Laatste verandering.

17-04-2017

15-05-2016

02-02-2016

14-01-2016

24-12-2015

25-10-2015

22-09-2015

29-01-2015

11-11-2014

23-10-2014

17-10-2014

17-02-2014

15-02-2014

22-12-2013

Dagboek-3 operaties.

Aanvulling op-Je kunt niet.

Krishnamurti.

De mens en zijn evolutie.

Sporen van een verloren kind.

E-mail gesprek aan de deur.

Einstein had het mis.

Beelddenken 1,2,3, en 4.

Inleiding 2.

Differentiatie

Zwartepiet.

Dimensies en Utopia.

De basis van een relatie kiezen.

Is er dan niet anders om.

Als u in het sub menu op een nummer klikt kunt u de mp3 hier boven beluisteren.

Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button Button

Andere uitgaven van Synthese:

van P.D. Ouspensky Op zoek naar het wonderbaarlijke De Vierde weg Tertium Organum Het wonderlijke leven van Iwan Osokin Nieuw model van het heelal

van G.I. Gurdjieff Ontmoetingen met bijzondere mensen Beëlzebubs verhalen aan zijn kleinzoon Het leven is alleen echt wanneer ‘ik ben’ Gurdjieff tot zijn leerlingen

INLEIDING

Sinds enkele jaren ontvang ik een groot aantal brieven van lezers van mijn boeken. Daarin wordt mij telkens weer gevraagd wat ik gedaan heb nadat ik deze boeken had geschreven, die in 1920 en in 1931 in het Engels verschenen, maar die al geschreven waren in 1910 en 1912.

Ik kon die brieven nooit beantwoorden. Alleen een poging daartoe zou al hele boekdelen hebben gevergd. Maar wanneer de schrijvers van die brieven in Londen woonden, waar ik mij in 1921 had gevestigd, nodigde ik hen uit tot lezingencycli die ik speciaal hield om te proberen een antwoord te geven op hun vragen. In die lezingen vertelde ik over wat ik na het schrijven van mijn boeken had ontdekt en wat de richting van mijn werk was.

In 1934 schreef ik vijf inleidende lezingen die een algemene indruk geven van wat ik bezig was te bestuderen, en ook van de lijnen waarlangs een aantal mensen met mij werkte. Dit alles in één, of zelfs in twee of drie lezingen samen te vatten was volkomen onmogelijk. Daarom waarschuwde ik de mensen altijd dat het geen zin had naar één of twee lezingen te komen luisteren, maar dat er tenminste vijf, of liever nog tien lezingen nodig waren om een indruk te krijgen van de oriëntatie van mijn werk. Het houden van deze lezingen is sindsdien voortgezet en

7

gedurende die tijd heb ik ze menigmaal verbeterd en verschillende keren herschreven.

In het algemeen werkte deze opzet mijn inziens bevredigend. De vijf lezingen werden voorgelezen, vaak in mijn aanwezigheid maar ook wel zonder mij. De toehoorders konden vragen stellen en wanneer ze probeerden de aanwijzingen te volgen die hun werden gegeven — deze hadden voornamelijk betrekking op zelfwaarneming en een zekere innerlijke discipline — dan kregen ze al gauw een heel behoorlijk inzicht in waar ik mee bezig was.

Ik zag heel goed in dat vijf lezingen niet voldoende waren; en in de gesprekken die erop volgden, ging ik dieper op het behandelde in en probeerde daarbij mijn toehoorders hun eigen positie met betrekking tot de nieuwe kennis te doen inzien.

Het bleek mij dat voor velen de grootste moeilijkheid was zich te realiseren dat ze werkelijk nieuwe dingen hadden gehoord; dat wil zeggen dingen die ze nooit eerder hadden gehoord. Al formuleerden ze het niet zo voor zichzelf, toch probeerden ze dit altijd in gedachten te ontkennen en hetgeen ze gehoord hadden, wat het ook was, in de hun vertrouwde begrippen te vertalen. Maar daarmee kon ik natuurlijk geen rekening houden.

Ik weet dat het niet makkelijk is zich te realiseren dat men iets nieuws hoort.We zijn zo gewend aan de oude deunen en refreinen dat we al lang geleden de hoop en het geloof hebben opgegeven dat er iets nieuws zou kunnen bestaan. En wanneer we nieuwe dingen horen, houden we ze voor oude, of we denken dat ze in termen van de oude uitgelegd en geïnterpreteerd kunnen worden. Het is inderdaad

8

moeilijk om de mogelijkheid en de noodzaak van hele nieuwe ideeën te begrijpen. Dit vereist een geleidelijke herwaardering van al onze vertrouwde waarden.

Ik kan er niet voor instaan dat u al direct bij het begin nieuwe ideeën te horen zult krijgen, dat wil zeggen ideeën waarvan u nooit eerder hebt gehoord. Maar als u geduld hebt, zult u ze al gauw opmerken. En ik hoop dat u ze dan niet over het hoofd zult zien en niet zult proberen ze op de oude manier te verklaren.

New York, 1945

9

Ik wil het met u hebben over de studie van de psychologie, maar ik moet u waarschuwen dat de psychologie waarover ik spreek sterk verschilt van alles wat u daaronder verstaat.

Om te beginnen moet ik zeggen dat nooit in de geschiedenis de psychologie op een zo laag peil heeft gestaan als tegenwoordig. Zij heeft zozeer elk verband met haar oorsprong en de zin van haar bestaan verloren dat het nu zelfs moeilijk is een definitie te geven van het begrip psychologie, dat wil zeggen te omschrijven wat psychologie is en wat ze bestudeert. En dit ondanks het feit dat er nog nooit in de geschiedenis zoveel psychologische theorieën zijn geweest en er zoveel boeken over psychologie zijn geschreven.

Psychologie wordt wel eens een nieuwe wetenschap genoemd. Dit is volkomen onjuist. Psychologie is misschien wel de oudste wetenschap; helaas echter, in haar meest essentiële eigenschappen, een vergeten wetenschap.

Om te begrijpen hoe psychologie kan worden omschreven, moeten we ons er rekenschap van geven dat ze, behalve in onze tijd, nooit onder haar eigen naam heeft bestaan. Om de een of andere reden werd ze steeds van verkeerde of ondermijnende bedoelingen op godsdienstig, politiek

11

of moreel gebied verdacht, en moest ze haar toevlucht nemen tot allerlei vermommingen.

Gedurende duizenden jaren heeft de psychologie onder de naam van filosofie bestaan. In India worden alle vormen van yoga, die in wezen psychologie zijn, als één van de zes stelsels van filosofie omschreven. De soefi-leringen, die eveneens in hoofdzaak psychologisch zijn, worden als deels religieus en deels metafysisch beschouwd. In Europa werden zelfs nog niet zo lang geleden, tot laat in de negentiende eeuw, veel psychologische werken aangeduid als filosofie. En ondanks het feit dat vrijwel alle aspecten van de filosofie, zoals de logica, de kennisleer, de ethica en de esthetica, betrekking hebben op de werkzaamheid van de menselijke geest of de zintuigen, werd de psychologie als van lagere orde dan de filosofie beschouwd en geacht alleen maar betrekking te hebben op de lagere en minder belangrijke aspecten van de menselijke natuur.

Naast haar bestaan onder de naam van filosofie is de psychologie zelfs gedurende langere tijd met de een of andere godsdienst verbonden geweest. Dit wil niet zeggen dat godsdienst en psychologie ooit een en hetzelfde zijn geweest, of dat het verband tussen godsdienst en filosofie als zodanig werd erkend. Maar er is geen twijfel aan dat vrijwel iedere bekende godsdienst — ik bedoel natuurlijk niet de moderne godsdiensten — de een of andere psychologische lering heeft ontwikkeld die veelal met bepaalde oefeningen was verbonden, zodat de studie van de religie als zodanig heel vaak de studie van de psychologie al insloot.

