Wanneer u zichzelf kunt zien zonder vergelijking is u boven vergelijken uitgestegen, hetgeen weer niet betekent dat de geest stilstaat in tevredenheid. Dan zien we dus in wezen hoe de geest energie verspilt die zo nodig is om de totaliteit van het leven te begrijpen.

Ik wil niet weten met wie ik in conflict ben; ik wil de con­flicten aan de buitenkant van mijn wezen niet kennen. Wat ik weten wil is waarom er eigenlijk conflict moet bestaan? Wan­neer ik mijzelf deze vraag stel, zie ik een fundamenteel kern­punt dat niets van doen heeft met conflicten aan de buiten­kant en hun oplossingen. Ik heb te maken met dat centrale punt en ik zie — misschien ziet u het ook? — dat de aard-zelf van verlangen, indien niet behoorlijk begrepen, onvermijdelijk moet leiden tot conflict.

Verlangen is altijd in tegenspraak1. Ik verlang tegengestelde dingen — wat niet betekent dat ik het verlangen moet vernie­tigen, onderdrukken, beheersen of veredelen — ik zie gewoon dat verlangen-zelf tegenstrijdig is. Het zijn niet de voorwer­pen, maar het is de aard van het verlangen-zelf, die tegen­strijdig is. En ik moet de aard van het verlangen leren begrij­pen voor ik het conflict kan begrijpen. We verkeren zelf in een staat van tegenstrijdigheid en die wordt teweeggebracht door het verlangen — verlangen in de zin van het najagen van vermaak en het uit de weg gaan van pijn, waar we het reeds eerder over hadden.

We zien dus het verlangen als de wortel van alle tegenstrij­digheid — iets wel willen hebben en niet willen hebben — een tweeslachtige activiteit. Als we iets aangenaams doen, is er in het geheel geen moeite voor nodig, nietwaar? Maar ge­noegen brengt pijn en dan volgt de worsteling om de pijn te ontlopen en dat is een verspilling van energie. Waarom heb­ben we toch eigenlijk die tweeslachtigheid? Er bestaat na­tuurlijk dualiteit in de natuur — man en vrouw, licht en schaduw, nacht en dag — maar waarom zijn we innerlijk, psychologisch, tweeslachtig? Laten we dit alsjeblieft samen uitdenken, wacht niet tot ik het je zeg. Je moet je geest aan het werk zetten om dit uit te vinden. Mijn woorden zijn enkel een spiegel, waar je jezelf in gadeslaat. Waarom is er deze psychologische dualiteit in ons? Is het omdat we opgevoed zijn het ‘wat is’ altijd te vergelijken met ‘wat moet zijn’? We zijn bepaald geworden in wat juist en onjuist, goed en slecht, moreel en immoreel is. Is deze tweeslachtigheid ontstaan, om­dat we geloven dat denken over het tegenovergestelde ons zal helpen dat wat is kwijt te raken? Als we denken aan het tegenovergestelde van haat, het tegenovergestelde van ge­weld, het tegenovergestelde van naijver, van jalouzie, van ge­meenheid, menen we dan, dat het ons zal helpen deze zaken kwijt te raken? Gebruiken we het tegenovergestelde als een hefboom om wat is kwijt te raken? Of is het een vlucht voor het werkelijke?

Gebruikt u het tegenovergestelde als een middel om het werkelijke te ontlopen, omdat u niet weet hoe u daarmee aan moet? Of is het omdat duizenden jaren van propaganda u duidelijk gemaakt hebben dat u een ideaal moet hebben — het tegenovergestelde van ‘wat is’ — om het heden aan te kunnen? Als u een ideaal heeft, denkt u dat het u zal helpen om ‘wat is’ kwijt te raken, maar dat gebeurt nooit. U mag dan de rest van uw leven geweldloosheid prediken, maar u zaait voortdurend het zaad van het geweld.

U hebt een opvatting van hoe u zou moeten zijn en hoe u zou moeten handelen en in feite handelt u geheel anders; u ziet dus, dat beginselen, geloven en idealen onvermijdelijk moeten leiden tot huichelarij en een oneerlijk leven. Het is het ideaal dat het tegengestelde schept van ‘wat is’, dus als u weet hoe u moet leven met ‘wat is’, is het tegengestelde niet nodig.

Het trachten iemand anders te evenaren, of gelijk te wor­den aan uw ideaal, is een van de hoofdoorzaken van tegen­strijdigheid, verwarring en conflict. Een verwarde geest zal, wat hij ook doet, op welk niveau ook, verward blijven; elke handeling, geboren uit verwarring, leidt tot verdere verwar­ring. Ik zie dit zeer duidelijk; ik zie het zo duidelijk als ik een direct levensgevaar zie. Dus wat gebeurt er? Ik handel niet langer in termen van verwarring. Daarom is niet-handelen vol­ledig handelen.

                                                                                               8.

Vrijheid. — Opstand — Eenzaamheid — Onschuld — Leven met Onszelf zoals We Zijn


Geen enkele van de folteringen door onderdrukking, noch de wrede discipline ter aanpassing aan een bepaald patroon heeft geleid tot waarheid. Om de waarheid te ontdekken moet de geest geheel vrij zijn zonder één greintje verwrongenheid.

Laten wij ons echter eerst afvragen of we inderdaad vrij willen zijn. Als we spreken over vrijheid, spreken we dan over volledige vrijheid of over het vrij zijn van een lastig, onaange­naam of ongewenst iets? We zouden graag vrij zijn van pijn­lijke en lelijke herinneringen en ongelukkige ervaringen, maar onze prettige, voldoening schenkende ideologieën, formules en relaties behouden. Maar het ene behouden zonder het an­dere is onmogelijk, omdat zoals we gezien hebben, genoegen niet te scheiden valt van pijn.

Ieder van ons moet dus voor zichzelf beslissen of we al dan niet volledig vrij willen zijn. Als we dit willen, moeten we het karakter en de structuur van vrijheid begrijpen.

Is het vrijheid als je vrij bent van iets — vrij van pijn, vrij van een of andere vorm van bezorgdheid? Of is vrijheid zelf iets volkomen anders? Je kunt vrij zijn van jalouzie, laten we zeggen, maar is die vrijheid dan niet een reactie en daarom in het geheel geen vrijheid? Je kunt makkelijk loskomen van een dogma door het te analyseren, door het ‘weg te schoppen’, maar het motief om vrij te zijn van dogma heeft zijn eigen reac­tie, omdat het verlangen vrij te zijn van een dogma kan bete­kenen dat het niet langer in de mode is of niet langer past. Ofje kunt vrij zijn van nationalisme, omdat je in internationalis­me gelooft, of omdat je voelt dat het niet langer economisch noodzakelijk is om je vast te klampen aan dat onnozele natio­nalistische dogma met zijn vlag en al dergelijke rommel. Dat kun je gemakkelijk genoeg wegdoen. Of je gaat misschien in tegen een of ander geestelijk of politiek leider, die je vrijheid beloofd heeft als resultaat van discipline of opstand. Maar heeft dit rationalisme, zo’n logische conclusie, iets van doen met vrijheid?

Als je zegt dat je vrij bent van iets, is dat een reactie, die dan weer op haar beurt reactie wordt, die weer een onderwer­ping, een andere vorm van overheersing, in het leven roept. Zo kun je een kettingreactie ontketenen en elke reactie als vrijheid accepteren. Maar het is geen vrijheid; het is enkel een voortzetting van een enigszins aangepast verleden, waar de geest zich aan vastklampt.

De hedendaagse jeugd, als alle jeugd, is in opstand tegen de maatschappij en dat is op zichzelf goed, maar opstand is geen vrijheid, omdat dit opstaan een reactie is en die reactie weeft haar eigen patroon en in dat patroon word je gevangen. Je denkt dat het iets nieuws is. Het is het niet; het is het oude in een andere vorm. Elke sociale of politieke opstand zal on­vermijdelijk weer terugvallen in de goede oude burger-menta- liteit.

Vrijheid ontstaat alleen als je ziet en handelt, nooit door opstand. Het zien is het handelen en dit handelen is even ogenblikkelijk als wanneer je gevaar ziet. Dan is er geen her- senwerking, geen discussie, geen aarzeling; het gevaar-zelf dwingt tot handelen en daarom is zien handelen en vrij zijn.

Vrij zijn is een geestestoestand — niet vrij zijn van iets, maar het gevoel van vrij zijn, de vrijheid om alles in twijfel te trekken en daarom zó intens, actief en krachtig, dat het elke vorm van afhankelijkheid, slavernij, navolging en aanvaarding overboord gooit. Zo’n vrijheid gaat gepaard met volkomen alleen-zijn. Kan echter de geest die opgegroeid is in een be­schaving die zo afhankelijk is van de omgeving en eigen nei­gingen, ooit die vrijheid vinden, die volledige eenzaamheid is en waarin geen leiderschap, geen traditie en geen gezag op­treedt?

Deze eenzaamheid is een innerlijke geestestoestand, die niet afhankelijk is van enige stimulans of kennis en niet het resul­taat van een ervaring of conclusie. De meesten van ons zijn innerlijk nooit alleen. Er is verschil tussen afzondering, het zichzelf afsnijden, en alleen-zijn, eenzaamheid. We weten allen wat het zeggen wil geïsoleerd te zijn — een muur om onszelf optrekkend, opdat wij nooit gewond zullen worden, nooit kwetsbaar zullen zijn, of gereserveerdheid aankwekend, wat een ander soort van kwelling is, of levend in de dromerige ivoren toren van een ideologie. Alleen-zijn is iets heel anders.

Je bent nooit alleen, omdat je vervuld bent van al de her­inneringen, al de bepaaldheid, al het gemompel van gisteren. Je geest is nooit vrij van alle rommel, die hij verzameld heeft. Om alleen te zijn moet je dood zijn voor het verleden. Als je alleen bent, volkomen alleen, niet behoort tot een familie, een natie, een beschaving, een speciaal werelddeel, dan is er dat gevoel van buitenstaander te zijn. De mens die volkomen al­leen is op deze manier, is schuldeloos en het is deze schulde­loosheid die de geest bevrijdt van smart.

We dragen de last met ons mee van wat duizenden mensen hebben gezegd en de herinneringen van al onze fortuinlijkhe­den. Dit alles volledig loslaten, is alleen zijn en de geest die alleen is, is niet alleen schuldeloos maar jong — niet in tijd of leeftijd — maar jong, schuldeloos, levendig op welke leef­tijd óók — en alleen zó’n geest kan zien, wat waarheid is, wat niet in woorden valt uit te drukken.

In deze eenzaamheid zul je de noodzaak gaan begrijpen met jezelf te leven zoals je bent, niet zoals je vindt dat je zou moe­ten zijn of zoals je bent geweest. Probeer eens of je naar jezelf kunt kijken zonder huivering, zonder valse bescheidenheid, zonder vrees, of zonder rechtvaardiging of veroordeling — ge­woon maar leven met jezelf zoals je werkelijk bent.

Alleen als je intiem met iets leeft, begin je het te begrijpen. Maar zodra je eraan gewend raakt — aan je eigen onrust of naijver of wat dan ook — leef je er niet meer mee. Als je bij een rivier woont, hoor je na een paar dagen het geluid van het water niet meer, of als je een schilderij in je kamer hebt, dat je elke dag ziet, ben je het na een week uit het oog verloren. Zo is het ook met de bergen, de dalen, de bomen; ook met je familie, je echtgenoot, je vrouw. Maar om met zoiets als jalou­zie, naijver of onrust te leven, moet je er nooit aan gewend raken, ze nooit aanvaarden. Je moet ervoor zorgen zoals je voor een pas geplant boompje zou zorgen, het beschermen tegen de zon, tegen de storm. Je moet ervoor zorgen, het niet veroordelen of rechtvaardigen. Daarom ga je het liefhebben. Wanneer je voor iets zorgt, ga je het liefhebben. Niet dat je zo graag naijverig of ongerust bent, zoals zovelen, maar omdat je het prettig vindt het gade te slaan.

Zo kun je — kunnen u en ik — leven met wat we werke­lijk zijn, terwijl we weten dat we saai, naijverig, bang zijn, denken dat wij een geweldige genegenheid koesteren, terwijl wij die niet hebben, dat wij gemakkelijk gewond, gevleid en verveeld worden — kunnen we met dat alles leven, zonder het te accepteren of te loochenen, maar het alleen gadeslaan zonder somber, terneergeslagen of opgetogen te worden?

Laten we nu onszelf nog een vraag stellen. Deze vrijheid, deze eenzaamheid, dit in contact komen met de gehele struc­tuur van wat we zijn in onszelf — komen we daartoe door de tijd? Ik bedoel, verkrijgen wij deze vrijheid door een geleide­lijk proces? Klaarblijkelijk niet, want zodra je de tijd erin be­trekt, geraak je steeds meer in slavernij. Je kunt niet geleide­lijk vrij worden. Het is geen kwestie van tijd.

De volgende vraag is: kunt u zich bewust worden van die vrijheid? Als u zegt: ‘Ik ben vrij’, dan is^i het niet. Het is hetzelfde als iemand zegt: ‘Ik ben gelukkig’. Op het ogenblik dat hij zegt: ‘Ik ben gelukkig’, leeft hij in een herinnering aan iets, dat verdwenen is. Vrijheid kan slechts natuurlijkerwijze tot stand komen, niet door wensen, willen, verlangen, even­min zult u haar vinden door een beeld te vormen van wat u denkt dat ze is. Om haar te ontdekken moet de geest leren het leven, dat een onmetelijke beweging is, te bekijken zonder gebondenheid aan de tijd, want de vrijheid ligt aan gene zijde van het veld van bewustzijn.


                                                                                            9.


Tijd — Smart — Dood

Ik kom in de verleiding een verhaal aan te halen over een groot discipel die naar God ging en verlangde in de waarheid onderwezen te worden. Deze arme God zegt: ‘Vriend, het is zo warm vandaag, haal alsjeblieft een glas water voor me’. De discipel gaat naar buiten en klopt aan de deur van het eerste het beste huis dat hij ziet, en een schone jonge vrouw opent de deur. De discipel krijgt haar lief, zij trouwen en krijgen een aantal kinderen. Dan, op een dag, begint het te regenen en het blijft regenen, regenen, regenen — de stromen zwellen, de straten zijn vol water, de huizen worden weggespoeld. De dis­cipel klampt zich aan zijn vrouw vast, de kinderen op zijn schouders meedragend en als hij weggesleurd wordt, roept hij uit: ‘Heer, redt me’ en de Heer zegt: ‘Waar is dat glas water waar ik om vroeg?’