Men treft veel voortreffelijke werken over de psychologie

12

aan in de orthodoxe literatuur van verschillende landen en tijden. Zo is er bijvoorbeeld een verzameling werken van verschillende schrijvers uit de vroegchristelijke tijd die bekend staat onder de algemene naam ‘Philokalia’ en die in de Grieks-katholieke kerk ook nu nog speciaal voor het onderricht van monniken wordt gebruikt.

Gedurende de tijd dat de psychologie met de filosofie en de godsdienst verbonden was, bestond ze ook in de vorm van kunst. Dichtkunst, toneel, beeldhouwkunst, dans en zelfs architectuur waren middelen om psychologische kennis over te dragen. De gotische kathedralen waren bijvoorbeeld in hun werkelijke betekenis werken over psychologie.

In oude tijden, voordat filosofie, godsdienst en kunst de afzonderlijke vormen hadden aangenomen die we nu kennen, vond de psychologie haar uitdrukking in de mysteriespelen zoals die uit het oude Egypte of het oude Griekenland.

Later, toen de mysteriespelen waren verdwenen, bestond de psychologie in de vorm van symbolische leringen die soms met de godsdienst van de tijdsperiode waren verbonden en soms ook niet, zoals astrologie, alchemie, magie en onder de meer moderne: vrijmetselarij, occultisme en theosofie.

Het is nodig er hier op te wijzen dat alle psychologische stelsels en leerstellingen, zowel die welke openlijk alsook die welke verborgen of in vermomming bestonden of bestaan, in twee hoofdgroepen kunnen worden onderverdeeld.

13

Ten eerste: de stelsels die een mens bestuderen zoals ze hem aantreffen of zoals ze veronderstellen of zich verbeelden dat hij is. De moderne ‘wetenschappelijke’ psychologie, of wat daarvoor doorgaat, behoort tot deze categorie. Ten tweede: de stelsels die een mens niet bestuderen vanuit het gezichtspunt van wat hij is of schijnt te zijn, maar van wat hij kan worden; dat wil zeggen gezien in het licht van zijn mogelijke evolutie.

Deze laatste zijn in werkelijkheid de oorspronkelijke stelsels, of in ieder geval de oudste, en alleen deze kunnen ons de vergeten oorsprong van de psychologie en haar betekenis verklaren.

Wanneer we het grote belang inzien van een studie van de mens vanuit het oogpunt van zijn mogelijke evolutie, zullen we begrijpen dat het eerste antwoord op de vraag: Wat is psychologie? zou moeten zijn: psychologie is de studie van de grondbeginselen, de wetten en de feiten met betrekking tot de mogelijke evolutie van de mens.

In deze lezingen zal ik de psychologie uitsluitend vanuit dit gezichtspunt bespreken.

Onze eerst vraag luidt nu: Wat betekent ‘evolutie van de mens’? En de tweede: Moet voor deze evolutie aan bepaalde voorwaarden worden voldaan?

Wat de gebruikelijke moderne inzichten over de oorsprong van de mens en zijn vroegere evolutie betreft, moet ik al direct opmerken dat deze niet aanvaard kunnen worden. We moeten ons er rekenschap van geven dat we van de oorsprong van de mens niets afweten en geen enkel bewijs hebben van zijn fysieke of geestelijke evolutie.

14

Integendeel, wanneer we de historische mensheid beschouwen, dat wil zeggen de mensheid gedurende de laatste tien- of vijftienduizend jaar, vinden we onmiskenbare aanwijzingen van een hoger menstype, waarvan de aanwezigheid kan worden vastgesteld op grond van de getuigenissen van talloze oude monumenten die de huidige mens niet kan herscheppen of namaken.

Wat de ‘voorhistorische mens’ betreft, of wezens die uiterlijk op de mens lijken maar toch sterk van hem verschillen, en waarvan soms beenderen worden gevonden in afzettingen uit de ijstijd of daarvoor, kunnen we naar alle waarschijnlijkheid aannemen dat deze beenderen afkomstig zijn van een wezen dat volkomen verschillend was van de mens en sinds lang is uitgestorven.

Als we de evolutie van de mens in het verleden ontkennen, moeten we hem ook iedere mogelijkheid van een mechanische evolutie in de toekomst ontzeggen; dat wil zeggen van een evolutie die zich automatisch voltrekt, volgens de wetten van de erfelijkheid en natuurlijke teeltkeus, dus zonder bewuste inspanningen van de mens zelf en zonder dat hij de mogelijkheid van zijn evolutie begrijpt.

Onze basisidee zal zijn dat de mens zoals we hem kennen geen voltooid wezen is; dat de natuur hem slechts tot op een bepaald punt ontwikkelt en het dan aan hemzelf overlaat zich door eigen inspanning en volgens eigen inzicht verder te ontwikkelen, of te leven en te sterven zoals hij geboren werd, ofwel te degenereren en het vermogen tot ontwikkeling te verliezen.

De evolutie van de mens betekent in het eerste geval de

15

ontwikkeling van bepaalde innerlijke eigenschappen en hoedanigheden die gewoonlijk onontwikkeld blijven en niet uit zichzelf kunnen ontwikkelen.

Ervaring en waarneming wijzen uit dat deze ontwikkeling alleen onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, dat ze specifieke inspanningen van de kant van een mens zelf vereist en dat bovendien voldoende hulp nodig is van de zijde van hen die vóór hem soortgelijk werk hebben ondernomen en al een bepaald niveau van ontwikkeling hebben bereikt, of tenminste een zekere kennis van de methoden hebben verworven.

We moeten uitgaan van de idee dat evolutie niet mogelijk is zonder inspanning en evenzeer onmogelijk is zonder hulp.

Vervolgens moeten we begrijpen dat een mens op zijn ontwikkelingsweg een ander wezen moet worden, en we moeten begrijpen wat dat betekent.

Ook moeten we begrijpen dat niet alle mensen zich kunnen ontwikkelen en andere wezens worden. Evolutie is een kwestie van persoonlijke inspanning, en zij vormt binnen het grote geheel van de mensheid een zeldzame uitzondering. En al lijkt het vreemd, we moeten ons er rekenschap van geven dat ze niet alleen zeldzaam is, maar steeds zeldzamer wordt.

Deze uitspraken doen natuurlijk vele vragen opkomen.

Wat betekent het dat een mens op zijn ontwikkelingsweg een ander wezen moet worden?

Wat betekent ‘een ander wezen’?

Wat zijn de innerlijke eigenschappen en hoedanigheden die ontwikkeld kunnen worden, en hoe kan die ontwikkeling tot stand worden gebracht?

Waarom kunnen niet alle mensen zich ontwikkelen en andere wezens worden? Waarom een dergelijke onrechtvaardigheid?

Ik zal proberen deze vragen te beantwoorden en met de laatste beginnen.

Waarom kunnen niet alle mensen zich ontwikkelen en andere wezens worden?

Het antwoord is heel eenvoudig. Omdat ze het niet wensen. Omdat ze er niets van afweten en, zelfs als het hen verteld wordt, zonder een langdurige voorbereiding niet zullen begrijpen wat het betekent.

De kernidee is dat om een ander wezen te worden, een mens dit intens en gedurende een zeer lange tijd moet wensen. Een voorbijgaand verlangen of een vage wens die voortkomt uit onvrede met de uiterlijke omstandigheden, zal geen voldoende sterke impuls vormen.

De evolutie van een mens is afhankelijk van zijn begrijpen van wat hij kan verwerven en van wat hij daarvoor moet geven.