Het is wel een toepasselijk verhaal, omdat de meesten van ons denken in termen van tijd. De mens leeft in de tijd. Het uitvinden van de toekomst is zijn liefste spel om in te vluch­ten.

Wij denken dat veranderingen in ons zich na verloop van tijd zullen voltrekken, dat orde in onszelf stukje bij beetje op­gebouwd kan worden, dat er dagelijks iets aan toegevoegd kan worden. Maar de tijd brengt geen orde of vrede, dus moe­ten we ophouden met dat denken in termen van geleidelijk­heid. Dit betekent dat er geen morgen is waarin we vreed­zaam kunnen leven. We moeten ogenblikkelijk ordelijk wor­den.Als er werkelijk gevaar dreigt, verdwijnt de tijd, nietwaar? Dan wordt er onmiddellijk gehandeld. Maar we zien het ge­vaar van vele onzer problemen niet en daarom vinden we de tijd uit als middel om ze te overwinnen. De tijd is een mis­leider, want hij helpt ons op geen enkele wijze verandering in onszelf teweeg te brengen. De tijd is een beweging, die door de mens verdeeld is in verleden, heden en toekomst en zolang hij hem verdeelt, zal hij in conflict zijn.

Is iets aanleren een kwestie van tijd? Tenslotte hebben we na al deze duizenden jaren nog niet geleerd dat er eén betere manier van leven is dan elkaar haten en doden. Het is zeer belangrijk het probleem van de tijd te begrijpen, als we dit leven, dat mede door ons toedoen zo monsterachtig en zin­ledig is, willen oplossen.

Eerst moeten we begrijpen dat we de tijd alleen kunnen be­kijken met die frisheid en argeloosheid van geest, waar we het al eerder over hadden. We zijn verbijsterd door onze vele problemen en verdValen in die verbijstering. Wat doet men nu eerst als men verdwaald is in een bos? Men blijft staan, nietwaar? Men blijft staan en kijkt om zich heen. Maar hoe verwarder en verloren we in het leven staan, hoe meer we rondjagen: zoekend, vragend, eisend, bedelend. Het eerste wat we dus moeten doen, als ik het zeggen mag, is innerlijk volkomen stil blijven staan. Wanneer je dit innerlijk, psycho­logisch doet, word je geest heel vredig, heel helder. Dan kun je werkelijk dit probleem van de tijd bekijken.

Problemen bestaan slechts in de tijd, bijvoorbeeld wanneer we iets niet volledig tegemoettreden. Deze onvolledige ont­moeting schept het probleem. Als we een uitdaging slechts gedeeltelijk, fragmentarisch tegemoettreden, of haar trachten te ontvluchten — dus als we haar niet tegemoettreden met complete aandacht — scheppen we een probleem. En dat blijft bestaan zolang wij het niet onze volledige aandacht schenken, zolang we hopen het een dezer dagen op te lossen.

Weet u wat tijd is? Niet volgens het horloge, niet de chronologische, maar de psychologische tijd? Tijd is de inter­val tussen denkbeeld en handeling. Een denkbeeld dient ken­nelijk ter zelf-bescherming; het is een notie van zekerheid. Handelen is altijd onmiddellijk, het is niet iets van verleden of toekomst; handelen moet altijd in het heden zijn, maar han­delen is zó gevaarlijk, zó onzeker, dat we onszelf in overeen­stemming brengen met een denkbeeld, in de hoop dat het ons een bepaalde veiligheid zal schenken.

Bekijk dit vooral in jezelf. Je hebt een denkbeeld over wat goed of verkeerd is, dan wel een ideologische opvatting over jezelf en de maatschappij en volgens die idee ga je handelen. Daarom is de handeling in overeenstemming met die idee, of nagenoeg, en daarom is er altijd conflict. We hebben dus het denkbeeld, het interval en de handeling. In dit interval ligt het gehele terrein van de tijd. Dat interval Is in wezen het denken. Wanneer je denkt dat je morgen gelukkig zult zijn, dan heb je een beeld van jezelf, dat een bepaald resultaat in de tijd bereikt. Het denken zegt op grond van observatie, van verlangen en het voortduren van dat verlangen, ondersteund door nog meer denken: ‘Morgen zal ik gelukkig zijn. Morgen zal ik succes hebben. Morgen zal de wereld vol schoonheid zijn’. Zo schept het denken dat interval dat tijd is.

Wij vragen nu, kunnen wij de tijd stopzetten? Kunnen we zo volledig leven dat er voor het denken geen morgen is om aan te denken? Want tijd is smart. D.w.z. gisteren, of een dui­zend ‘gisterens’ geleden, had je lief, of had je een metgezel die weggegaan is, en die herinnering blijft en je denkt aan die ge­noegens en die pijn — je kijkt terug, wensend, hopend, be­treurend; dus het denken, dat er steeds weer mee bezig is, kweekt datgene, wat we smart noemen en bestendigt de tijd.

Zolang er dit interval van tijd is, dat door het denken ge­kweekt wordt moet er smart, moet er een voortduren van angst zijn. Men vraagt zich dus af: kan er een einde komen aan dit interval? Indien je zegt: ‘Zal het ooit eindigen?’ is het al een denkbeeld, iets dat je graag wilt bereiken, en daardoor heb je weer zo’n interval en ben je weer gevangen.

Neem bijvoorbeeld de kwestie van de dood, die voor de mees­te mensen een geweldig probleem vormt. Je kent de dood, hij wandelt elke dag aan je zijde. Is het mogelijk hem zo volledig tegemoet te treden, dat je er helemaal geen probleem van maakt? Om dit te kunnen doen moeten alle geloof, alle hoop, alle angst ervoor tot een einde komen, anders treed je dit bui­tengewone iets tegemoet met een conclusie, een beeld, met een voorbedachte onrust en dus met de tijd.

De tijd is het interval tussen de waarnemer en het waarge- nomene. Dat betekent: de waarnemer, u, bent bang dit iets dat dood heet ta.ontmoeten. U weet niet wat het betekent; u heeft er allerlei verwachtingen van en theorieën over; u ge­looft in reïncarnatie of opstanding, of in iets dat de ziel ge­noemd wordt, het atman, een geestelijk wezen dat tijdloos is en dat u verschillende namen geeft. Heeft u voor uzelf ont­dekt of er eigenlijk wel een ziel bestaat? Of is het een denk­beeld dat u doorgekregen hebt? Is er iets blijvends, iets dat voortbestaat, dat boven het denken uitgaat? Als het denken erover denken kan, bevindt het zich op het gebied van het denken en kan het dus niet blijvend zijn, omdat er niets blij­vends op het gebied van het denken is. Ontdekken dat er niets blijvends is, is geweldig belangrijk, want alleen dan is de geest vrij, dan kunt u kijken en daarin ligt grote vreugde.

U kunt niet bang zijn voor het onbekende, want je weet niet wat het is en dus is er niets om bang voor te zijn. Dood is een woord en het is dit woord, dit beeld, dat de angst op­roept. Kunt u naar de dood kijken zonder het beeld van de dood? Zolang dat beeld waaruit het denken voortspruit, be­staat, moet het denken altijd angst scheppen. Dan probeert u uw vrees voor de dood te rationaliseren en weerstand te bie­den aan het onvermijdelijke, of u verzint talloze geloven, om u te beschermen tegen de dood. Vandaar ontstaat er een ga­ping tussen uzelf en dat waar u bang voor bent. In dit interval van tijd-ruimte moet conflict zijn, d.w.z. angst, onrust en zelf­beklag. Het denken, dat de vrees voor de dood aankweekt, zegt: ‘Laten we hem uitstellen, laten we hem ontlopen, hem zoveel mogelijk op een afstand houden, laten we niet aan hem denken’ — maar u denkt er toch aan. Als u zegt: ‘Ik zal er niet aan denken’, heeft u al bedacht hoe u hem kunt ontlopen. De dood jaagt u angst aan, omdat u hem uitgesteld hebt.

We hebben het leven gescheiden van de dood en het interval tussen het leven en de dood is angst. Leven is onze dagelijkse foltering, onze dagelijkse belediging, smart en verwarring, met zo af en toe het openen van een raam, dat uitzicht geeft op betoverde zeeën. Dat is wat we leven noemen en we zijn bang om te sterven, wat zeggen wil een einde maken aan deze ellende. We klampen ons liever vast aan het bekende, dan het onbekende onder ogen te zien — het bekende is ons huis, onze meubels, onze familie, ons karakter, ons werk, onze ken­nis, onze roem, onze eenzaamheid, onze góden — dat kleine iets dat onophoudelijk in zichzelf ronddraait met zijn eigen begrensde patroon van een verbitterd bestaan.

We denken dat leven altijd in het heden geschiedt en dat sterven iets is dat ons wacht in een ver-verwijderde tijd. We hebben onszelf echter nooit afgevraagd of de strijd van het alledaagse leven eigenlijk wel leven is. We willen de waarheid weten omtrent reïncarnatie, wij willen een bewijs van het voortbestaan van de ziel, we luisteren naar de beweringen van helderzienden en naar de conclusies over het psychisch onder­zoek, maar we vragen nooit, nooit, hoe we moeten leven — elke dag leven met genoegen, verrukking en schoonheid. We hebben het leven aanvaard zoals het is met al zijn folteringen en wanhoop en zijn eraan gewend en denken aan de dood als aan iets dat zorgvuldig vermeden moet worden. Maar de dood lijkt buitengewoon veel op het leven als we weten hoe we moeten leven. Je kunt niet leven zonder te sterven. Je kunt niet leven als je niet elke minuut psychologisch sterft. Dit is geen intellectuele paradox. Om volkomen, voluit te leven, iedere dag, alsof die van een nieuwe liefelijkheid is, moet men sterven voor alles van gisteren, anders leef je mechanisch en een mechanische geest kan nooit weten wat liefde of wat vrij­heid is.

De meesten van ons zijn bang om te sterven, omdat we niet weten wat het betekent te leven. We weten niet hoe we moe­ten leven, daarom weten we niet hoe we moeten sterven. Zo­lang we bang zijn voor het leven, zullen we bang zijn voor de dood. De mens, die niet bang is voor het leven, is niet bang om volledig onzeker te zijn, want hij begrijpt dat er innerlijk, psychologisch, geen zekerheid bestaat. Wanneer er geen ze­kerheid is, is er een eindeloze beweging en dan zijn leven en dood hetzelfde. De mens, die zonder conflict leeft, die met schoonheid en liefde leeft is niet bevreesd voor de dood, om­dat liefhebben sterven is.

Indien je sterft voor alles, wat je weet en kent, inclusief je familie, je herinnering, alles wat je gevoeld hebt, dan is de dood een reiniging, een verjongingsproces; dan brengt de dood onschuld en het zijn alleen de onschuldigen die harts­tochtelijk zijn, niet zij die geloven, of willen ontdekken wat er gebeurt na de dood.

Om te ontdekken wat er eigenlijk gebeurt als je sterft, moet je sterven. Dit is geen grap. Je moet sterven — niet lichame­lijk, maar psychologisch, innerlijk, sterven voor de dingen die je gekoesterd hebt en voor de dingen waarover je bitter ge­stemd bent. Indien je gestorven bent voor een van je genoe­gens, het kleinste of het grootste, natuurlijkerwijs, zonder eni­ge dwang of beredenering, dan zul je weten wat het betekent te sterven. Sterven is een geest hebben die geheel ontbloot is van zichzelf, ontbloot van zijn dagelijkse verlangens, genoe­gens en folteringen. Dood is een vernieuwing, een mutatie, waarin het denken in het geheel niet functioneert, omdat het denken oud is. Wanneer er dood is, is er iets volkomen niéuws. Het verleden loslaten is dood, en dan leef je.

                                                                                              10.

Liefde

Het verlangen naar zekerheid in een verhouding kweekt onvermijdelijk smart en angst.Ditzoeken naar zekerheid roept juist onzekerheid op. Heb je ooit zekerheid gevonden in een van je relaties? Ja? De meesten van ons willen er graag zeker van zijn, dat zij liefhebben en bemind worden, maar is er lief­de als ieder van ons zijn eigen zekerheid zoekt, zijn eigen spe­ciale pad? We krijgen geen liefde, omdat we niet weten hoe we lief moeten hebben.

Wat is liefde? Het woord is zo geladen en bedorven dat ik het nauwelijks wil gebruiken. Iedereen praat over liefde — elk tijdschrift en elke krant en elke zendeling spreekt eeuwig­durend van liefde. Ik heb mijn land lief, ik heb mijn koning lief, ik houd van een boek, ik houd van deze berg, ik houd van genoegens, ik houd van mijn vrouw, ik houd van God. Is liefde een denkbeeld? Zo ja, dan kan het opgekweekt, gevoed, gekoesterd, her- en derwaarts geschoven en verdraaid worden op welke manier je maar wilt. Als je zegt dat je God liefhebt, wat betekent dat dan? Het betekent dat je een projectie van je eigen verbeelding liefhebt, een projectie van jezelf, gehuld in bepaalde vormen van achtenswaardigheid, die beantwoor­den aan je eigen opvattingen van wat nobel en heilig is; het is dus volkomen onzinnig te zeggen: ‘Ik heb God lief’. Wanneer je God aanbidt, aanbid je jezelf — en dat is geen liefde.

Omdat we dit menselijke iets, liefde genaamd, niet kunnen op­lossen, vluchten we in abstracties. Misschien is liefde wel deuiteindelijke oplossing van al ’s mensen moeilijkheden, pro­blemen en gezwoeg, dus hoe komen wij erachter wat liefde is? Door haar te omschrijven? De kerk heeft dat gedaan op haar wijze, de maatschappij op een andere en er zijn allerlei soorten afwijkingen en verdraaiingen, iemand adoreren, met iemand slapen, de emotionele uitwisseling, de kameraadschap — be­doelen we dat met liefde? Dat is de norm geweest, het pa­troon, en het is zo geweldig persoonlijk geworden, zinnelijk en beperkt, dat de godsdiensten hebben verklaard dat liefde iets veel meer is dan dit. In wat zij de menselijke liefde noe­men, zien zij genoegen, wedijver, jalouzie, het verlangen om te bezitten, vast te houden, andermans denken te beheersen en er zich mee te bemoeien, en wetend hoe ingewikkeld dit alles is, zeggen zij dat er een ander soort liefde moet zijn, god­delijk, vol schoonheid, onbezoedeld, onbedorven.