Als iemand het niet wenst, of niet intens genoeg wenst en zich niet de noodzakelijke inspanningen getroost, zal hij nooit tot ontwikkeling komen. Daar is dus niets onrechtvaardigs aan. Waarom zou iemand iets moeten hebben wat hij niet wenst? Als een mens gedwongen zou worden een ander wezen te worden wanneer hij tevreden is met wat hij is — dat zou onrechtvaardig zijn.

17

Vervolgens de vraag: Wat betekent een ander wezen?

Als we alle gegevens onderzoeken die hierop betrekking hebben, vinden we overal de bewering dat het worden tot een ander wezen voor een mens verbonden is met het verkrijgen van tal van nieuwe hoedanigheden en vermogens die hij tevoren niet bezat. Deze beweringen treffen we aan in alle leringen die de idee van een psychologische of innerlijke groei van een mens aanhangen.

Maar dit is niet voldoende. Immers, zelfs de meest uitvoerige beschrijvingen van deze nieuwe vermogens zullen ons op geen enkele manier helpen om te begrijpen hoe ze verschijnen en waar ze vandaan komen.

Er mist een schakel in de algemeen bekende theorieën, zelfs in die welke gebaseerd zijn op het denkbeeld van de mogelijkheid van evolutie van de mens.

Het is namelijk zo dat een mens, voordat hij nieuwe eigenschappen of nieuwe vermogens kan verwerven die hij niet kent en nog niet bezit, eerst die eigenschappen en vermogens moet verwerven welke hij evenmin bezit, maar die hij zichzelf toeschrijft, dat wil zeggen, waarvan hij denkt ze te kennen en ze te kunnen gebruiken en beheersen.

Dit is de ‘ontbrekende schakel’ en dit is het belangrijkste punt.

Op de weg van evolutie zoals deze hiervóór is omschreven, een weg gebaseerd op inspanning en op hulp, moet een mens kwaliteiten verwerven die hij al denkt te bezitten maar waarover hij zichzelf voor de gek houdt.

Om dit beter te begrijpen en te weten welke die nieuwe

18

krachten en onvermoede vermogens zijn die een mens kan verwerven, en welke eigenschappen en vermogens hij zich verbeeldt al te bezitten, moeten we uitgaan van het algemene beeld dat een mens over zichzelf vormt.

En hier stuiten we al direct op een heel belangrijk feit. Een mens kent zichzelf niet.

Hij kent noch zijn eigen begrenzingen, noch zijn eigen mogelijkheden. Hij beseft zelfs niet in hoe grote mate hij zichzelf niet kent.

De mens heeft talloze machines uitgevonden, en hij weet dat er soms vele jaren van nauwgezette studie nodig zijn om een ingewikkelde machine te kunnen gebruiken en bedienen. Maar zodra het hemzelf betreft, vergeet hij dit, en dit ondanks het feit dat hij zelf een veel ingewikkelder machine is dan alle machines die hij heeft uitgevonden. Hij zit vol foutieve ideeën over zichzelf.

Allereerst beseft hij niet dat hij inderdaad een machine is. Wat betekent het dat een mens een machine is?

Het betekent dat hij geen onafhankelijke bewegingen heeft, niet in zichzelf en niet buiten zichzelf. Hij is een machine die in beweging wordt gezet door invloeden en impulsen van buitenaf. Al zijn bewegingen en handelingen, al zijn woorden, zijn ideeën, emoties, gemoedsstemmingen en gedachten, worden voortgebracht door uiterlijke invloeden. Op zichzelf is hij slechts een automaat met een zekere voorraad herinneringen van vroegere ervaringen en een zekere hoeveelheid reserve-energie.

We moeten begrijpen dat een mens niets kan doen.

Hij realiseert zich dat echter niet en schrijft zichzelf het vermogen tot doen toe. Dat is de eerste eigenschap die hij

19

zich ten onrechte toeschrijft. Dit moeten we in alle duidelijkheid begrijpen. Een mens kan niets doen. Alles wat hij meent te doen, gebeurt in werkelijkheid. Het gebeurt precies zoals ‘het regent’,‘het dooit’, of‘het waait’.

Er zijn helaas in onze taal geen onpersoonlijke werkwoorden die van toepassing zijn op menselijke handelingen. We moeten dus wel blijven zeggen dat een mens denkt, leest, schrijft, liefheeft, haat, oorlogen voert, vecht, enzovoort... In werkelijkheid gebeurt dit allemaal.

Een mens kan uit zichzelf niet denken, spreken of zich bewegen. Hij is een marionet die door onzichtbare touwtjes alle kanten op wordt getrokken. Als hij dit begrijpt, kan hij meer over zichzelf leren, en dan kan er misschien iets voor hem beginnen te veranderen.

Maar als hij niet in staat is zijn totale mechaniciteit te beseffen en te begrijpen, of als hij deze niet als een feit wil aanvaarden, kan hij verder niets leren, en kan er niets voor hem veranderen.

Een mens is een machine, maar een zeer eigenaardige machine. Want hij is een machine die onder gunstige omstandigheden en bij een juiste behandeling kan weten dat hij een machine is. Als hij zich dit ten volle heeft gerealiseerd kan hij misschien middelen vinden om op te houden een machine te zijn.

Allereerst moet een mens beseffen dat hij niet één is — hij is een veelheid. Hij heeft geen duurzaam en onveranderlijk ‘Ik’. Hij is steeds verschillend. Het ene ogenblik is hij de een, het volgende ogenblik een ander, even later weer een ander, en zo gaat het door — vrijwel eindeloos.

De illusie van eenheid, van één-zijn, wordt in een mens veroorzaakt, enerzijds door de gewaarwording van één stoffelijk lichaam, anderzijds door zijn naam die meestal steeds dezelfde blijft, en tenslotte door een aantal mechanische gewoontes die hem door opvoeding zijn ingeprent of die zich door imitatie in hem hebben vastgezet. Doordat hij altijd dezelfde fysieke gewaarwordingen heeft, zich altijd bij dezelfde naam hoort noemen en steeds weer dezelfde gewoontes en neigingen bij zichzelf opmerkt die hij altijd heeft gehad, verbeeldt hij zich steeds dezelfde te zijn.

In werkelijkheid is er geen eenheid in een mens, is er geen besturend centrum en geen duurzaam ‘Ik’ of ego.

Het volgende schema geeft een getrouw beeld van een mens:





















21

Iedere gedachte, ieder gevoel, iedere gewaarwording, ieder verlangen, ieder ‘ik houd van’ of‘ik houd niet van’ is een ‘ik’. Deze ‘ikken’ zijn onderling niet verbonden en op geen enkele manier gecoördineerd. Ieder ‘ik’ is afhankelijk van de veranderingen in uiterlijke omstandigheden en van de veranderingen van indrukken.

Een bepaald ‘ik’ kan mechanisch een hele reeks andere ontketenen, sommige ‘ikken’ gaan altijd vergezeld van andere. Maar dit alles voltrekt zich zonder enige orde en volkomen zonder systeem.

Tussen sommige groepen van ‘ikken’ bestaat een natuurlijke binding. Op deze groepen zullen we later terugkomen. Nu moeten we proberen te begrijpen dat er groepen van ‘ikken’ zijn die alleen maar met elkaar verbonden zijn door toevallige associaties, toevallige herinneringen of volkomen denkbeeldige overeenkomsten.

Elk van deze ‘ikken’ vertegenwoordigt op een gegeven moment alleen maar een te verwaarlozen deel van de totaliteit van ons wezen, maar elk van hen verbeeldt zich het geheel te vertegenwoordigen. Als iemand ‘ik’ zegt, klinkt het alsof hij het geheel van zichzelf bedoelt, maar in werkelijkheid is het, zelfs wanneer hij zelf denkt dat dit zo is, alleen maar een voorbijgaande gedachte, een voorbijgaande opwelling of een vluchtig verlangen. Binnen een uur kan hij dat volkomen vergeten zijn en met evenveel overtuiging een tegengestelde mening uiten, een heel ander standpunt innemen of tegenovergestelde belangen verdedigen. En het ergste is dat een mens zich dit niet herinnert. In de meeste gevallen gelooft hij in het laatste ‘ik’ dat aan het woord was — voor zolang als het duurt; dat wil

22

zeggen, totdat een ander ‘ik’ dat soms helemaal niets met het vorige te maken heeft, zijn mening of zijn wensen krachtiger verkondigt dan het eerste.

We keren nu terug tot de andere vragen:

Wat betekent ‘ontwikkeling’? En wat betekent het dat een mens een ‘ander wezen’ kan worden? Anders gezegd: welke soort verandering is er voor een mens mogelijk? Hoe begint deze verandering en wanneer?

We hebben al opgemerkt dat de verandering moet beginnen met het verwerven van vermogens en eigenschappen die een mens zichzelf toeschrijft, maar die hij in werkelijkheid niet bezit.

Dit betekent dat voordat iemand welk nieuw vermogen of welke nieuwe eigenschap ook kan verwerven, hij eerst in zichzelf de kwaliteiten moet ontwikkelen die hij denkt te bezitten en waarover hij de grootst mogelijke illusies heeft. Ontwikkeling kan niet beginnen op een grondslag van liegen tegenover zichzelf of van zichzelf voor de gek houden. Een mens moet weten wat hij heeft en wat hij niet heeft. Dit betekent dat hij zich moet realiseren dat hij de reeds genoemde hoedanigheden die hij zichzelf toeschrijft, in werkelijkheid niet bezit, dat wil zeggen: het vermogen tot doen, individualiteit of innerlijke eenheid, een duurzaam ego, en evenmin bewustzijn en wil.

Het is noodzakelijk dit te weten, want zolang iemand zich verbeeldt dat hij deze kwaliteiten bezit, zal hij zich niet de juiste inspanningen getroosten om ze te verkrijgen; precies zoals iemand zich geen kostbare dingen zal aanschaffen en bereid zal zijn daar een hoge prijs voor te betalen als hij

23

denkt dat hij ze al bezit.

De belangrijkste en meest misleidende van deze kwaliteiten is bewustzijn. En de verandering in een mens begint met de verandering in zijn begrip van de betekenis van bewustzijn en vervolgens het geleidelijk verkrijgen van beheersing erover.

Wat is bewustzijn?

In het gewone spraakgebruik wordt het woord ‘bewustzijn’ meestal gebruikt als equivalent van het woord ‘intelligentie’, in de zin van werkzaamheid van de geest.

In werkelijkheid is bewustzijn een heel specifiek ‘gewaar-zijn’ in een mens, een gewaarzijn van wie hij is, waar hij is, en voorts gewaarzijn van wat hij weet en wat hij niet weet, enzovoorts.

Alleen iemand zelf kan weten of hij op een gegeven moment bewust is of niet. Dit werd reeds lang geleden bewezen in een bepaalde lijn van denken in de Europese psychologie, die tot het inzicht kwam dat alleen iemand zelf bepaalde dingen met betrekking tot zichzelf kan weten.

Iemand kan dus alleen zelf weten of zijn bewustzijn op een gegeven ogenblik al of niet aanwezig is. Dit betekent dat de aanwezigheid of afwezigheid van bewustzijn in iemand niet kan worden aangetoond door zijn uiterlijke gedragingen waar te nemen. Zoals ik hiervoor al zei, werd dit feit reeds lang geleden vastgesteld, maar het belang ervan werd nooit volledig onderkend omdat dit denkbeeld altijd verbonden was met de opvatting van bewustzijn als een mentaal proces of werkzaamheid van de geest.

24

Iemand kan zich er rekenschap van geven dat hij tot op dat moment niet bewust was; wanneer hij deze realisering daarna weer vergeet — en zelfs wanneer hij zich deze herinnert — is dit niet bewustzijn. Het is alleen maar de herinnering aan een intense ervaring.

Nu wil ik een ander feit onder uw aandacht brengen dat alle moderne psychologische scholen over het hoofd hebben gezien.

Dit is het feit dat het bewustzijn bij een mens, wat dit ook betekent, nooit in dezelfde toestand blijft. Het is er, of het is er niet. De hoogste bewustzijnsmomenten vormen de herinnering. Andere momenten herinnert een mens zich eenvoudig niet. Dit, meer dan iets anders, geeft iemand de illusie van voortdurend bewustzijn of onafgebroken ‘gewaarzijn’.

Sommige moderne psychologische scholen verwerpen bewustzijn helemaal, ontkennen zelfs de noodzakelijkheid van een dergelijk begrip, maar dat is gewoon het summum van onbegrip. Andere scholen — als ze zo genoemd kunnen worden — spreken van bewustzijnstoestanden en bedoelen daarmee gedachten, gevoelens, bewegingsimpulsen en gewaarwordingen. Dit berust op de fundamentele fout dat men bewustzijn en psychische functies door elkaar haalt. We zullen daar later op terugkomen.

In feite houdt de moderne psychologie zich in de meeste gevallen nog aan de oude uitspraak dat bewustzijn geen graden of niveaus heeft. De algemene, zij het stilzwijgende, aanvaarding van deze idee, ook al was deze in tegenspraak met vele latere ontdekkingen, heeft menige waar-

25

neming over variaties van bewustzijn verhinderd.

Het is een feit dat bewustzijn zichtbare en waarneembare graden heeft, althans zichtbaar en waarneembaar voor iemand in zichzelf.

Ten eerste de duur: hoe lang was men bewust?

Ten tweede de frequentie: hoe vaak werd men bewust? Ten derde de omvang in breedte en diepte: waarvan was men zich bewust? Dit laatste kan in sterke mate veranderen met de innerlijke groei van een mens.

Als we alleen de eerste twee punten beschouwen, zullen we in staat zijn de idee van een mogelijke evolutie van de mens te begrijpen. Deze idee is verbonden met een zeer belangrijk punt dat volkomen bekend was in de oude psychologische scholen, zoals bijvoorbeeld die van de schrijvers van de Philokalia, maar waaraan de Europese filosofie en psychologie van de laatste twee a drie eeuwen volkomen voorbij zijn gegaan.

Dit betreft het feit dat bewustzijn door middel van speciale inspanningen en een speciale studie continu en controleerbaar kan worden gemaakt.

Ik zal proberen duidelijk te maken hoe bewustzijn bestudeerd kan worden. Neem een horloge en kijk naar de secondewijzer terwijl u tegelijkertijd probeert bewust te zijn van uzelf en u te concentreren op de gedachte ‘ik ben Peter Ouspensky’, ‘ik ben hier, nu’. Probeer aan niets anders te denken, volg eenvoudig de beweging van de wijzer terwijl u zich bewust bent van uzelf, uw naam, uw bestaan en de plaats waar u bent. Sluit u af voor alle andere gedachten.

26

Als u volhoudt zult u in staat zijn dit twee minuten te doen. Dat is de limiet van uw bewustzijn. En als u probeert dit experiment even later te herhalen, zult u merken dat het moeilijker is dan de eerste keer.

Deze proeflaat ons zien dat iemand zich in zijn natuurlijke staat met grote inspanning hoogstens twee minuten van één onderwerp (zichzelf) bewust kan zijn.

De belangrijkste conclusie die iemand uit dit experiment, als het op de juiste wijze wordt uitgevoerd, kan trekken, is dat een mens zich niet van zichzelf bewust is. De illusie dat iemand zich van zichzelf bewust is, wordt veroorzaakt door herinnering en denkprocessen.