Over de hele wereld hebben zogenaamde heiligen staande gehouden dat het absoluut verkeerd is naar een vrouw te kij­ken; zij beweren dat men God niet nabij kan komen, wanneer men toegeeft aan sexualiteit, en daarom duwen zij het weg, ofschoon ze erdoor verteerd worden. Door het loochenen van de sexualiteit steken zij zich de ogen uit en snijden hun tong af, want zij ontkennen daarmee de gehele aardse schoonheid. Zij hebben hun hart en geest laten verhongeren; zij zijn uitge­droogde menselijke wezens; zij hebben de schoonheid uitge­bannen, omdat schoonheid verbonden wordt met de vrouw.

Kan de liefde verdeeld worden in heilige en profane, men­selijke en goddelijke, of is er alleen maar liefde? Behoort de liefde aan de enkeling en niet aan de velen? Als ik zeg: ‘Ik heb je lief’, sluit dat dan de liefde van de ander uit? Is liefde persoonlijk of onpersoonlijk? Moreel of immoreel? Van-de- familie, of niet-van-de-familie? Als je het mensdom liefhebt, kun je dan één in het bijzonder liefhebben? Is liefde senti­ment? Is liefde emotie? Is liefde genot en begeerte? Wijzen al deze vragen er niet op, dat we denkbeelden hebben over liefde, denkbeelden over wat liefde zou moeten zijn en wat niet, een patroon of een code, ontwikkeld door de beschaving waarin wij leven?

Om dus in te gaan op de vraag wat liefde is, moeten we haar eerst bevrijden van de omkorsting van eeuwen, alle idea­len en ideologieën over wat ze wel of niet zou moeten zijn, overboord gooien. Iets verdelen in wat het zou moeten zijn en wat het is, is de meest bedrieglijke manier van met het leven omgaan.

Hoe moet ik er nu achter komen wat deze vlam, die wij liefde noemen, betekent — niet hoe we er uiting aan moeten geven tegenover een ander, maar wat ze in zichzelf betekent? Eerst ga ik verwerpen wat de kerk, de maatschappij, mijn ouders en vrienden, iedere persoon en elk boek erover heeft gezegd, want ik wil voor mijzelf ontdekken wat het is. Hier hebben we een enorm probleem dat de ganse mensheid aangaat; op wel duizend manieren is het omschreven, en ikzelf ben, naar gelang van wat me bevalt of waar ik van geniet op dit ogen­blik, gevangen in een of ander patroon — dus zou ik om het te begrijpen, mij niet eerst zelf moeten bevrijden van mijn eigen neigingen en vooroordelen? Ik ben in verwarring, ver­scheurd door mijn eigen begeerten, dus zeg ik tot mijzelf: ‘Helder eerst je eigen verwarring op. Misschien ben je dan in staat te ontdekken wat liefde is door wat het niet is’.

De regering zegt: ‘Ga en dood uit liefde voor je land’. Is dat liefde? De godsdienst zegt: ‘Doe afstand van sex uit liefde voor God’. Is dat liefde? Is liefde begeerte? Zeg niet neen. Voor de meesten van ons is het wel zo — begeerte vermengd met genot, het genot dat ontleend wordt aan de zinnen, door sexuele gehechtheid en bevrediging. Ik ben niet tegen sex, maar zie wat erin besloten ligt. Wat sex je tijdelijk schenkt is de totale overgave van jezelf, en dan ben je weer terug in je woelige onrust; daarom wil je telkens weer een herhaling van die toestand, waarin geen zorgen, geen probleem, geen zelf is. Je zegt dat je je vrouw liefhebt. In die liefde ligt sexueel genot besloten en het genoegen iemand in huis te hebben die op de kinderen past, die kookt. Je verlaat je op haar; zij heeft je haar lichaam gegeven, haar gevoelens, haar aanmoediging, een bepaald gevoel van veiligheid en welzijn. Dan keert zij zich van je af; ze verveelt zich of gaat er vandoor met een ander en je hele emotionele evenwicht is verstoord en deze storing die je niet aanstaat, wordt jalouzie genoemd. Er is pijn in, on­rust, haat en geweld. Wat je dus eigenlijk zegt is: ‘Zolang je van mij bent, hou ik van je, maar zodra dat niet meer zo is, begin ik je te haten. Zolang als ik erop aan kan, dat je aan mijn eisen zult voldoen, zowel sexuele als andere, houd ik van je, maar zodra je me onthoudt wat ik wil hebben, houd ik niet meer van je’. Er bestaat dus vijandschap, er is een scheiding en als men zich gescheiden voelt van een ander, is er geen lief­de. Indien u echter met uw vrouw kunt leven zonder dat het denken al deze tegenstrijdigheden verwerkt, deze eindeloze twisten in jezelf, dan misschien — misschien — zult u weten wat liefde is. Dan is u volkomen vrij en uw vrouw ook, terwijl u, als u van haar afhankelijk zijt voor al uw genoegens, haar slaaf bent. Als iemand liefheeft moet hij dus vrij zijn, niet al­leen van de andere persoon, maar ook van zichzelf.

Dit elkaar toebehoren, dit psychologisch door elkaar ge­voed worden, van elkaar afhankelijk zijn — in dit alles moe­ten altijd onrust, angst, jalouzie, schuldgevoelens zijn, en zo­lang er angst is, is er geen liefde; een geest bevangen door smart zal nooit weten wat liefde is; sentimentaliteit en emo­ties hebben hoegenaamd niets uit te staan met liefde. En dus heeft liefde niets van doen met genoegen en begeerte.

Liefde is niet het product van het denken dat het verleden is. Het denken kan onmogelijk liefde kweken. De liefde kan niet ingesloten en gevangen worden in jalouzie, want jalouzie behoort tot het verleden. De liefde is steeds werkzaam aan­wezig. Het is niet: ‘Ik zal liefhebben’, of: ‘Ik heb liefgehad’. Als u de liefde kent, zult u niemand volgen. Liefde gehoor­zaamt niet. Als u liefhebt is er geen respect noch oneerbiedig­heid.

Weet u niet wat het betekent iemand werkelijk lief te heb­ben — lief te hebben zonder haat, zonder jalouzie, zonder woede, zonder te willen ingrijpen in wat hij doet of denkt, zonder oordeel, zonder vergelijken — weet u niet wat dat wil zeggen? Waar liefde is, kan daar vergelijking zijn? Wanneer u iemand liefheeft met uw ganse hart, uw ganse geest, uw ganse lichaam, met uw ganse wezen, is daar vergelijking? Als u zichzelf geheel overgeeft aan die liefde, dan is er geen ander.

Kent de liefde verantwoordelijkheid en plicht en zal zij deze woorden gebruiken? Als je iets doet uit plicht, is daar dan ook liefde in? Er is geen liefde in plicht. De structuur van de plicht waarin het menselijk wezen is gevangen, vernietigt hem. Zolang je gedwongen wordt iets te doen, omdat het je plicht is, is er geen liefde in wat je doet. Als er liefde is, is er geen plicht of verantwoordelijkheid.

De meeste ouders denken, jammer genoeg, dat zij verant­woordelijk zijn voor hun kinderen en hun gevoel van verant­woordelijkheid uit zich in het hen voorhouden wat ze al dan niet moeten doen, wat ze al dan niet moeten worden. De ouders willen graag dat hun kinderen een veilige plaats in de maatschappij hebben. Wat zij verantwoordelijkheid noemen maakt deel uit van de achtenswaardigheid die zij zo aanbid­den en het komt mij voor, dat daar waar achtenswaardigheid is, geen orde kan zijn; zij kennen geen andere zorg dan hoe ze perfecte burgers kunnen worden. Wanneer zij hun kinderen voorbereiden tot aanpassing in de maatschappij, bestendigen ze oorlog, conflicten en wreedheid. Noemt u dat zorg en lief­de?

Werkelijk om iets geven is het verzorgen, zoals je het een boom of een plant zou doen, hem water geven, bestuderen wat hij nodig heeft, welke aarde het beste voor hem is, voor hem zorgend met zachtheid en tederheid — maar als u uw kinderen voorbereidt tot aanpassing aan de maatschappij, be­reidt u ze voor tot de dood. Als u uw kinderen liefhad, zou er geen oorlog zijn.

Wanneer je iemand die je liefhebt verliest, stort je tranen — zijn die tranen voor jezelf of voor degeen die dood is? Huil je voor jezelf of om een ander? Heb je ooit om een ander gehuild? Heb je ooit gehuild om een zoon die gedood werd op het slagveld? Je hebt gehuild, maar komen deze tranen voort uit zelfbeklag of heb je gehuild, omdat een menselijk wezen werd gedood? Als je huilt uit zelfbeklag hebben je tranen geen betekenis; je hebt medelijden met jezelf. Indien je huilt, omdat je beroofd werd van iemand die je met zeer veel genegenheid hebt omringd, dan was dat geen werkelijke genegenheid. Als je huilt om je broeder die sterft, huil dan om hem. Het is erg gemakkelijk om jezelf te huilen, omdat hij verdwenen is. Klaarblijkelijk huil je omdat je hart is ge­roerd, maar het is niet geroerd om hèm, het is slechts geroerd door zelfbeklag en zelfbeklag sluit je in en maakt je hard, suf en dom.

Wanneer je om jezelf huilt, is dat dan liefde — huilen om­dat je eenzaam bent, omdat je verlaten bent —omdat je niet langer machtig bent — klagend over je lot, je omgeving — altijd ‘jij’ in tranen? Indien u dit begrijpt, hetgeen betekent, dat u er zo ogenblikkelijk en direct mee in contact komt als met een boom die u aanraakt, of een pilaar of een hand, dan zult u zien dat smart eigengemaakt is, smart in het leven ge­roepen wordt door het denken, smart het resultaat is van de tijd. Ik had drie jaar geleden mijn broeder nog, nu is hij dood, nu ben ik eenzaam, lijd pijn, er is niemand tot wie ik mij kan wenden om troost of gezelschap, en ik krijg tranen in mijn ogen.

U kunt dit alles in uzelf zien gebeuren als u erop let. U kunt het volledig, compleet, in één oogopslag zien, zonder dat er tijd nodig is voor onderzoek. In één ogenblik kunt u de gehele structuur en de aard van dit kleine, prullige ding, het ‘mij’ genaamd, zien: mfjn tranen, mfjn volk, mijn geloof, mijn godsdienst — al die lelijkheid, het is allemaal binnen in u. Als u het ziet met uw hart, niet met uw geest, als u het ziet van ganser harte, dan heeft u de sleutel, die de smart zal doen eindigen.

Smart en liefde kunnen niet samengaan, maar in de Chris­telijke wereld heeft men het lijden geïdealiseerd, het aan een kruis gehangen en het aanbeden, daarmee te kennen gevende dat u nooit kunt ontsnappen aan het lijden, dan door die ene speciale deur, en dit is de ganse structuur van een uitbuiten­de, godsdienstige gemeenschap.

Als je dus vraagt wat liefde is, ben je misschien te bang om het antwoord te zien. Het zou een volkomen omwenteling kunnen betekenen; het uiteenvallen van de familie; je zou kunnen ontdekken dat je je vrouw niet liefhebt of je kinde­ren — doet u dat wel? — je zou het huis dat je gebouwd hebt misschien moeten afbreken, misschien zal je nooit meer terug­keren naar de tempel.

Indien u er toch achter wilt komen, zult u zien dat angst geen liefde is, afhankelijkheid geen liefde is, jalouzie geen lief­de is, bezitsrechtsuitoefening en overheersing geen liefde zijn, verantwoordelijkheid en plicht geen liefde zijn, zelfbeklag geen liefde is, de foltering van onbemind te zijn geen liefde is; liefde is evenmin het tegengestelde van haat, als nederigheid het tegengestelde van ijdelheid is. Als u dus dit alles kunt uit­schakelen, niet door dwang, maar door ze weg te wassen zoals de regen het stof van vele dagen van een blad wast, dan zult u misschien deze vreemde bloem tegenkomen waar de mens altijd naar hunkert.

Indien u geen liefde bezit — niet in kleine druppels maar in overvloed — als u er niet vol van bent — zal er onheil over de wereld komen. U weet verstandelijk dat de eenheid van het mensdom essentieel is en liefde de enige weg, maar wie zal u leren lief te hebben? Kan enig gezag, enige methode, enig systeem u vertellen hoe u tot liefhebben kunt komen? Indien iemand het u vertelt, is het geen liefde. Kunt u zeggen: ‘Ik wil liefde beoefenen? Ik zal er elke dag voor gaan zitten en erover denken. Ik zal me oefenen om aardig en vriendelijk te zijn en mezelf dwingen aandacht te schenken aan anderen? Bedoelt u daarmee dat u uzelf door discipline tot liefhebben kunt brengen, de wil tot liefhebben kunt oefenen? Wanneer u discipline en wil aanwendt om lief te hebben, vliegt de lief- de het raam uit. Door het toepassen van een of andere metho­de of systeem tot liefhebben kunt u misschien buitengewoon knap worden, of vriendelijker, of in een toestand van geweld­loosheid geraken, maar dat alles heeft hoegenaamd niets met liefde te maken.

In deze verscheurde woestijn-wereld bestaat geen liefde, om­dat genoegen en begeerte de grootste rol spelen, toch heeft uw dagelijks leven zonder liefde geen betekenis. En u kunt geen liefde hebben als er geen schoonheid is. Schoonheid is niet iets wat u ziet — niet een mooie boom, een mooie afbeel­ding, een mooi gebouw of een mooie vrouw. Er is alleen schoonheid als hart en geest weten wat liefde is. Zonder liefde en dat schoonheidsbesef is er geen deugd en u weet heel goed, dat u wat u ook doet, de maatschappij verbeteren, de armen voeden, alleen meer onheil sticht, want zonder liefde is er alleen lelijkheid en armoede in uw eigen hart en geest. Als er echter liefde en schoonheid heerst, is alles wat u doet goed, alles wat u doet is in orde. Indien u weet hoe u lief moet hebben, kunt u doen wat u wilt, omdat het alle andere proble­men oplost.

Zo bereiken wij dit punt: kan de geest zonder discipline, zonder denken, zonder dwang, zonder boek, zonder leraar of leider, liefde aantreffen, zoals men een mooie zonsondergang aantreft?

Het schijnt mij toe dat één ding absoluut noodzakelijk is en dat is hartstocht zonder motief — hartstocht, die niet het resultaat is van enige gebondenheid of gehechtheid, harts­tocht, die geen wellust is. Wie deze hartstocht niet kent, zal nooit weten wat liefde is, omdat liefde slechts tot aanzijn kan komen, als er totale zelf-overgave is.