Iemand gaat bijvoorbeeld naar de schouwburg. Als hij daar regelmatig komt, is hij zich er niet speciaal bewust van daar te zijn. Toch kan hij de dingen om zich heen zien en waarnemen, van de voorstelling genieten of deze vervelend vinden, zich het stuk herinneren, zich de mensen herinneren die hij ontmoet heeft, enzovoorts.

Wanneer hij thuiskomt, herinnert hij zich dat hij in de schouwburg was en hij zal stellig denken dat hij zich bewust was terwijl hij daar was. Er bestaat voor hem dus geen enkele twijfel over zijn bewustzijn en hij beseft niet dat zijn bewustzijn volledig afwezig kan zijn, terwijl hij toch redelijk kan handelen, denken en waarnemen.

In het algemeen gesproken zijn er voor een mens vier bewustzijnstoestanden mogelijk. Dit zijn: de slaap, de waaktoestand, zelfbewustzijn en objectief bewustzijn. Maar hoewel deze vier bewustzijnstoestanden mogelijk voor hem zijn, leeft iemand feitelijk maar in twee ervan:

27

het ene deel van zijn leven brengt hij door in slaap en het andere in wat de ‘waaktoestand’ wordt genoemd, hoewel zijn waaktoestand in werkelijkheid maar heel weinig verschilt van de slaaptoestand.

In het gewone leven weet iemand niets van ‘objectief bewustzijn’, en in die richting zijn er geen experimenten mogelijk. De derde bewustzijnstoestand, die van ‘zelfbewustzijn’, schrijft een mens zichzelf toe; dat wil zeggen, hij denkt die te bezitten, hoewel hij zich in werkelijkheid alleen in heel zeldzame flitsen bewust kan zijn van zichzelf; en zelfs in die momenten van zelfbewustzijn zal hij deze waarschijnlijk niet als zodanig herkennen omdat hij niet weet wat het zou inhouden als hij het inderdaad bezat.

Deze flitsen van bewustzijn doen zich voor in bijzondere ogenblikken, in momenten van gevaar, in een staat van hevige emotie, onder totaal nieuwe en onverwachte omstandigheden en situaties; of soms ook in heel gewone ogenblikken, wanneer er niets bijzonders gebeurt. Maar in zijn gewone of‘normale’ toestand heeft een mens niet de minste controle over deze momenten van bewustzijn.

Wat ons gewone geheugen of momenten van herinnering betreft, we herinneren ons eigenlijk alleen momenten van bewustzijn, hoewel we ons niet realiseren dat dit zo is. Wat de betekenis is van het geheugen in technische zin — de verschillende soorten herinnering die we bezitten -, zal ik later uiteenzetten.Voor het moment wil ik uw aandacht alleen vestigen op de waarnemingen die u zelf met betrekking tot uw geheugen kunt doen. U zult daarbij opmerken dat u zich de dingen op verschillende wijze herinnert.

Aan sommige dingen bewaart u een bijzonder heldere herinnering, andere herinnert u zich heel vaag en weer andere helemaal niet: u weet alleen dat ze gebeurden.

U zult zeer verbaasd zijn wanneer u zich realiseert hoe weinig u zich feitelijk herinnert. En dit is zo omdat u zich alleen de momenten herinnert waarop u bewust was.

Met betrekking tot de derde bewustzijnstoestand kunnen we dus zeggen dat een mens af te toe momenten van zelfbewustzijn heeft die een levendige herinnering achterlaten van de omstandigheden waaronder ze plaatsvonden. Hij heeft deze momenten echter in het geheel niet in de hand. Ze komen en gaan uit zichzelf, onder invloed van uiterlijke omstandigheden en toevallige associaties of herinneringen aan emoties.

De vraag dringt zich op: is het mogelijk deze vluchtige momenten van bewustzijn onder controle te krijgen, ze vaker op te roepen, ze langer vast te houden of zelfs duurzaam te maken? Met andere woorden: is het mogelijk bewust te worden?

Dit is het allerbelangrijkste punt en het is nodig vanaf het eerste begin van onze studie te begrijpen dat alle moderne psychologische scholen zonder een enkele uitzondering dit punt, zelfs als een theorie, volkomen over het hoofd hebben gezien.

Want met de juiste methoden en de juiste inspanningen kan iemand controle over zijn bewustzijn verkrijgen en zich bewust worden van zichzelf, met alles wat dit inhoudt. En wat dit inhoudt, daarvan kunnen we ons in onze tegenwoordige toestand zelfs geen voorstelling maken.

29

Pas wanneer dit punt goed is begrepen, wordt het moge-lijk een serieuze studie van de psychologie te ondernemen.

Deze studie moet beginnen met een onderzoek naar de factoren die bewustwording in onszelf in de weg staan, want het bewustzijn kan pas beginnen te groeien wanneer tenminste een paar van deze hindernissen zijn verwijderd. In de volgende lezingen zal ik het over deze hinderpalen hebben. De grootste daarvan is onze onwetendheid over onszelf en de misplaatste overtuiging dat we onszelf, althans tot op zekere hoogte, kennen en op onszelf kunnen vertrouwen, terwijl we in werkelijkheid onszelf helemaal niet kennen en zelfs in de kleinste dingen niet zeker kunnen zijn van onszelf.

We moeten nu begrijpen dat psychologie in werkelijkheid studie van onszelf betekent. Dit is de tweede omschrijving van psychologie. Men kan de psychologie niet bestuderen zoals men de astronomie kan bestuderen, dat wil zeggen los van zichzelf.

Maar tegelijkertijd is het wèl zo dat men zichzelf moet bestuderen zoals men de een of andere nieuwe en gecompliceerde machine bestudeert. Men moet de onderdelen van de machine kennen, haar belangrijkste functies, de voorwaarden voor een juiste werking, de oorzaken van verkeerde werking, en veel andere zaken die moeilijk kunnen worden omschreven zonder gebruik te maken van een speciale taal die men overigens ook moet kennen om de machine te kunnen bestuderen.

De menselijke machine heeft zeven verschillende functies:

1. het denken (of het intellect);

2. het voelen (of de emoties);

3. de instinctfunctie (alle innerlijke werkzaamheid van het organisme)

4. de bewegingsfunctie (alle uiterlijke werkzaamheid van het organisme, bewegingen, enzovoort);

5. seks (de functie van de twee beginselen, mannelijk en vrouwelijk, in al hun uitingen).

Behalve deze vijf functies zijn er nog twee andere waarvoor we in onze gewone taal geen naam hebben en die alleen verschijnen in hogere bewustzijnstoestanden; de ene is de hogere gevoelsfunctie die in de toestand van zelfbewustzijn optreedt, en de andere de hogere denkfunctie die optreedt in de toestand van objectief bewustzijn. Omdat we niet in die bewustzijnstoestanden zijn, kunnen we deze functies niet bestuderen of ermee experimenteren, en we weten alleen maar indirect van hun bestaan af door de mededelingen van hen die ze hebben bereikt of ervaren. In de religieuze en vroeg-filosofische literatuur van verschillende volkeren vindt men vele toespelingen op de hogere bewustzijnstoestanden en hogere functies. Wat het begrijpen van deze toespelingen echter zo moeilijk maakt, is het feit dat er geen duidelijk onderscheid tussen de beide hogere bewustzijnstoestanden wordt gemaakt. Wat samadhi wordt genoemd, of extatische toestand, of verlichting, of in meer recente werken ‘kosmisch bewustzijn’, kan zowel op de ene als op de andere toestand betrekking hebben — soms op ervaringen van zelfbewustzijn en soms

31

op ervaringen van objectief bewustzijn. En hoe vreemd dit ook mag lijken, we hebben meer materiaal om ons een oordeel te vormen over de hoogste toestand, dus objectief bewustzijn, ondanks het feit dat de eerstgenoemde toestand pas na de laatstgenoemde kan worden bereikt.