De geest die zoekt is geen hartstochtelijke geest en liefde ontmoeten zonder haar te zoeken is de enige manier om haar te vinden — haar ongeweten tegenkomen en niet als resultaat van een inspanning of ervaring. Zo’n liefde heeft zoals u zult bemerken niets te maken met tijd, zo’n liefde is tegelijk per­soonlijk en onpersoonlijk, is tegelijk de ene en de vele; zoals een bloem die geur heeft: je kunt haar ruiken of eraan voorbij­lopen. Die bloem is er voor iedereen en voor degene die de moeite neemt om de geur diep op te snuiven en er vol behagen naar te kijken. Of men er zeer dicht bij is in de tuin of heel ver weg, is voor de bloem gelijk, omdat zij vol van die geur is en die dus met iedereen deelt.

Liefde is iets dat nieuw is, fris, levend. Zij heeft geen giste­ren en geen morgen. Zij staat boven het rumoer van het den­ken. Alleen de onschuldige geest weet wat liefde is en kan leven in een wereld, die niet onschuldig is. Dit buitengewone iets te vinden, waarnaar de mens zonder ophouden heeft ge­zocht, door opoffering, door aanbidding, door verhoudingen, door sex, door elke vorm van genoegen en pijn, is slechts mo­gelijk, wanneer het denken zichzelf gaat begrijpen en natuur­lijkerwijs tot een einde komt. Dan heeft liefde geen tegendeel meer, dan kent de liefde geen conflict.

U vraagt misschien, ‘Indien ik zo’n liefde vind, wat gebeurt er dan met mijn vrouw, mijn kinderen, mijn familie? Ze moe­ten veilig zijn’. Als u deze vraag stelt, is u nooit buiten het veld van het denken, het veld van het bewustzijn geweest. Als u wel eens buiten dat veld bent geweest, zult u nooit meer deze vraag stellen, omdat u dan weet wat liefde is waarin geen denken optreedt en dus geen tijd. Misschien leest u dit gebio­logeerd en betoverd, maar werkelijk buiten het denken en de tijd treden — wat betekent de smart achter u laten — is be­seffen, dat er een andere dimensie is die liefde wordt ge­noemd.

U weet echter niet hoe u bij deze buitengewone bron moet komen — dus wat doet u? Als u niet weet wat u doen moet, doet u niets, nietwaar? Absoluut niets. Dan is u van binnen geheel stil. Begrijpt u wat dat betekent? Het betekent dat u niet zoekt, niet begeert, niet najaagt; dan is er helemaal geen middelpunt. Dan is er liefde.

                                                                                              11.

Kijken en Luisteren — Kunst — Schoonheid — Soberheid — Beelden — Problemen — Ruimte


Wij hebben.een onderzoek ingesteld naar de aard van de liefde en zijn naar ik meen, op een punt gekomen, dat een veel dieper doordringen behoeft, een veel groter besef van de zaak. We zijn erachter gekomen, dat voor de meeste mensen liefde comfort betekent, zekerheid, een garantie van doorlopende emotionele tevredenheid voor de rest van hun leven. Dan komt er iemand zoals ik voorbij en zegt: ‘Is dat werkelijk lief­de?’ betwijfelt het, en vraagt u in uzelf te kijken. U probeert niet te kijken, omdat dat zeer verontrustend werkt — u zou liever over de ziel spreken, of over de politieke en economi­sche situatie — maar als u in een hoek gedreven wordt om te kijken, realiseert u zich, dat datgene wat u altijd voor liefde hebt aangezien helemaal geen liefde is; het is een wederzijdse bevrediging, een wederzijdse uitbuiting.

Als ik zeg: ‘Liefde kent geen morgen en geen gisteren’, of ‘Als er geen middelpunt is, is er liefde’, dan is dat werkelijk voor mij, maar niet voor u. Misschien wilt u het aanhalen en er een formule van maken, maar dat heeft geen waarde. U moet het zelf zien, maar om dat te kunnen, moet er vrijheid zijn om te kijken, vrij van alle veroordeling, van elk oordeel, van alle instemming of afwijzing.

Welnu, kijken is een van de moeilijkste dingen in het leven — of luisteren — kijken en luisteren zijn hetzelfde. Als je ogen verblind zijn door je zorgen, kun je de schoonheid van de zonsondergang niet zien. De meesten van ons hebben het con­tact met de natuur verloren. De beschaving richt zich meer en meer naar de grote steden; we worden steeds meer stads­mensen, levend in volgepropte flats en maar heel weinig ruim­te om zelfs naar een morgen- of avondhemel te kijken, en daar­om verliezen we het contact met veel schoons. Ik weet niet of het u is opgevallen hoe weinigen van ons kijken naar een zons­opgang of -ondergang, of naar het maanlicht of de weerschijn van het licht op water.

Doordat we het contact met de natuur verloren hebben, richten we ons vanzelfsprekend meer op het ontwikkelen van onze intellectuele vermogens. We lezen een massa boeken, be­zoeken een massa musea en concerten, kijken naar de televisie en hebben vele andere vermaken. We halen eindeloos ander- man’s ideeën aan en denken en praten veel over kunst. Waar­om verlaten wij ons zo op kunst? Is het een vorm van ont­snapping, of een prikkel? Indien u direct in contact bent met de natuur; wanneer u de beweging van een vliegende vogel volgt, de schoonheid van elke beweging van de hemel, de scha­duwen op de heuvels of de schoonheid op het gezicht van een ander gadeslaat, denkt u dat u dan nog naar een museum wilt gaan om daar te gaan kijken naar een schilderij? Mis­schien is het omdat u helemaal niet weet hoe u moet kijken naar alle dingen om u heen, dat u uw toevlucht zoekt bij een of ander middel dat u stimuleert tot beter zien.

Er is een verhaal over een godsdienst-leraar, die gewend was elke morgen zijn leerlingen toe te spreken. Op een mor­gen klom hij op zijn platform en wilde juist beginnen, toen een vogeltje op de vensterbank kwam zitten en begon te zingen dat het een lieve lust was. Toen hield het op en vloog weg, en de leraar zei: ‘De preek van hedenochtend is geëindigd’.

Het komt mij voor dat een van onze grootste moeilijkheden is werkelijk helder te zien, niet alleen de uiterlijke dingen maar juist het innerlijk leven. Als we zeggen dat we een boom zien, of een bloem of een persoon, zien we ze dan ook werke­lijk? Of zien we enkel het beeld, dat door het woord werd opgeroepen? D.w.z. wanneer u naar een boom kijkt of naar een wolk op een avond vol licht en verrukking, ziet u die dan ook, niet alleen met uw ogen en uw verstand, maar totaal, volledig?

Heeft u ooit wel eens de proef genomen met het kijken naar een object zoals een boom, zonder iets van de associatie, iets van de kennis die u erover opgedaan hebt, zonder enig vooroordeel, zonder oordeel of enig woord dat een scherm vormt tussen uzelf en de boom, wat u verhindert die te zien zoals hij werkelijk is? Probeer het eens en zie wat er werke­lijk gebeurt als u de boom gadeslaat met uw gehele wezen, met al uw energie. In die intensiteit zult u bemerken dat er helemaal geen waarnemer is; er is alleen aandacht. Als er géén aandacht is dan is er de waarnemer en het waargenomene. Als u naar iets kijkt met volledige aandacht, is er geen plaats voor een ontwerp, een formule of een herinnering. Het is belangrijk dat we dit begrijpen, omdat we nu ingaan op iets dat een zeer zorgvuldig onderzoek vereist.

Het is alleen de geest die naar een boom kijkt, of naar ster­ren, of naar het glinsterende water van een rivier in volledig zelfvergeten, die weet wat schoonheid is en als we werkelijk zien, verkeren we in een toestand van liefde. Over het alge­meen kennen we schoonheid door vergelijking of door wat de mens heeft samengesteld, wat zeggen wil dat we schoonheid toekennen aan een of ander voorwerp. Ik zie wat volgens mij een mooi gebouw is en die schoonheid waardeer ik op grond van mijn kennis van architectuur en doordat ik het vergelijk met andere gebouwen die ik gezien heb. Maar nu vraag ik mijzelf af: ‘Bestaat er schoonheid zonder een object? Wan­neer er een waarnemer is, die keurt, ervaart, denkt, dan is er geen schoonheid, omdat die schoonheid iets uiterlijks is, iets wat de waarnemer bekijkt en beoordeelt, maar als er geen waarnemer is — en dit vraagt heel veel meditatie en onder­zoek — dan is er schoonheid zonder het object.

De schoonheid ligt in het totale prijsgeven van de waarne­mer en het waargenomene en er kan alleen zelf-overgave be­staan wanneer er uiterste soberheid is — niet de soberheid van de priester met haar scherpte, haar sancties, regels en ge­hoorzaamheid, maar de soberheid van het totaal eenvoudig- zijn, wat volkomen ootmoed is. Dan is er geen bereiken, geen ladder om te beklimmen; dan is er alleen de eerste stap en de eerste stap is een eeuwigdurende.

Stel je voor dat je alleen of met iemand anders aan het wan­delen bent en met praten bent opgehouden. Om je heen is de natuur, er blaft geen hond, er is geen lawaai van passerende auto’s, of zelfs het geluid van een fladderende vogel. Je bent volkomen stil en de natuur om je heen is ook geheel stil. In deze toestand van stilte in waarnemer en het waargenomene

—  als de waarnemer niet in gedachten omzet wat hij waar­neemt — in deze stilte is een andere kwaliteit van schoonheid. Er is geen natuur, noch een waarnemer. De geest verkeert in een toestand van algeheel en volkomen alleen-zijn; hij is alleen

—  niet geïsoleerd — alleen in de stilte en die stilte is schoon­heid. Wanneer je liefhebt, is er dan een waarnemer? Er is alleen een waarnemer als liefde begeerte is en genot. Als be­geerte en genot niet verbonden zijn met liefde, dan is de lief­de intens. Zij is, evenals de schoonheid elke dag weer volko­men nieuw. Zoals ik zei, zij kent geen gisteren en geen morgen.

Alleen wanneer wij zien zonder enig vooraf gevormd begrip, zonder enig beeld, kunnen wij met alles in het leven in direct contact komen. Al onze relaties zijn in wezen inbeelding — d.w.z., gebaseerd op een beeld, dat door het denken is ge­vormd. Indien ik een bepaald beeld van u heb en u heeft een beeld van mij, dan zien we elkaar natuurlijk niet zoals we eigenlijk zijn. Wat we zien zijn de beelden, die we van elkaar gevormd hebben en deze verhinderen ons contact met elkaar en daarom lopen onze verhoudingen scheef.

Als ik zeg: ik ken u, bedoel ik dat ik u gisteren kende. Ik ken u nu eigenlijk niet. Het enige wat ik ken is het beeld dat ik mij van u heb gemaakt. Dat beeld is opgebouwd uit wat u, lovend of beledigend, over me gezegd heeft, wat u me aange­daan heeft — het is opgebouwd uit alle herinneringen die ik van u heb — en uw beeld van mij is op dezelfde manier opge­bouwd; het zijn deze beelden die in relatie met elkaar staan en ons verhinderen om in werkelijk contact met elkaar te staan.

Twee mensen die lange tijd met elkaar samengeleefd heb­ben, hebben een beeld van elkaar dat hun verhindert werke­lijk met elkaar in relatie te staan. Als we begrijpen wat een relatie werkelijk is, kunnen we samenwerken, maar samen­werking kan onmogelijk bestaan via beelden, symbolen, ideo­logische begrippen. Alleen wanneer we de ware relatie met elkaar begrijpen, is er liefde mogelijk; en de liefde wordt be­let, wanneer we beelden vormen. Daarom is het belangrijk te begrijpen, niet verstandelijk maar werkelijk in je dagelijks leven, hoe u die beelden hebt opgebouwd van uw vrouw, uw echtgenoot, uw buurman, uw kind, uw land, uw leiders, uw politici, uw góden — u heeft niets dan beelden.

Deze beelden scheppen de ruimte tussen jezelf en wat je waarneemt en in die ruimte is het conflict, dus we gaan nu samen proberen uit te vinden of het mogelijk is vrij te zijn van de ruimte die we scheppen, niet alleen buiten onszelf maar ook in onszelf, de ruimte die mensen verdeelt in al hun relaties.

De aandacht nu die je aan een probleem schenkt, is de ener­gie die dat probleem oplost. Wanneer je je volledige aandacht eraan schenkt — ik bedoel met alles wat in je is — dan is er helemaal geen waarnemer. Dan is er alleen de staat van aan­dacht welke volkomen energie is en die totale energie is de hoogste vorm van intelligentie. Natuurlijk moet die geestes­toestand volkomen stil zijn en die stilte', dat stil-zijn, ontstaat als er volledige aandacht is, niet bij een opgelegd stil-zijn. Die totale stilte, waarin geen waarnemer is, noch wat waargeno­men wordt, is de hoogste vorm van een religieuze geest. Wat er echter in die staat plaats vindt kan niet in woorden om­schreven worden, omdat wat in woorden gezegd wordt niet het feit zelf is. Om het zelf te ontdekken moet je het zelf door­maken.

Elk probleem is verwant aan elk ander probleem, zodat je, als je één probleem — welk dan ook — geheel kunt oplossen, zult zien dat je alle andere problemen gemakkelijk tegemoet kunt treden en oplossen. We hebben het vanzelfsprekend over psychologische problemen. Wij zagen reeds dat een probleem alleen in de tijd bestaat, d.w.z. als we niet volledig op de kwestie ingaan. We moeten ons dus niet alleen van de aard en de structuur van het probleem bewust zijn en het volledig zien, maar erop ingaan als het zich voordoet en het ogenblik­kelijk oplossen, zodat het geen wortel vat in onze geest. In­dien men een probleem een maand of een dag, of zelfs maar een paar minuten laat bestaan, misvormt het de geest. Is het dus mogelijk ogenblikkelijk op een probleem in te gaan, zon­der enige misvorming en er ogenblikkelijk, volledig, vrij van te zijn, zonder dat er een herinnering, een krasje op de geest achterblijft? Deze herinneringen zijn de beelden die we met ons meedragen en het zijn deze beelden, die dit bijzondere iets dat leven wordt genoemd tegemoettreden en daarom ontstaat er een tegenstrijdigheid, en vandaar conflict. Het leven is zeer werkelijk — het leven is geen abstractie — als je het echter met beelden tegemoettreedt zijn er problemen.

Is het mogelijk op iedere kwestie in te gaan zonder dit ruimte- tijd-interval, zonder de kloof tussen zichzelf en datgene waar men bevreesd voor is? Het is alleen mogelijk als de waarne­mer geen continuïteit heeft, de waarnemer, die de bouwer 'is van het beeld, de waarnemer, die een verzameling herinnerin­gen en ideeën, die één bundel abstracties is.