De studie van onszelf moet beginnen met de studie van de eerste vier functies: de denkfunctie, de emotiefunctie, de instinctfunctie en de bewegingsfunctie. De seksfunctie kan pas veel later worden bestudeerd, dat wil zeggen pas wanneer deze vier functies in voldoende mate zijn begrepen. De seksfunctie komt, in tegenstelling tot wat door sommige moderne theorieën wordt beweerd, in werkelijkheid pas na de andere functies, dus later in het leven, wanneer de eerste vier functies al ten volle zijn ontplooid, en ze wordt door deze bepaald. Daarom kan de bestudering van de seksfunctie pas met vrucht worden ondernomen wanneer we de eerste vier functies volledig en in al hun uitingen kennen. Bovendien moeten we begrijpen dat elke ernstige onregelmatigheid of abnormaliteit in de seksfunctie zelfontwikkeling en zelfs studie van onszelf onmogelijk maakt.

Laten we nu proberen de vier genoemde functies te begrijpen.

Ik neem aan dat het u duidelijk is wat ik bedoel met de intellect- of denkfunctie. Deze omvat alle mentale processen: het zich rekenschap geven van een impressie, formulering van voorstellingen en begrippen, redenering, vergelijking, bevestiging, ontkenning, vorming van woorden,

spraak, verbeelding, enzovoorts.

De tweede functie is het voelen, de emoties: vreugde, verdriet, angst, verbazing, enzovoorts. Ook al bent u er zeker van dat het u duidelijk is hoe en in wat emoties verschillen van gedachten, toch raad ik u aan uw inzichten hierover aan een nader onderzoek te onderwerpen. We halen gedachten en gevoelens in ons gewone denken en spreken door elkaar. Maar wanneer we met de studie van onszelf beginnen, is het eerst nodig duidelijk te weten wat wat is. Het kost meer tijd om de beide volgende functies, de instinct- en de bewegingsfunctie, te leren begrijpen, want deze worden in geen enkele van de gebruikelijke psychologische stelsels op de juiste wijze beschreven en onderscheiden.

De woorden ‘instinct’ en ‘instinctief’ worden gewoonlijk in een verkeerde betekenis gebruikt en heel vaak helemaal zonder betekenis. In het bijzonder worden algemene uiterlijke functies die in werkelijkheid bewegingsfuncties en soms emotiefuncties zijn, aan de instinctfunctie toegeschreven.

De instinctfunctie in een mens omvat vier verschillende groepen van functies:

1. Alle inwendige werkzaamheid van het organisme, dus alle fysiologie, om het zo uit te drukken: de spijsvertering en voedselopname, de ademhaling, de bloedsomloop, al het werk van de inwendige organen, de bouw van nieuwe cellen, de verwijdering van afvalstoffen, de werkzaamheid van de klieren met inwendige secretie, enzovoorts.

2. De zogenaamde vijf zintuigen: zien, horen, reuk, smaak

33

en tastzin; en alle andere zintuigen zoals het gevoel van gewicht, temperatuur, droogte of vochtigheid, enzovoorts; dat wil zeggen, alle neutrale gewaarwordingen — gewaarwordingen die op zichzelf niet aangenaam of onaangenaam zijn.

3. Alle lichamelijke gevoelens; dat wil zeggen, alle lichamelijke gewaarwordingen die óf aangenaam óf onaangenaam zijn; alle soorten pijn, onplezierige gewaarwordingen zoals een onaangename smaak of een onaangename geur, en alle soorten plezierige fysieke gewaarwordingen als een aangename smaak, een aangename geur, enzovoorts.

4. Alle reflexen, ook de meest gecompliceerde, zoals lachen en gapen; alle vormen van fysiek geheugen, zoals smaakherinnering, reukherinnering, pijnherinnering, die in werkelijkheid innerlijke reflexen zijn.

De bewegingsfunctie omvat alle uiterlijke bewegingen, zoals lopen, schrijven, spreken, eten, en de herinnering aan deze verrichtingen. Tot de bewegingsfunctie behoren ook sommige bewegingen die in het gewone spraakgebruik ‘instinctief’ genoemd worden, zoals het opvangen van een vallend voorwerp zonder erbij na te denken.

Het verschil tussen de instinctfunctie en de bewegingsfunctie is heel duidelijk en kan makkelijk worden begrepen als we gewoon in het oog houden dat alle instinct-functies zonder uitzondering aangeboren zijn en niet aangeleerd hoeven te worden om ze te kunnen gebruiken; terwijl anderzijds geen enkele van de bewegingsfuncties aangeboren is en we deze allemaal moeten aanleren, zoals een

kind leert lopen of zoals iemand leert schrijven of tekenen.

Behalve deze normale bewegingsfuncties zijn er ook enkele vreemde andere, die met nutteloze arbeid van de menselijke machine gepaard gaan en die niet door de natuur zijn bedoeld, maar die een grote plaats in het leven van een mens innemen en een belangrijk deel van zijn energie verbruiken. Het zijn: de vorming van dromen, verbeelding, dagdromen, praten in zichzelf, alle praten omwille van het praten; in het algemeen: alle ongecontroleerde en oncontroleerbare uitingen.

De vier functies - de denk-, emotie-, instinct- en bewegingsfunctie - moeten eerst in al hun uitingen worden begrepen; vervolgens moeten we ze in onszelf observeren. Deze zelfobservatie, dat wil zeggen op juiste basis uitgevoerde observatie, met een daaraan voorafgaand inzicht in de bewustzijnstoestanden en de verschillende functies, vormt de grondslag van de studie van onszelf, dus het begin van psychologie.

Het is heel belangrijk dat iemand zich bij het waarnemen van de verschillende functies herinnert dat het nuttig is tegelijkertijd hun verband te observeren met de verschillende bewustzijnstoestanden.

Laten we de drie bewustzijnstoestanden beschouwen: de slaap, de waaktoestand en mogelijke flitsen van zelfbewustzijn, en de vier functies: denken, voelen, instinct en beweging.

Deze vier functies kunnen alle vier werkzaam zijn in de

35

slaap, maar hun uitingen zijn in deze toestand onsamenhangend en onbetrouwbaar. Ze zijn op geen enkele manier bruikbaar en gaan eenvoudig hun eigen gang.

In de toestand van waakbewustzijn of relatief bewustzijn kunnen de functies tot op zekere hoogte dienstbaar zijn voor onze oriëntatie. De resultaten ervan kunnen vergeleken, aan elkaar getoetst en geordend worden. Ze kunnen weliswaar aanleiding geven tot talloze waandenkbeelden, maar in onze gewone toestand hebben we nu eenmaal niets anders en moeten we er het beste van maken. Als we wisten hoeveel foutieve waarnemingen, foutieve theorieën, verkeerde gevolgtrekkingen en conclusies er in deze toestand gemaakt worden, dan zouden we alle geloof in onszelf verliezen. Maar mensen beseffen niet hoe misleidend hun observaties en hun theorieën kunnen zijn, en ze blijven erin geloven. En dit is het wat mensen verhindert de zeldzame momenten waar te nemen wanneer hun functies zich manifesteren onder de invloed van flitsen van de derde bewustzijnstoestand, dat wil zeggen van zelfbewustzijn.

Dit alles betekent dat elk van de vier functies kan optreden in elk van de drie bewustzijnstoestanden. Maar de resultaten zullen volkomen verschillend zijn. Wanneer we deze resultaten en de verschillen ertussen leren waarnemen, zullen we het juiste verband begrijpen tussen functies en bewustzijnstoestanden.