Wanneer u naar de sterren kijkt, kijkt u naar de sterren aan de hemel; de hemel is bezaaid met flonkerende sterren, er is een koele lucht en daar bent u de waarnemer, de ervaarder, de denker, u met uw gepijnigde hart, u, het middelpunt, dat afstand schept. U zult nooit iets begrijpen van de afstand tus­sen uzelf en de sterren, uzelf en uw vrouw of echtgenoot, of vriend, omdat u nooit gekeken hebt zonder het beeld en daar­om weet u niet wat schoonheid of wat liefde is. U praat er­over, u schrijft erover, maar u hebt het nooit echt gekend, dan misschien in de sporadische momenten van totale zelf­overgave. Zolang er een middelpunt is dat ruimte schept om zichzelf, is er geen liefde, noch schoonheid. Als er geen mid­delpunt is en geen omtrek dan is er liefde. En wanneer je liefhebt, ben je schoonheid.

Als u kijkt naar een gezicht tegenover u, kijkt u vanuit een middelpunt en het middelpunt schept de ruimte tussen per­soon en persoon en daarom zijn onze levens zo leeg en gevoel­loos. U kunt liefde en schoonheid niet opkweken, noch kunt u de waarheid uitvinden, maar als u zich voortdurend gewaar zijt wat u doet, kunt u gewaar-zijn aankweken en met dat ge- waar-zijn begint u de aard van genoegens, begeerten en smart te onderkennen en de uiterste eenzaamheid en verveling van de mens en zo treft u datgene aan wat ‘de ruimte’ wordt ge­noemd.

Als er ruimte is tussen uzelf en het voorwerp dat u waar­neemt, weet u dat er geen liefde is en hoezeer u ook tracht de wereld te hervormen of een nieuwe sociale orde in het leven te roepen, of hoeveel u ook praat over verbeteringen, zonder liefde schept u slechts zielsangst. Het is dus verder uw zaak. Er is geen leider, er is geen leraar, er is niemand die u vertelt wat u moet doen. U bent alleen in deze krankzinnige, wrede wereld.

                                                                                           12.

De Waarnemer en het Waargenomene

Ga alsjeblieft nog wat verder met mij. Het mag vrij inge­wikkeld, vrij subtiel zijn, maar ga ermee door.

Welnu, wanneer ik een beeld van u heb gevormd of van wat dan ook, ben ik in staat dat beeld gade te slaan, er zijn dan dus het beeld en de waarnemer van het beeld. Ik zie bij­voorbeeld iemand met een rood shirt aan en mijn ogenblikke­lijke reactie is dat het me bevalt of tegenstaat. Dat is het resul­taat van mijn beschaving, mijn opleiding, mijn associaties, mijn neigingen, mijn opgedane en geërfde kenmerken. Vanuit dat middelpunt neem ik waar en oordeel en zo staat de waar­nemer los van wat hij waarneemt.

De waarnemer is zich echter bewust van meer dan één beeld; hij schept er duizenden. Maar is de waarnemer anders dan deze beelden? Is hij niet zelf zo’n beeld? Hij voegt steeds toe aan en trekt af van wat hij is; hij is een levend wezen dat steeds afweegt, vergelijkt, oordeelt, vervormt en wijzigt als resultaat van uiterlijke en innerlijke spanningen — levend in dat bewustzijnsveld, dat bestaat uit zijn eigen kennis, invloed en talloze berekeningen. Tezelfdertijd,.als je naar de waarne­mer kijkt, die jezelf bent, zie je dat hij bestaat uit herinnerin­gen, ervaringen, voorvallen, invloeden, tradities en een onein­dige verscheidenheid van lijden, die alle tezamen het verleden vormen. De waarnemer is dus zowel het verleden als het heden en morgen wacht en dat is ook een deel van hem. Hij is half levend en half dood en met deze dood en dit leven kijkt hij, met dit dode en levende blad. In deze geestestoestand, diebinnen het veld van de tijd ligt kijkt u (de waarnemer) naar angst, naar jalouzie, naar oorlog, naar de familie (dat lelijke gesloten geheel dat familie wordt genoemd) en tracht het pro­bleem op te lossen van het waargenomene dat een uitdaging, het nieuwe is; u vertaalt het nieuwe altijd in termen van het oude en di irom is u eeuwigdurend in conflict.

Eén beeld, de waarnemer, neemt dozijnen andere beelden om en in zichzelf waar en hij zegt: ‘Dit beeld staat me aan, ik zal het vasthouden’, of ‘Dit beeld bevalt me niet, dus ik zal me ervan ontdoen’, maar de waarnemer zelf is samengesteld uit de verschillende beelden die tot leven zijn gekomen door rea­geren op diverse andere beelden. We komen dus tot een punt waar we kunnen zeggen: ‘De waarnemer is ook het beeld, alleen hij heeft zichzelf afgescheiden en neemt waar. Deze waarnemer, die tot leven is gekomen door diverse andere beelden, denkt dat hijzelf permanent is, en tussen zichzelf en de beelden die hij heeft gevormd is er een afscheiding, een tijdsinterval. Dit schept een conflict tussen hemzelf en de beelden, welke naar hij meent, de oorzaak van zijn moeilijk­heden zijn. Dan zegt hij dus: ‘Ik moet dit conflict kwijt zien te raken’, maar het verlangen om het conflict kwijt te raken schept zelf weer een ander beeld’.

Gewaar-zijn van dit alles, wat werkelijke meditatie is, heeft onthuld dat er een centraal beeld is, in elkaar gezet door alle andere beelden, en dit centrale beeld, de waarnemer, is de censor, de ervaarder, de waardebepaler, de rechter, die de an­dere beelden overwinnen of onderwerpen of ze geheel vernie­tigen wil. De andere beelden zijn het resultaat van beoordelin­gen, meningen en conclusies van de waarnemer en de waarne­mer is het resultaat van alle andere beelden — daarom is de waarnemer het waargenomene.

Dus gewaar-zijn heeft de verschillende toestanden van de geest onthuld; zij heeft de verschillende beelden en de tegen­stelling tussen de beelden onthuld, het conflict dat daaruit voortkwam en de wanhoop er niets aan te kunnen doen en de diverse pogingen om eraan te ontvluchten. Dit alles werd ont­huld door voorzichtig, aarzelend gewaar-zijn en dan komt het gewaar-zijn, dat de waarnemer het waargenomene is. Het is niet een superieur wezen dat tot dit besef komt, het is geen hoger zelf (het superieure wezen, het hogere aelf, zijn louter bedenksels, nog meer beelden); het gewaar-zijn heeft ont­huld, dat de waarnemer het waargenomene is.

Wanneer je jezelf een vraag stelt, wie is er dan het wezen dat het antwoord zal ontvangen? Wie is het wezen dat gaat onder­zoeken? Indien het wezen deel uitmaakt van bet bewustzijn, van het denken, dan is het niet in staat om iets na te gaan. Alleen de toestand van gewaar-zijn is daartoe bij machte. Maar indien er in deze toestand van gewaar-zijn nog iets is dat zegt: ‘Ik moet dit gewaar worden, ik moet me oefenen in gewaar- zijn’, dan is ook dat weer een beeld.

Dit gewaar-zijn dat de waarnemer het waargenomene is, is geen proces van vereenzelviging met het waargenomene. Ons­zelf met iets vereenzelvigen is vrij makkelijk. De meesten van ons vereenzelvigen zich met iets - met onze familie, onze echt­genoot of vrouw, onze natie — en dat leidt tot grote ellende en grote oorlogen. — Wij zijn iets geheel anders aan het be­schouwen en we moeten het niet letterlijk opvatten, maar in onze kern, in de wortel van ons wezen. In het oude China ging een kunstenaar, voordat hij iets begon te schilderen — een boom bijvoorbeeld — dagen, maanden, jaren, het kwam er niet op aan hoe lang, voor die boom zitten, totdat hij de boom was. Hij vereenzelvigde zich niet met de boom, maar hij was de boom. Dit betekent dat er geen ruimte was tussen hem en de boom, geen ruimte tussen de waarnemer en het waargenomene, geen ervaarder die de schoonheid, de bewe­ging, de schaduw, de diepte van een blad, de hoedanigheid van de kleur ervaart. Hij was geheel en al de boom en alleen in die staat kon hij schilderen.

Iedere beweging van de kant van de waarnemer, als hij zich niet gerealiseerd heeft dat de waarnemer het waargenomene is, schept alleen nieuwe reeksen van beelden en opnieuw wordt hij daarin gevangen. Maar wat gebeurt er als de waarnemer gewaar wordt dat de waarnemer het waargenomene is? Lang­zaam aan nu, heel langzaam, omdat het een zeer ingewikkeld iets is waarop we nu ingaan. Wat gebeurt er? De waarnemer handelt helemaal niet. De waarnemer heeft altijd gezegd: ‘Ik moet iets aan die beelden doen, ik moet ze onderdrukken of ze een andere vorm geven’; hij is altijd actief met betrekking tot het waargenomene, hartstochtelijk of terloops handelend en reagerend, en deze handeling van het al dan niet van iets houden van de zijde van de waarnemer wordt positief hande­len genoemd — ‘Ik houd van, daarom moet ik vasthouden. Ik houd niet van, daarom moet ik kwijt zien te raken’. Maar als de waarnemer zich realiseert, dat het object van zijn han­delen hijzelf is, dan bestaat er geen conflict tussen hemzelf en het beeld. Hij is dat. Hij is er niet van gescheiden. Toen hij ervan gescheiden was, deed hij er iets aan, of trachtte dit al­thans, maar als de waarnemer zich realiseert dat hij het is, dan is er geen kwestie van wel of niet houden ervan en het con­flict eindigt.

Want wat zou hij moeten doen? Als dat iets jezelf is, wat kun je dan doen? Je kunt er niet tegen in opstand komen, of er voor vluchten, of het zelfs accepteren. Het is er. Alle han­deling dus, die het resultaat is van reactie op al dan niet van iets houden is dus ten einde.

Dan zult u bemerken, dat er een gewaar-zijn ontstaan is, dat geweldig levend is. Het is niet gebonden aan een centraal punt of aan een beeld — en uit de intensiteit van het gewaar- zijn ontstaat een ander soort aandacht en daarom is de geest — omdat de geest dit gewaar-zijn is — uitzonderlijk gevoelig en in hoge mate intelligent geworden.

                                                                                           13.

Wat is Denken? — Denkbeelden en Handeling — Uitdaging — Materie — De Aanvang van het Denken

Laten we nu ingaan op de vraag wat denken is, de betekenis van dat denken dat met zorg, logica en met gezond verstand (voor ons dagelijks werk) beoefend moet worden en dat wat helemaal geen betekenis heeft. Tenzij we de twee soorten kennen, kunnen we onmogelijk iets veel diepers begrijpen, iets wat door het denken niet geraakt kan worden. Laten we dus trachten deze zeer ingewikkelde structuur te begrijpen van wat denken, van wat herinnering is, waar het denken vandaan komt, hoe het denken al onze handelingen bepaalt; en als we dit alles begrijpen stuiten we misschien op iets dat nog nooit door het denken werd ontdekt, waartoe het denken de deur niet kan openen.

Waarom is het denken zo belangrijk geworden in ons leven — het denken, dat beelden vormt, dat het antwoord is op de verzamelde herinneringen in de hersencellen? Misschien heb­ben velen deze vraag zelfs nog nooit gesteld, of als dat wel zo is heeft u misschien gezegd: ‘Dat is niet zo belangrijk — wat belangrijk is, is emotie’. Ik zou echter niet weten, hoe men die twee van elkaar kan scheiden. Als het denken geen voedsel aan het gevoel geeft, sterven de gevoelens zeer snel. Waarom is dan het denken in ons dagelijks leven, het leven dat ons afbeult, ons verveelt en bang maakt, zo bovenmatig belang­rijk geworden? Vraag het jezelf zoals ik het mij afvraag — waarom is men een slaaf van het denken — het listige, ver­nuftige denken dat kan organiseren, dat van alles op gang kanbrengen, dat zoveel uitgevonden heeft, zoveel oorlogen heeft uitgebroed, zoveel angst heeft geschapen, zoveel onrust, dat steeds beelden maakt en zijn eigen staart achterna zit — het denken dat het genoegen van gisteren heeft genoten en dat ge­noegen laat voortduren in het heden en ook in de toekomst — het denken dat altijd actief is, kwetterend, zich bewegend, bouwend, wegnemend, toevoegend, veronderstellend?

Denkbeelden zijn voor ons veel belangrijker geworden dan handelen — denkbeelden, die zo knap door de intellectuelen op elk gebied in boeken tot uitdrukking worden gebracht. Hoe slimmer, hoe subtieler die denkbeelden zijn, hoe meer we ze aanbidden èn de boeken waar ze in staan. Wij zijn die boeken, wij zijn die denkbeelden, zo zwaar worden we erdoor bepaald. Altijd weer zijn we aan het discussiëren over denkbeelden en idealen, en geven dialectisch onze meningen. Elke godsdienst heeft zijn dogma, zijn formule, zijn eigen stellage om de góden te bereiken en als we een onderzoek instellen naar het begin van het denken, betwijfelen wij het belang van dit gehele bouwsel van denkbeelden. We hebben de denkbeelden ge­scheiden van de handeling, omdat denkbeelden altijd tot het verleden behoren en handeling altijd het heden is, d.w.z. le­ven is altijd het heden. We zijn bang voor het leven en daar­om is het verleden, in de vorm van denkbeelden, zo belangrijk voor ons geworden.

Het is werkelijk buitengewoon interessant om de werking van het eigen denken gade te slaan, al is het maar om waar te nemen hoe men denkt, waar die reactie die we denken noe­men uit voortspruit. Klaarblijkelijk uit de herinnering. Heeft het denken eigenlijk wel een begin? Zo ja, kunnen we dan dat begin ontdekken — tenminste, het begin van de herinnering, want als we geen herinnering hadden, zouden we ook geen denken hebben?

We hebben gezien hoe het denken het genoegen van gisteren schraagt en duurzaamheid geeft en hoe het denken ook het omgekeerde van genoegen, dus vrees en pijn in stand houdt, dus de ervaarder, de denker, is het genoegen en de pijn en ook het wezen dat voedsel geeft aan genoegen en pijn. De denker scheidt het genoegen van de pijn. Hij ziet niet in, dat hij juist door de begeerte naar genoegen, pijn en vrees uitnodigt. Het denken vraagt in de menselijke verhoudingen steeds genoe­gen, onder de dekmantel van verschillende benamingen, zoals trouw, helpen, geven, ondersteunen, dienen. Ik vraag me af, waarom wij willen dienen? Het benzine-pompstation biedt een goede service. Wat betekenen deze woorden: helpen, ge­ven, dienen? Waarom gaat het allemaal? Zegt een bloem, vol schoonheid, licht en lieflijkheid ook: ‘Ik geef, help, dien’? Ze is!! En omdat ze niet tracht iets te doen, bedekt ze de aard­bodem.

Het denken is zo listig, zo sluw, dat het alles te eigen dienste vervormt. Het denken vormt in zijn drang naar genoegen zijn eigen gebondenheid. Het denken is de kweker van tweeslach­tigheid in al onze verhoudingen; er is geweld in ons en dat geeft genoegen, maar er is ook het verlangen naar vrede, het verlangen vriendelijk en zachtmoedig te zijn. Dat is het wat zich steeds weer afspeelt in onze levens. Niet alleen kweekt het denken in ons deze tweeslachtigheid, deze tegenstrijdig­heid, maar het verzamelt ook de talloze herinneringen die we hebben van genoegen en pijn en door deze herinneringen wordt het steeds herboren. Dus is het denken het verleden, het denken is altijd oud, zoals ik al zei.

Omdat elke uitdaging tegemoetgetreden wordt in termen van het verleden — want een uitdaging is altijd nieuw — zal ons tegemoettreden van de uitdaging altijd totaal onvoldoen­de zijn, vandaar tegenstrijdigheid, conflict en alle ellende en smart waar we de erfgenamen van zijn. Ons kleine brein is in conflict, wat het ook doet. Of het nu ergens naar streeft, iets imiteert, toegeeft, onderdrukt, verheft, stimulerende midde­len neemt om zich te verruimen — wat het ook doet — het is in een staat van conflict en zal conflict voortbrengen.

Zij die heel veel denken zijn zeer materialistisch, omdat het denken materie is. Het denken is evenzeer materie als de vloer, de muur, de telefoon. Energie die volgens een bepaald patroon functioneert wordt materie. Er is energie en er is ma­terie. Dat is alles wat het leven is. Misschien denken we dat denken geen materie is, maar het is het. Het denken — als een ideologie — is materie. Waar energie is wordt het mate­rie. Materie en energie zijn in wezen aan elkaar verwant. De een kan niet bestaan zonder de ander en hoe meer harmonie er tussen beide bestaat, hoe meer evenwicht, hoe actiever de hersencellen zijn. Het denken heeft dit patroon van genoegen, pijn, vrees gevestigd en er duizenden jaren in gefunctioneerd; het kan het patroon niet verbreken, omdat het dit zelf gescha­pen heeft.

Een nieuw feit kan niet gezien worden door het denken. Het kan later door het denken begrepen worden, letterlijk, maar het begrijpen van een nieuw feit is geen werkelijkheid voor het denken. Het denken kan geen enkel psychologisch probleem ooit oplossen. Hoe knap, hoe listig, hoe geleerd, en hoe de structuur dan ook is van wat het denken schept door de wetenschap, door een electronisch brein, door dwang of uit noodzaak, het denken is nooit nieuw en daarom kan het geen enkele grote vraag beantwoorden. Het oude brein kan het enorme probleem van het leven niet oplossen.

J

Het denken is slinks, omdat het van alles kan verzinnen en dingen ziet die er niet zijn. Het kan de meest ongewone truc­jes uithalen en daarom kan men zich er niet op verlaten. Maar als je de gehele structuur begrijpt van hoe je denkt, waarom je denkt, de woorden die je gebruikt, de wijze waarop je je gedraagt in het dagelijks leven, de manier waarop je praat met de mensen, de wijze waarop je ze behandelt, hoe je loopt, hoe je eet — als je je van al deze dingen bewust bent, dan zal je geest je niet misleiden, dan valt er niets te misleiden. Dan is de geest niet iets dat eist, dat onderdrukt; hij wordt uitzon­derlijk rustig, plooibaar, gevoelig, alleen, en in die staat be­staat er geen enkele misleiding.

Heeft u ooit opgemerkt, hoe de waarnemer, de denker, het middelpunt, het ‘ik’ er niet meer is, wanneer je in een toe­stand van volledige aandacht verkeert? In die toestand van aandacht begint het denken te verdorren.

Indien men iets helder wil zien, moet de geest zeer rustig zijn, zonder alle vooroordelen, het gekwetter, de dialoog, de beelden, de afbeeldingen — dat alles moet opzij gezet worden om te kijken. Alleen in de stilte kunt u het begin van het den­ken waarnemen — niet als u aan het zoeken bent, vragen stelt of wacht op een antwoord. Dus alleen wanneer u volle­dig stil zijt, door uw gehele wezen heen, na de vraag gesteld te hebben: ‘Wat is het begin van het denken?’, begint u te zien, — vanuit de stilte —, hoe het denken vorm aanneemt.

Indien u beseft hoe het denken ontstaat, behoeft u het den­ken niet in bedwang te houden. We geven veel tijd en verspil­len veel energie gedurende ons hele leven en niet alleen op school, aan de poging onze gedachten in bedwang te houden. ‘Dit is een goede gedachte, daar moet ik veel over denken. Dit is een lelijke gedachte, die moet ik onderdrukken’. Steeds is er een strijd gaande tussen de ene gedachte en de andere, het ene verlangen en het andere, het ene genoegen dat alle andere genoegens overheerst. Maar als er een besef is van de oor­sprong van het denken, bestaat er geen tegenstrijdigheid in.

Wanneer u een uitspraak hoort als ‘Het denken is altijd oud’, of ‘Tijd is smart’, begint het denken dit te vertalen en er een uitleg aan te geven. Maar de vertaling en de interpretatie be­rusten op de kennis en de ervaring van gisteren, dus zult u het zonder uitzondering vertalen naar uw bepaald-zijn. Als u echter kijkt naar deze uitspraken en er helemaal geen uitleg aan geeft, maar ze alleen volledige aandacht schenkt (geen concentratie), dan zult u ontdekken dat er geen waarnemer, noch het waargenomene, geen denker, noch de gedachte is.

Zeg niet: ‘Wat begon het eerste?’ Dat is een handig argument dat nergens toe leidt. U kunt in uzelf waarnemen dat er, zo­lang er geen gedachten zijn, — hetgeen niet betekent een staat van geheugenverlies, van wezenloosheid — zolang er geen gedachten zijn, voortgekomen uit herinnering, ervaring of kennis, die alle tot het verleden behoren, er helemaal geen denker is. Dit is geen filosofische of mystieke zaak. We heb­ben het over werkelijke feiten en je zult zien dat u als u zover op deze reis bent gekomen, op een uitdaging zult ingaan, niet met het oude brein, maar geheel anders.


                                                                                           14.

De Lasten van Gisteren — De Rustige Geest — Communicatie — Verwerving — Discipline — Stilte— Waarheid en Werkelijkheid


In het leven dat wij meestal leiden komt zeer weinig een­zaamheid voor. Zelfs als we alleen zijn, zijn onze levens stamp­vol invloeden, kennis, herinneringen, ervaringen, onrust, el­lende en conflict, zodat onze geest steeds doffer wordt, steeds ongevoeliger, functionerend in een eentonige routine>Zijn we ooit alleen? Of dragen we alle lasten van gisteren met ons mee?

Er bestaat een aardig verhaal over twee monniken, die van het ene dorp naar het andere trekkend, een meisje tegenko­men, dat zit te huilen aan de oever van de rivier. Een van de monniken loopt naar haar toe en zegt: ‘Zuster, waarom huil je?’. Zij zegt: ‘Zie je dat huis daar aan de overkant van de rivier? Ik stak vanochtend vroeg de rivier over en had geen moeite bij het doorwaden, maar nu is zij zo gezwollen dat ik niet terug kan. Er is geen boot.’ ‘O’, zegt de monnik, ‘maar dat is helemaal geen probleem’, en hij pakt haar op en draagt haar de rivier over en zet haar op de andere oever neer. De twee monniken trekken verder. Na enige uren zegt de andere monnik: ‘Broeder, we hebben een gelofte afgelegd dat we nooit een vrouw zullen aanraken. Wat je gedaan hebt is een vreselijke zonde. Vond je het niet prettig, een grote sensatie, een vrouw aan te raken?’, en de andere monnik antwoordt: ‘Ik liet haar twee uur geleden achter. Jij draagt haar nog altijd, is het niet?’Dat is nu wat wij doen. We dragen altijd onze lasten mee; nooit sterven we voor ze; we laten ze nooit achter. Alleen wanneer we onze volledige aandacht schenken aan een pro­bleem en het ogenblikkelijk oplossen — het nooit meedragen naar de volgende dag, de volgende minuut — is er eenzaam­heid. Dan, ook al wonen we in een huis vol mensen of zitten we in een bus, kennen we eenzaamheid. En die eenzaamheid wijst op een frisse, een schuldeloze geest.

Innerlijke eenzaamheid en ruimte zijn zeer belangrijk, omdat ze vrijheid tot zijn, tot gaan, tot functioneren, tot vliegen in zich sluiten. Tenslotte kan goedheid slechts bloeien in ruimte, zoals de deugd alleen kan bloeien als er vrijheid is. We heb­ben misschien politieke vrijheid, maar innerlijk zijn we niet vrij en daarom is er geen ruimte. Geen deugd, geen hoedanig­heid die de moeite waard is, kan functioneren of groeien zon­der deze uitgestrekte ruimte in onszelf. Ruimte en stilte zijn nodig, want alleen als de geest alleen is, onbeïnvloed, onge­oefend, niet vastgehouden door oneindig veel soorten van ervaring, kan hij iets volkomen nieuws vinden.

Men kan direct zien dat de mogelijkheid tot klaarheid al­leen bestaat als de geest stil is. Het enige doel van de medita­tie in het Oosten is om deze geestestoestand teweeg te bren­gen — d.w.z. het beheersen van het denken; wat hetzelfde is als het voortdurend herhalen van een gebed om de geest tot rust te brengen, in de hoop dat men in die toestand zijn pro­blemen zal begrijpén. Maar tenzij men het fundament legt, dat is het vrijzijn van vrees, van smart, onrust en alle andere val­strikken die men voor zichzelf spant, zie ik niet in hoe het mogelijk is dat de geest werkelijk rustig wordt. Dit is een van de moeilijkste dingen om over te brengen. Communicatie tus­sen ons sluit immers in dat je niet alleen de woorden die ik gebruik moet begrijpen, maar dat wij beiden, u en ik, tegelijk intens moeten zijn, niet een ogenblik later of vroeger, en in staat zijn elkaar op hetzelfde plan te ontmoeten? En deze com­municatie is onmogelijk wanneer u wat u leest uitlegt volgens uw eigen kennis, eigen genoegen of meningen; of wanneer u zich geweldig inspant om het te begrijpen.

Het schijnt mij toe, dat deze voortdurende strijd om iets te bereiken, iets te verwerven een van de grootste hinderpalen in het leven is. We worden vanaf onze kindsheid geoefend in het verwerven, bereiken — zelfs de hersencellen-zelf scheppen en eisen dit patroon, opdat ze physieke zekerheid zullen hebben, maar psychologische zekerheid bestaat niet op dit gebied. We willen zekerheid in al onze relaties, houdingen en handelin­gen, maar zoals we reeds zagen, er bestaat niet zoiets als ze­kerheid. Voor jezelf ontdekken dat er in geen enkele relatie enige vorm van zekerheid bestaat — je realiseren dat er psy­chologisch niets van blijvende aard bestaat — geeft een ge­heel andere benadering van het leven. Het is natuurlijk essen­tieel om uiterlijke zekerheid te hebben — onderdak, kleren, voedsel — maar die uiterlijke zekerheid wordt vernietigd door het willen van psychologische zekerheid.

Ruimte en stilte zijn nodig om buiten de begrenzingen van het bewustzijn te komen, maar hoe kan een geest die zo ein­deloos actief is wat zijn zelf-interesse betreft, stil zijn? Men kan hem disciplineren, beheersen, vormen, maar zulke folte­ringen maken de geest niet rustig, ze maken hem alleen maar dof. Het ligt voor de hand dat het louter najagen van het ideaal: een kalme geest, waardeloos is, omdat de geest hoe meer men die forceert, des te bekrompener wordt, des te meer stagneert. Uit controle in welke vorm ook, zoals onderdruk­king, komt enkel conflict voort. Dus controle en uiterlijke discipline zijn niet de aangewezen weg, noch heeft een onge­disciplineerd leven enige waarde.

Het grootste deel van onze levens wordt uiterlijk gedisci­plineerd door de eisen die de maatschappij, de familie stellen, door ons eigen lijden, onze eigen ervaring, doordat we ons schikken naar bepaalde ideologische of feitelijke patronen — en die vorm van discipline is de meest dodelijke. Discipline moet geen controle, geen onderdrukking, geen enkele vorm van vrees kennen. Hoe kan deze discipline tot stand komen? Niet door haar voorop te plaatsen en dan pas de vrijheid; vrij­heid is er aan het begin, niet aan het eind. Deze vrijheid be­grijpen, de vrijheid om zich te voegen naar de discipline, is op zichzélf discipline. De daad van het leren zelf is discipline (tenslotte is de oorspronkelijke betekenis van het woord dis­cipline: leren); de daad van het leren wordt helderheid. Om de ganse aard en structuur van beheersing, onderdrukking en uitspatting te begrijpen is aandacht nodig. U behoeft zich geen discipline op te leggen om haar te bestuderen, maar de daad van het bestuderen zelf brengt haar eigen discipline voort, waarin geen onderdrukking te vinden is.

Om gezag te kunnen afwijzen (we spreken over psychologisch gezag, niet over het gezag van de wet) — om het gezag van alle religieuze organisaties, tradities en ervaringen te kunnen afwijzen, moet men inzien waarom men gewoonlijk gehoor­zaamt — dient men dit werkelijk te bestuderen. En om het te bestuderen moet men vrij zijn van veroordeling, rechtvaardi­ging, mening of aanvaarding. We kunnen nu eenmaal niet het gezag aanvaarden en het toch bestuderen — dat is onmogelijk. Om de ganse psychologische structuur van het gezag in ons­zelf te kunnen bestuderen, moet er vrijheid zijn. Als we het bestuderen wijzen we de ganse structuur af en wanneer we die afwijzen is dat juist het licht van de geest die vrij is van gezag. Afwijzing van alles wat wij waardevol geacht hebben, zoals uiterlijke discipline, leiderschap, idealisme is het bestu­deren daarvan; dan is die daad van bestuderen niet alleen dis­cipline maar ook de afwijzing ervan, en juist die afwijzing is een positieve handeling. We verwerpen dus alles wat belang­rijk geacht wordt, om de rust van de geest te bewerkstelligen.