Maar voordat we de verschillen beschouwen die een functie vertoont afhankelijk van de bewustzijnstoestand, is het noodzakelijk te begrijpen dat het bewustzijn van een mens en zijn functies totaal verschillende verschijnselen

36

zijn, verschijnselen die volkomen verschillend van aard zijn en afhankelijk van verschillende oorzaken; en dat de een kan bestaan zonder de andere.

Functies kunnen bestaan zonder bewustzijn en bewustzijn kan bestaan zonder functies.

37

We gaan verder met onze studie van de mens en zullen nu dieper ingaan op de verschillende bewustzijnstoestanden. Zoals ik al gezegd heb, zijn er vier bewustzijnstoestanden voor een mens mogelijk: slaap, waakbewustzijn, zelfbewustzijn en objectief bewustzijn; maar hij leeft maar in twee van deze toestanden: gedeeltelijk in de slaap en gedeeltelijk in wat waakbewustzijn wordt genoemd.

Het is alsof hij een huis heeft van vier verdiepingen maar alleen in de onderste twee woont.

De eerste of laagste bewustzijnstoestand is de slaap. Dit is een zuiver subjectieve en passieve toestand. Een mens is omringd door dromen. Al zijn psychische functies werken zonder enige oriëntatie. Er is geen logische opeenvolging, geen oorzaak en geen gevolg in dromen. Zuiver subjectieve beelden — reflecties van vroegere ervaringen of van vage zintuiglijke indrukken van het ogenblik, zoals geluiden die tot een slapend mens doordringen, lichamelijke gewaarwordingen, lichte pijngevoelens, spanningen in de spieren — vliegen door de geest en laten maar een hele oppervlakkige indruk achter in het geheugen, en meestal helemaal geen indruk.

39

De tweede bewustzijnstoestand verschijnt wanneer iemand wakker wordt. Deze tweede toestand, waarin we ons nu bevinden, dat wil zeggen de toestand waarin we werken, praten, ons verbeelden bewuste wezens te zijn, enzovoorts, noemen we vaak ‘waakbewustzijn’ of ‘helder bewustzijn’, maar in werkelijkheid zou deze ‘wakend slapen’ of ‘relatief bewustzijn’ moeten heten. Deze laatste term zullen we later verklaren.

We moeten hierbij begrijpen dat de eerste bewustzijnstoestand, de slaap dus, niet verdwijnt wanneer de tweede toestand optreedt, dat wil zeggen wanneer een mens ontwaakt. De slaap blijft, met al zijn dromen en indrukken; er komt aüeen een kritischer houding tegenover de eigen indrukken bij, en beter geordende gedachten, meer gedisciplineerde handelingen. En als gevolg van de grote intensiteit van de zintuiglijke indrukken, verlangens en gevoelens — vooral het gevoel van tegenstrijdigheid of onmogelijkheid, dat geheel afwezig is in de slaap — worden de dromen onzichtbaar, precies zoals de sterren en de maan onzichtbaar worden door de grote helderheid van het zonlicht. Maar ze zijn er allemaal, en ze beïnvloeden vaak al onze gedachten, gevoelens en handelingen — soms zelfs in sterkere mate dan de werkelijke indrukken van het ogenblik.

Ik moet hier direct bij aantekenen dat ik niet bedoel wat in de moderne psychologie ‘het onderbewuste’ of ‘het onderbewuste denken’ wordt genoemd. Dit zijn eenvoudig verkeerde uitdrukkingen, foutieve benamingen, die niets betekenen en op geen enkel reëel feit betrekking hebben. Er is niets duurzaam onderbewust in ons omdat

40

er niets is dat duurzaam bewust is; en er is geen ‘onderbewust denken’ om de eenvoudige reden dat er geen ‘bewust denken’ is. U zult later inzien hoe deze misvatting - en als gevolg daarvan deze foutieve terminologie - is ontstaan en vrijwel algemeen aanvaard.

Maar laten we terugkeren tot de werkelijk bestaande bewustzijnstoestanden. De eerste is de slaap. De tweede is ‘wakende slaap’ of‘relatief bewustzijn’.

De eerste is, zoals ik al gezegd heb, een zuiver subjectieve toestand. De tweede toestand is minder subjectief: een mens onderscheidt ‘ik’ en ‘niet-ik’, namelijk zijn lichaam en de dingen die niet zijn lichaam zijn, en hij kan zich tot op zekere hoogte tussen deze oriënteren en de plaats en de eigenschappen ervan onderkennen. Maar men kan niet zeggen dat een mens in deze toestand wakker is, want hij blijft sterk door dromen beïnvloed, leeft in feite meer in dromen dan in de werkelijkheid. Alle ongerijmdheden en tegenstrijdigheden van mensen en van het menselijk leven in het algemeen, zijn verklaarbaar wanneer we beseffen dat de mensen in slaap leven, alles in slaap doen, en niet weten dat ze slapen.

Het is nuttig zich te herinneren dat dit de innerlijke betekenis is van veel oude leringen. In de leer die ons het beste bekend is, het christendom of de leer van het evangelie, ligt de idee dat de mensen in slaap leven en allereerst moeten ontwaken ten grondslag aan alle verklaringen van het menselijk leven, hoewel dit heel zelden op de juiste wijze wordt begrepen, dat wil in dit geval zeggen: letterlijk.

Maar de vraag is: hoe kan iemand ontwaken?

41

De leer van het evangelie verlangt dat we ontwaken, maar zij zegt niet hoe we kunnen ontwaken.

De psychologische studie van het bewustzijn laat ons echter zien dat pas gezegd kan worden dat iemand op weg is om te ontwaken wanneer hij beseft dat hij slaapt. Hij kan nooit ontwaken zonder zich eerst te realiseren dat hij slaapt.

Deze beide toestanden, slaap en wakende slaap, zijn de enige twee bewustzijnstoestanden waarin een mens leeft. Behalve deze zijn er nog twee andere bewustzijnstoestanden mogelijk voor een mens, maar deze kunnen alleen maar na een harde en langdurige strijd worden bereikt. Deze twee hogere bewustzijnstoestanden heten ‘zelfbewustzijn’ en ‘objectief bewustzijn’.

Wij denken gewoonlijk dat we zelfbewustzijn bezitten, dat wil zeggen dat we bewust zijn van onszelf, of in ieder geval dat we bewust kunnen zijn van onszelf op ieder ogenblik dat we dit wensen. In werkelijkheid is ‘zelfbewustzijn’ een toestand die we onszelf volkomen ten onrechte toeschrijven. Van ‘objectief bewustzijn’ weten wij niets. Zelfbewustzijn is een toestand waarin een mens objectief wordt met betrekking tot zichzelf, en objectief bewustzijn een toestand waarin hij in contact komt met de werkelijke of objectieve wereld waarvan hij nu gescheiden is door de zintuigen en door dromen en subjectieve bewustzijnstoestanden.

Een andere omschrijving van de vier bewustzijnstoestanden kan gegeven worden vanuit het gezichtspunt van de mogelijkheid die ze bieden tot het kennen van de waarheid.

42

In de eerste bewustzijnstoestand, de slaap, kunnen we niets weten van de waarheid. Zelfs al dringen er enkele werkelijke indrukken of gevoelens tot ons door, dan nog worden deze vermengd met dromen; en in de slaaptoestand kunnen we geen onderscheid maken tussen dromen en werkelijkheid.

In de tweede bewustzijnstoestand, de wakende slaap, kunnen we alleen de relatieve waarheid kennen — vandaar de term ‘relatief bewustzijn’.

In de derde bewustzijnstoestand, die van zelfbewustzijn, kunnen we de volle waarheid omtrent onszelf kennen.