Zo zien we dus, dat beheersing geen rust brengt. Evenmin is de geest rustig als hij een zo boeiend onderwerp heeft, dat

hij erin verzonken raakt. Het is net alsof je een kind een inte­ressant stuk speelgoed geeft; het wordt zeer rustig, maar zo­dra je het speelgoed wegneemt, gaat het weer kattekwaad uit halen. Wij allen hebben ons speelgoed dat ons boeit en we denken dat we heel rustig zijn, maar als een mens zich wijdt aan een bepaalde vorm van activiteit, wetenschappelijk, lite­rair of wat dan ook, boeit dat speelgoed hem alleen maar, en hij is helemaal niet werkelijk rustig.

De enige stilte die wij kennen is de stilte wanneer het lawaai ophoudt, de stilte wanneer het denken eindigt — maar dat is geen stilte. Stilte is iets volkomen anders, zoals schoonheid of liefde. En deze stilte is niet het product van een rustige geest, niet van de hersencellen die de gehele structuur begrepen heb­ben en zeggen ‘Wees toch in God’s naam rustig’; dan brengen de hersencellen zelf de stilte voort en dat is geen stilte. Even­min is stilte het resultaat van de aandacht, waarin de waar­nemer het waargenomene is; dan is er geen wrijving, maar dat is geen stilte.

U verwacht nu dat ik beschrijven zal wat deze stilte is, zo­dat u haar kunt vergelijken, verklaren, meenemen en begra­ven. Ze kan niet beschreven worden. Wat beschreven kan worden is het bekende, en vrijzijn van het bekende kan slechts ontstaan, wanneer er elke dag een sterven is voor het beken­de, de letsels, de vleierijen, alle beelden die u hebt gevormd, alle ervaringen — iedere dag een sterven, zodat de hersen­cellen zelf fris, jong en argeloos worden. Die argeloosheid echter, die frisheid, die hoedanigheid van tederheid en zacht­heid, brengt geen liefde voort; het is niet de hoedanigheid van schoonheid of stilte.

Die stilte, welke niet de stilte is van het eindigen van ru­moer, is slechts een klein begin. Het is alsof men door een klein gaatje komt in een enorme, wijde, uitgestrekte oceaan, tot een onmeetbare, tijdeloze staat. U kunt dit echter niet woordelijk begrijpen, tenzij u de ganse structuur van het be­wustzijn en de betekenis van genoegen, smart en wanhoop heeft begrepen en de hersencellen zelf tot rust zijn gekomen. Misschien stuit u dan op dat mysterie dat niemand u kan openbaren en door niets vernietigd kan worden. Een levende geest is een stille geest; een levende geest is een geest die geen middelpunt heeft en dus geen ruimte en tijd. Zo’n geest heeft geen grenzen en dat is de enige waarheid, dat is de enige werkelijkheid.

                                                                                            15.

Ervaring — Voldoening — Tweeslachtigheid — Meditatie

Wij allen willen de een of andere ervaring — de mystieke ervaring, de religieuze ervaring, de sexuele ervaring, de erva­ring verbonden aan het bezit van een massa geld, macht, posi­tie, overheersing. Als we ouder worden, hebben onze physie- ke begeerten misschien afgedaan, maar dan verlangen we gro­tere, diepere en betekenisvoller ervaringen, en we nemen al­lerlei middelen te baat om die te verkrijgen — door verrui­ming van ons bewustzijn bijvoorbeeld, wat een kunst op zich­zelf is, of door het gebruik van diverse soorten stimulerende middelen. Dit is een oud trucje, dat al sinds onheuglijke tijden bestaat — het kauwen op een blad, of het experimenteren met het nieuwste chemische product om een tijdelijke verandering in de structuur van de hersencellen te veroorzaken, een groter gevoeligheid en verhoogde waarneming, welke een schijn van werkelijkheid geven. Dit verlangen naar steeds meer ervarin­gen toont de innerlijke armoede van de mens. Wij menen dat we door ervaringen onszelf kunnen ontvluchten maar deze ervaringen worden bepaald door wat wij zijn. Als de geest op­pervlakkig, jaloers, onrustig is, kan hij het nieuwste stimule­rende middel nemen, maar zal alleen zijn eigen kleine schep­ping zien, zijn eigen kleine projectie van een eigen bepaalde achtergrond.

De meesten van ons verlangen absoluut bevredigende, blij­vende ervaringen die niet door het denken vernietigd kunnen worden. Achter dit verlangen naar ervaringen staat dus het verlangen naar voldoening en dit verlangen naar voldoening dicteert de ervaring en daarom moeten we niet alleen deze kwestie van voldoening, maar ook wat ervaren wordt, in zijn geheel begrijpen. Een of andere grote voldoening hebben is een groot genoegen, hoe duurzamer, dieper en wijder de erva­ring, hoe plezieriger, dus het genoegen dicteert de vorm van de ervaring die we verlangen en genoegen is de maat waarmee we de ervaring meten. Alles wat gemeten kan worden, valt binnen de grenzen van het denken en leidt licht tot het schep­pen van illusies. Men kan wonderbaarlijke ervaringen hebben en toch volkomen misleid worden. Je zult onvermijdelijk vi­sioenen zien, die overeenstemmen met je bepaaldheid; je zult Christus zien of Boeddha of in wie je dan ook geloven mag en hoe sterker je gelooft, hoe sterker je visioenen zullen zijn, de projecties van je eigen verlangens en drijfveren.

Als bij het zoeken naar iets fundamenteels, zoals wat waar­heid is, genoegen dus de maatstaf is, heb je reeds geprojec­teerd wat die ervaring zal zijn en daarom is ze dus van geen waarde meer.

Wat bedoelen we met ervaring? Is er iets nieuws of origineels in ervaring? Ervaring is een bundel herinneringen die een antwoord zijn op een uitdaging en ze kan slechts antwoorden overeenkomstig haar achtergrond, en hoe knapper je bent in het verklaren van de ervaring, hoe meer zij reageert. Je moet dus niet alleen twijfelen aan de ervaring van een ander, maar ook aan die van jezelf. Indien je een ervaring niet herkent, is het helemaal geen ervaring. Elke ervaring is al eens ervaren, anders zou je haar niet herkennen. Je herkent een ervaring als een goede, slechte, schone, heilige, enz., overeenkomstig je bepaaldheid, en daarom moet de herkenning van een ervaring onvermijdelijk oud zijn.

Wanneer we een ervaring van de werkelijkheid verlangen — en dat willen we allemaal, nietwaar? — moeten we die, om haar te ervaren, kénnen en op het moment dat we haar her­kennen, hebben we haar al geprojecteerd en daarom is ze niet werkelijk, want ze ligt nog binnen het veld van denken en tijd. Als het denken over de werkelijkheid kan denken, kan ze niet werkelijk zijn. We kunnen een nieuwe ervaring niet her­kennen. Dat is ónmogelijk. We herkennen alleen wat we reeds kenden en daarom is een ervaring, waarvan we zeggen dat zij nieuw is, helemaal niet nieuw. Het streven naar meer ervaring door verruiming van het bewustzijn, zoals dat gedaan wordt door middel van diverse psychedelische stimulerende midde­len, vindt nog plaats binnen het gebied van het bewustzijn, en is daardoor nog zeer begrensd.

We hebben dus een fundamentele waarheid ontdekt, name­lijk dat de geest die nog zoekt en hunkert naar groter en die­per ervaring zeer oppervlakkig en suf is, omdat hij altijd met zijn herinneringen leeft.

Wat zou er nu met ons gebeuren als we helemaal geen erva­ring hadden? Wij zijn afhankelijk van ervaringen, van uitda­gingen, om ons wakker te houden. Als er geen conflicten in onszelf bestonden, geen veranderingen, geen verstoringen, zouden we allen diep in slaap zijn. Uitdagingen zijn dus voor de meesten van ons nodig; we menen dat door het ontbreken ervan onze geest dom en zwaar zou worden en daarom zijn we afhankelijk van een uitdaging, een ervaring, om ons meer op­winding te geven, meer intensiteit, en ter scherping van onze geest. In feite echter maakt deze afhankelijkheid van uitda­gingen en ervaringen om ons wakker te houden, onze geest alleen maar stomper — ze houdt ons in werkelijkheid hele­maal niet wakker. Ik vraag me dus af of het mogelijk is om klaar wakker te blijven, niet op enkele punten aan de buiten­rand van mijn wezen, maar geheel en al wakker, zonder enige uitdaging of ervaring? Dit vraagt een grote gevoeligheid, zo­wel lichamelijk als psychologisch; het betekent dat ik vrij moet zijn van alle verlangens, want op het moment dat ik iets eis, zal ik ervaren. En vrij zijn van verlangens en voldoening maakt zelfonderzoek noodzakelijk en inzicht in de gehele aard van verlangen.Het verlangen geboren uit tweeslachtigheid: ‘Ik ben onge­lukkig en moet gelukkig zijn’. Juist dit gelukkig willen zijn maakt ongelukkig. Wanneer men zich uitslooft om goed te zijn, bevindt zich in die goedheid het tegendeel, het kwaad. Alles wat bevestigd wordt, houdt zijn eigen tegendeel in, en de inspanning om het te overwinnen versterkt datgene waar­tegen heringaat. Wanneer je een ervaring van waarheid of werkelijkheid wilt, ontstaat dit verlangen zelf uit uw onte­vredenheid met wat is en daarom schept dit willen het tegen­deel. En in het tegendeel zit wat geweest is. Men moet dus vrij zijn van dit aanhoudende willen, anders komt er nooit een einde aan deze gang van dualiteit. Dit betekent jezelf zo vol­ledig kennen, dat de geest niet langer meer zoekt.

Zo’n geest wil geen ervaring; hij kan niet vragen om een uitdaging of weten wat een uitdaging is; hij zegt niet: ‘Ik slaap’, of: ‘Ik ben wakker’. Hij is volledig wat hij is. Alleen de gefrustreerde, bekrompen, oppervlakkige, en bepaalde geest zoekt altijd naar meer. Is het dan mogelijk in deze we­reld te leven zonder dat meer — zonder dat eeuwigdurend vergelijken? Ja toch? Ieder moet dat voor zichzelf ontdekken.

Navorsing van deze hele kwestie is meditatie. Dit woord wordt zowel in het Oosten als in het Westen hoogst ongeluk­kig gebezigd. Er zijn verschillende scholen van meditatie, ver­schillende methoden en systemen. Er zijn systemen, die zeg­gen: ‘Kijk naar de beweging van je grote teen, kijk, kijk, kijk . . .’; andere systemen bepleiten het zitten in een bepaal­de houding, regelmatig ademhalend, of het beoefenen van ge- waar-zijn. Dit alles is volslagen mechanisch. Een andere me­thode geeft je een bepaald woord en zegt dat wanneer je het aan één stuk door herhaalt, je een of andere buitengewone bovenzinnelijke ervaring zult krijgen. Dat is klinkklare onzin. Het is een vorm van zelf-hypnose. Door eindeloze herhaling van de woorden Amen, of Om, of Coca-Cola, zul je vanzelf­sprekend een zekere ervaring hebben, want de geest wordt rustig door herhaling. Het is een welbekend verschijnsel dat al duizenden jaren in Indië beoefend wordt — Mantra Yoga wordt het genoemd. Door herhaling kan men de geest er toe brengen vriendelijk en zacht te zijn, maar ook dan blijft het nog een kleinzielige, pronkerige, kleine geest. U zou net zo goed een stuk hout, dat u in de tuin hebt opgeraapt, op de schoorsteenmantel kunnen leggen en het elke dag een bloem geven. Na een maand zult u het dan aanbidden en geen bloem erbij zetten wordt een zonde.

Meditatie volgt geen enkel systeem; ze is geen voortduren­de herhaling en imitatie. Meditatie is geen concentratie. Het is een geliefkoosde opening van sommige leraren in meditatie erop te staan dat hun leerlingen concentratie leren — d.w.z., de geest op een gedachte richten en alle andere gedachten uit­drijven. Dit is bijzonder dom en lelijk en iets wat elke school­jongen kan, omdat hij er toe gedwongen wordt. Het betekent dat er de hele tijd een strijd in u gaande is tussen de drang om te concentreren enerzijds, en uw geest anderzijds die afdwaalt naar allerlei andere dingen, terwijl u eigenlijk aandacht zou moeten hebben voor elke beweging van de geest, waarheen die ook afdwaalt. Wanneer uw geest afdwaalt, betekent het, dat u geïnteresseerd is in iets anders.

Meditatie vereist een verbazingwekkend waakzame geest; meditatie is het begrijpen van de totaliteit van het leven, waarin elke vorm van verbrokkeling heeft opgehouden. Medi­tatie is geen gedachten-beheersing, want wanneer het denken wordt beheerst, kweekt het een conflict in de geest, maar als u de structuur en de oorsprong van het denken begrijpt, waar we ons al mee bezig hebben gehouden, dan zal het denken niet tussenbeide komen. Ditzelfde begrijpen van de structuur van het denken is mede haar eigen discipline en dat is medi­tatie.

Meditatie is gewaar zijn van elke gedachte en van elk ge­voel, nooit zeggen dat iets goed of verkeerd is, maar het gade­slaan en ermee bewegen. Onder dat gadeslaan begint u de gehele beweging van denken en gevoel te begrijpen. En door dit gewaar-zijn komt de stilte. De stilte, die door het denken in elkaar gezet wordt staat stil, is dood, maar de stilte, die ontstaat als het denken zijn eigen begin heeft begrepen, zijn eigen aard kent, heeft begrepen hoe alle denken nooit vrij is, maar altijd oud — deze stilte is meditatie, waarin de medite­rende volkomen afwezig is, want de geest heeft zich van het verleden ontdaan.

Indien u dit boek een heel uur lang vol aandacht hebt ge­lezen, is dat meditatie. Indien u slechts een paar woorden hebt opgepikt en enkele denkbeelden verzameld om er later nog eens over te denken, dan is het niet langer meditatie. Medi­tatie is een geestestoestand, die met volledige aandacht naar alles kijkt, totaal, niet alleen naar gedeelten ervan. Meditatie is een van de grootste kunsten in het leven — misschien wel de grootste, en men kan het onmogelijk van een ander leren, dat is het mooie ervan. Zij heeft geen techniek en daarom ook geen gezag. Wanneer u iets omtrent uzelf leert, uzelf gade­slaat, kijkt hoe u loopt, hoe u eet, wat u zegt, het geroddel, de haat, de jalouzie — als u dit alles in uzelf gewaar is, zonder enige keus, dan is dat een deel van meditatie.

U kunt dus mediteren als u in een bus zit, of in het bos vol licht en schaduwen wandelt, of luistert naar het zingen der vogels, of kijkt naar het gezicht van vrouw of kinderen.

In het begrijpen van meditatie is liefde en liefde is geen product van systemen, van gewoonten, van het volgen van een methode. Liefde kan niet door het denken aangekweekt worden. Misschien kan liefde geboren worden als er volledige stilte is, een stilte waarin de mediterende geheel afwezig is, en de geest kan alleen stil zijn, wanneer hij zijn eigen bewe­ging, als denken en voelen, onderkent. Om deze beweging van het denken en voelen te begrijpen, kan er geen veroordeling zijn bij het gadeslaan. Waarnemen op deze wijze is discipline, en deze soort discipline is vloeiend, vrij, niet de discipline van de onderwerping.

                                                                                            16.

Totale revolutie — De Religieuze Geest — Energie — Hartstocht


Waar wij ons in dit boek steeds mee bezig gehouden heb­ben, is in onszelf en daardoor in onze levens een totale revo­lutie, een algehele omwenteling teweeg te brengen, die niets, maar dan ook niets, van doen heeft met de structuur van de maatschappij als zodanig. De maatschappij zoals zij is, is een afschrikwekkend ding met haar eindeloze agressieve oorlogen, of die agressie nu verdedigend of aanvallend van aard is. Wat we nodig hebben, is iets totaal nieuws — een omwenteling, een mutatie in de psyche zelf. Het oude brein is Aziatisch, Europees, Amerikaans of Afrikaans, zodat we onszelf afvra­gen of het werkelijk mogelijk is een mutatie in de hersencellen zelf teweeg te brengen.

Laten we onszelf nogmaals afvragen, nu we onszelf beter zijn gaan begrijpen, of een menselijk wezen, dat een gewoon alledaags leven leidt, in deze wrede, gewelddadige, onbarm­hartige wereld — een wereld, die hoe langer hoe efficiënter wordt en daardoor hoe langer hoe onbarmhartiger — een om­wenteling teweeg kan brengen niet alleen in zijn betrekkingen tot de buitenwereld, maar in het gehele gebied van zijn den­ken, voelen, handelen en reageren?

Elke dag zien of lezen we over de afschuwelijke dingen die in de wereld gebeuren als gevolg van gewelddadigheid in de mens. U zegt misschien: ‘Ik kan daar niets aan doen’, of ‘Hoe kan ik de wereld beïnvloeden?’ Ik denk dat u de wereld ge­weldig kunt beïnvloeden als u in uzelf niet gewelddadig zijt,als u daadwerkelijk elke dag een vreedzaam leven leidt — een leven dat geen wedijver is, geen eerzucht, geen ijverzucht kent — een leven dat geen vijandschap verwekt. Kleine vuur­tjes kunnen aanwakkeren tot laaiende branden. We hebben de wereld tot haar huidige chaotische staat gebracht door ons zelf-middelpuntig handelen, door onze vooroordelen, onze haat, ons nationalisme en als we zeggen dat we er niets aan kunnen doen, aanvaarden we de wanorde in onszelf als on­vermijdelijk. We hebben de wereld in stukjes versplinterd en als we zelf gebroken worden, verbrokkeld, zal ook onze be­trekking met de wereld worden gebroken. Als we echter vol- lédig handelen, dan zal onze relatie tot de wereld een gewel­dige omwenteling ondergaan.

Tenslotte moet elke beweging die de moeite waard is, elke handeling die diepe betekenis heeft, beginnen bij ieder van ons. Ik moet eerst veranderen; ik moet zien wat de aard en de structuur van mijn relatie tot de wereld is — en in dat zien zelf ligt het doen; daarom breng ik als menselijk wezen dat in deze wereld leeft, een andere hoedanigheid teweeg en die hoedanigheid, schijnt het mij toe, is die van een religieuze geest.

De religieuze geest is iets geheel anders dan de geest die in godsdienst gelooft. Je kunt niet religieus zijn en ook een Hindu, een Moslim, een Christen, een Buddhist. Een religieu­ze geest zoekt helemaal niet, hij kan niet experimenteren met de waarheid. Waarheid is niet iets dat voorgeschreven wordt door je genoegen of pijn, of door je bepaaldheid als Hindu, of tot welke godsdienst je ook behoort. De religieuze geest be­vindt zich in een geestestoestand waarin geen vrees bestaat en daardoor geen gevoel van zekerheid, wanneer dan ook. Het is een geestestoestand waarin hoegenaamd geen geloof is, maar alleen wat iswat werkelijk is.

In de religieuze geest huist die toestand van stilte die we reeds onderzocht hebben en die niet door het denken wordt voortgebracht, maar het resultaat is van gewaar-zijn, wat meditatie is als de mediterende volkomen afwezig is. In die stilte bestaat een toestand van energie waarin geen conflict is. Energie is handeling en beweging. Alle handeling is bewe­ging en alle handeling is energie. Alle verlangen is energie. Het gehele leven is energie. Indien men die energie laat stro­men zonder tegenwerking, zonder enige wrijving, zonder enig conflict, dan is die energie grenzeloos, eindeloos. Als er geen wrijving is, zijn er geen grenzen aan de energie. Het is wrij­ving die de energie beperkt. Waarom dan brengt het mense­lijk wezen na dit alles geconstateerd te hebben, altijd wrijving in de energie? Waarom schept hij wrijving in deze beweging die we leven noemen? Is zuivere energie, energie zonder gren­zen, slechts een denkbeeld voor hem? Heeft het geen werke­lijkheid?

We hebben energie nodig niet alleen om een totale omwente­ling in onszelf tot stand te brengen, maar ook om te kunnen onderzoeken, te kijken, te handelen. Zolang er enige soort wrijving bestaat in een van onze verhoudingen, hetzij tussen man en vrouw, tussen de ene mens en de andere, tussen de ene gemeenschap en de andere en tussen het ene land en het andere, of de ene ideologie en de andere — als er een inner­lijke wrijving optreedt of een uiterlijk conflict, hoe subtiel ook — dan is er verspilling van energie.

Zolang er een tijdsinterval is tussen waarnemer en het waargenomene, schept dat wrijving en dus een verspilling van energie. Die energie is tot op haar hoogste punt gebracht als de waarnemer het waargenomene is, en dan is er in ’t geheel geen tijdsinterval. Dan zal er energie zijn zonder motief en die energie zal haar eigen kanaal van actie vinden, omdat dan het ‘ik’ niet bestaat.

We hebben een geweldige hoeveelheid energie nodig om de verwarring waarin we leven te begrijpen en het gevoel ‘Ik moet het begrijpen’ brengt de vitaliteit voort om er achter te komen. Maar iets aan de weet komen, iets zoeken, vergt tijd en zoals we hebben gezien is het langzamerhand losmaken van de bepaaldheid van de geest niet de goede weg. Tijd is de weg niet. Of we nu jong of oud zijn, nu kan het ganse levens­proces in een andere dimensie worden gebracht. Het tegen­deel zoeken van wat wij zijn is ook niet de weg, noch de kunst­matige discipline van een systeem, een leraar, een filosoof of priester — dit alles is heel kinderachtig. Als we ons dit reali­seren, vragen we onszelf af of het mogelijk is om de zware bepaaldheid van eeuwen her, onmiddellijk te doorbreken, zon­der in een andere te vervallen — om vrij te zijn, zo, dat de geest volkomen nieuw kan zijn, gevoelig, levend, bewust, in­tens, bekwaam? Dat is ons probleem. Er is geen ander pro­bleem, omdat de geest als hij vernieuwd wordt, elk probleem kan aanpakken. Dat is de enige vraag die we onszelf behoeven te stellen.

Maar we vragen niet. We willen dat het ons verteld wordt. Een van de merkwaardigste dingen in de structuur van onze psyche is, dat we allen willen dat het ons verteld wordt, om­dat wij het resultaat zijn van tienduizenden jaren propaganda. We willen ons denken bevestigd en versterkt zien door een ander, terwijl een vraag stellen betekent de vraag aan jezelf stellen. Wat ik zeg heeft weinig waarde. U zult het vergeten zodra u dit boek sluit of u zult u bepaalde gezegden herinne­ren en herhalen, of u zult wat u gelezen heeft met een ander boek vergelijken, maar u gaat niet oog in oog staan met uw eigen leven. En dat is het enige waar het op aankomt — uw leven, uzelf, uw kleinzieligheid, uw oppervlakkigheid, uw wreedheid, uw geweld, uw hebzucht, uw ambities, uw dage­lijkse ellende en eindeloze smart — dat is wat u begrijpen moet en niemand op deze aarde of in de hemel zal u daarvan redden dan uzelf.

Indien u ziet wat zich in uw dagelijks leven, uw dagelijkse activiteiten afspeelt — wanneer u een pen opneemt, wanneer u praat, wanneer u uit rijden gaat, of wanneer u alleen in het bos wandelt — kunt u dan in één ademtocht, met één blik uzelf kennen, eenvoudigweg zoals u inderdaad bent? Wan­neer u uzelf kent zoals u is, dan begrijpt u de gehele structuur van ’s mensen streven, zijn teleurstellingen, zijn huichelarijen, zijn zoeken. Om dit te kunnen doen moet u geweldig eerlijk zijn met uzelf, door uw gehele wezen. Wanneer u handelt vol­gens uw principes is u oneerlijk, omdat wanneer u handelt volgens wat u denkt dat u zou moeten zijn, u niet is wat u bent. Het is een vreselijk iets idealen te hebben. Indien u idealen hebt, meningen of principes, kunt u onmogelijk direct naar uzelf kijken. Kunt u dus geheel negatief, geheel rustig zijn, niet denkend, noch angstig, en toch uitzonderlijk, harts­tochtelijk levend zijn?

De geestestoestand waarin het niet langer mogelijk is er­gens naar te streven, is de waarlijk religieuze geest en in die geestestoestand zoudt u datgene, wat waarheid, of werkelijk­heid of zaligheid of God of schoonheid of liefde genoemd wordt, kunnen tegenkomen. Het kan niet uitgenodigd, niet opgezocht worden, omdat de geest te onnozel is, te klein, uw gevoelens te onecht, uw manier van leven te verward om die grootheid, dat geweldige iets, in uw kleine huis te nodigen, in uw kleine, platgetrapte en bespuwde levenshoekje. U kunt het niet uitnodigen. Om het uit te nodigen moet u het kennen en u kunt het niet kennen. Het doet er niets toe wie het zegt, maar wie zegt: ‘Ik ken het’, kent het niet. Op het moment dat u zegt het gevonden te hebben, heeft u het niet gevonden. Indien u zegt dat u het ervaren heeft, heeft u het nooit erva­ren. Dit zijn allemaal manieren om een ander — uw vriend of uw vijand — uit te buiten.

Men vraagt zichzelf af of het dan mogelijk is dit iets tegen te komen zonder het uit te nodigen, zonder te wachten, zon­der te zoeken of te onderzoeken — dat het er zomaar opeens is, als een koeltje dat binnenkomt als je het raam openlaat? Je kurjt de wind niet uitnodigen, maar je moet het raam open­laten, wat niet betekent, dat je in een toestand van afwachten bent; dat is een andere vorm van misleiding. Het betekent ook niet dat je je moet openstellen om iets te ontvangen; dat is een andere vorm van denken.

Heeft u zich ooit afgevraagd, waarom menselijke wezens dit moeten ontberen? Ze verwekken kinderen, ze hebben sex, tederheid, de kwaliteit om samen iets te delen in kameraad­schap, in vriendschap, in broederschap — waarom hebben ze dit dan niet? Heeft u zich ooit wel eens op uw gemak afge- vraagd als u, in uw eentje wandelend, door een morsige straat liep, of in een bus zat, of met vakantie aan zee was, of in een bos wandelde vol vogels, bomen, stroompjes en wilde dieren — is u er ooit toe gekomen u af te vragen, waarom de mens, die miljoenen en miljoenen jaren geleefd heeft, dat ene ding niet bezit, deze buitengewone, nooit verwelkende bloem? Waarom is het dat u als menselijk wezen, zo bekwaam, zo knap, zo listig, zo wedijverig, met die wonderbaarlijke tech­niek, die naar de maan reist en naar het binnenste der aarde en naar de bodem der zee, het verbazingwekkende electroni- sche brein uitvindt — waarom is het dat u niet dit éne, waar het op aankomt, bezit? Ik weet niet of u ooit al eens ernstig onder ogen hebt gezien, waarom uw hart leeg is?

Wat zou uw antwoord zijn wanneer u zichzelf deze vraag stelde — uw direct antwoord zonder enige dubbelzinnigheid of slimheid? Uw antwoord zou in overeenstemming zijn met de intensiteit, waarmee u de vraag stelde en de dringende noodzaak ervan. U bent echter niet intens, noch spoedeisend en dat komt omdat u geen energie hebt, de energie die harts­tocht is, en u kunt zonder hartstocht — hartstocht, gedreven door fusie, hartstocht, zonder verholen verlangen, geen enke­le waarheid vinden. Hartstocht is een tamelijk vreesaanjagend iets, omdat u niet weet waarheen die u zal voeren.

Misschien is dus angst de reden, waarom u niet de energie van die hartstocht heeft om voor uzelf te ontdekken, waarom deze hoedanigheid van de liefde u ontbreekt, waarom deze vlam niet in uw hart brandt? Indien u uw eigen geest en hart zorgvuldig hebt onderzocht, zult u weten waarom u haar niet bezit. Indien je met hartstocht tracht te ontdekken waarom je haar niet hebt, zult u weten dat ze er is. Alleen door vol­ledige ontkenning, wat de hoogste vorm van hartstocht is, komt dat wat het positieve is tot leven. Evenmin als nede­righeid kunt u liefde aankweken. Nederigheid komt tot leven, wanneer verwaandheid totaal eindigt — dan zult u nooit we­ten wat nederig-zijn betekent. Wie weet wat nederig-zijn is, is een ijdel mens. Op dezelfde wijze als u uw geest en uw hart, uw zenuwen, uw ogen, uw gehele wezen inzet voor de ontdekking van de gang van het leven, van wat werkelijk is en u nog verder gaat door de volledige, totale ontkenning van het leven dat u nu leeft — komt juist in die ontkenning van dat lelijke, wrede, het andere tot leven. Dat zult u echter nooit weten. Een mens, die weet dat hij stil is, die weet dat hij liefheeft, weet niet wat liefde, weet niet wat stilte is.