In de vierde bewustzijnstoestand, dat wil zeggen die van objectief bewustzijn, wordt verondersteld dat we in staat zijn de volledige waarheid omtrent alles te kennen. We kunnen de ‘dingen als zodanig’ bestuderen en ‘de wereld zoals zij is’.

Van deze toestand zijn we echter zó ver verwijderd dat we er zelfs niet op de juiste wijze over kunnen denken; en we moeten proberen te begrijpen dat zelfs flitsen van objectief bewustzijn alleen kunnen optreden in de volledig ontwikkelde toestand van zelfbewustzijn.

In de slaaptoestand kunnen we flitsen hebben van relatief bewustzijn. In de toestand van relatief bewustzijn kunnen we flitsen hebben van zelfbewustzijn. Maar als we langduriger perioden van zelfbewustzijn willen hebben en niet alleen maar flitsen, dan moeten we begrijpen dat deze niet uit zichzelf kunnen komen. Daarvoor is een wilsdaad nodig. Dit betekent dat frequentie en duur van de momenten van zelfbewustzijn afhangen van de mate waarin we meester van onszelf zijn. Het betekent met andere

43

woorden dat bewustzijn en wil bijna één en hetzelfde zijn, of althans aspecten van één en dezelfde entiteit.

Op dit punt is het nodig te begrijpen dat de eerste hinderpaal op de weg naar de ontwikkeling van zelfbewustzijn in een mens zijn overtuiging is dat hij al zelfbewustzijn bezit of althans dat hij dit bewustzijn kan hebben op elk moment dat hij dit wenst. Het is heel moeilijk iemand ervan te overtuigen dat hij niet bewust is en niet bewust kan zijn wanneer hij dat maar wil. Dit is zo bijzonder moeilijk omdat de natuur ons hier op een grappige manier voor de gek houdt.

Wanneer we iemand vragen of hij bewust is of als we tegen hem zeggen dat hij niet bewust is, zal hij antwoorden dat hij wel degelijk bewust is en dat het onzin is te zeggen dat hij het niet is: hij hoort en begrijpt ons immers.

En hij heeft helemaal gelijk en tegelijkertijd helemaal ongelijk. Dat is de manier waarop de natuur ons voor de gek houdt. Hij heeft gelijk omdat onze vraag of opmerking hem voor een ogenblik vagelijk bewust heeft gemaakt. Het volgende ogenblik verdwijnt dat bewustzijn weer. Maar hij herinnert zich wat we gezegd hebben en wat hij heeft geantwoord en zal zichzelf ongetwijfeld als bewust beschouwen.

In werkelijkheid vereist het verkrijgen van zelfbewustzijn langdurig en hard werk. Waarom zou iemand bereid zijn lang en hard werk te ondernemen als hij denkt dat hij al heeft wat hem als resultaat van dit werk in het vooruitzicht wordt gesteld? Natuurlijk begint hij daar niet aan en vindt

44

hij dit niet noodzakelijk, tot hij ervan overtuigd is dat hij noch zelfbewustzijn bezit noch alles wat daarmee samenhangt, dat wil zeggen: eenheid of individualiteit, een duurzaam ‘Ik’ en wil.

Dit brengt ons tot de kwestie van scholen, want de methoden voor de ontwikkeling van zelfbewustzijn, eenheid, een duurzaam ‘Ik’ en wil kunnen alleen in speciale scholen worden onderwezen en toegepast. Dit moet duidelijk beseft worden. Mensen op het niveau van relatief bewustzijn kunnen deze methoden niet zelfstandig ontdekken; en deze methoden kunnen niet in boeken beschreven of in gewone scholen onderwezen worden om de eenvoudige reden dat ze verschillend zijn voor verschillende mensen, en er geen algemene methode is die voor allen op dezelfde manier toepasbaar is.

Dit betekent met andere woorden, dat mensen die hun bewustzijnstoestand willen veranderen een school nodig hebben. Maar eerst moeten ze de noodzaak ervan beseffen. Zolang ze denken op eigen gelegenheid iets te kunnen doen, is een school van geen enkel nut voor hen, zelfs als ze er een vinden. Scholen bestaan alleen voor hen die ze nodig hebben en die weten dat ze er een nodig hebben.

In de psychologie die verbonden is met het denkbeeld van evolutie neemt het denkbeeld van scholen — de studie van de soorten scholen die er kunnen bestaan, de studie van de grondbeginselen van scholen en van schoolmethoden — een zeer belangrijke plaats in, omdat er zonder school geen evolutie mogelijk is. Men kan er zelfs niet mee

45

beginnen, omdat men niet weet hoe te beginnen; nog minder kan men voortgaan of iets bereiken.

Dit betekent dat het, nadat men zich bevrijd heeft van de eerste illusie - dat men alles al bezit wat men kan verkrijgen — nodig is zich te bevrijden van de tweede illusie: dat het mogelijk is iets te bereiken zonder hulp; want alléén kan niets worden bereikt.

Deze lezingen zijn geen school - zelfs niet het begin van een school. Een school vereist een veel grotere intensiteit van werk. Maar in deze lezingen kan ik hen die willen luisteren enkele denkbeelden geven van hoe scholen werken en hoe ze gevonden kunnen worden.

Ik heb al twee omschrijvingen van psychologie gegeven. In de eerste plaats zei ik dat psychologie de studie is van de mogelijke evolutie van een mens; en in de tweede plaats, dat psychologie de studie is van onszelf.

Ik bedoelde dat alleen een psychologie die op de evolutie van de mens is gericht, de moeite van het bestuderen waard is, en dat een psychologie die zich slechts met één stadium van de mens bezighoudt zonder iets van andere stadia af te weten, kennelijk niet volledig is en geen enkele waarde kan hebben, zelfs niet uit puur wetenschappelijk oogpunt, dat wil zeggen, vanuit dat van experiment en waarneming. Want het huidige stadium, zoals dat door de gewone psychologie bestudeerd wordt, bestaat in werkelijkheid niet als iets afzonderlijks en omvat in wezen vele onderverdelingen die van lagere tot hogere stadia leiden. Bovendien tonen experiment en waarneming aan dat men psychologie niet op dezelfde wijze kan bestuderen als

46

andere wetenschappen die niet in direct verband staan met onszelf. We moeten de studie van de psychologie beginnen met onszelf.

Wanneer we enerzijds alles samenvatten wat we weten omtrent het volgende stadium in de evolutie van een mens

- namelijk het verkrijgen van bewustzijn, innerlijke eenheid, een duurzaam ‘Ik’ en wil - en anderzijds, bepaald materiaal dat we door zelfwaarneming kunnen verkrijgen

- het besef namelijk van de afwezigheid in ons van vele krachten en vermogens die we onszelf toeschrijven -, stuiten we op een nieuwe moeilijkheid in onze poging om de betekenis van psychologie te begrijpen en beseffen we de noodzaak van een nieuwe omschrijving.

De twee omschrijvingen die in de vorige lezing gegeven werden zijn niet voldoende, omdat een mens uit zichzelf niet weet welke evolutie voor hem mogelijk is, niet inziet op welk niveau hij zich op het ogenblik bevindt en zichzelf eigenschappen toeschrijft die tot hogere stadia van evolutie behoren. In feite kan hij zichzelf niet bestuderen, want hij is niet in staat onderscheid te maken tussen het denkbeeldige en het werkelijke in zichzelf.

Wat is liegen?

In het gewone spraakgebruik verstaan we onder liegen het verdraaien of in sommige gevallen het verbergen van de waarheid, of wat men meent dat de waarheid is. Dit liegen speelt een hele belangrijke rol in het leven maar er zijn veel ernstiger vormen van liegen, namelijk het liegen dat mensen doen zonder te weten dat ze liegen. Ik zei in de vorige lezing, dat we in onze huidige toestand de waarheid

47

niet kunnen kennen, dat die alleen gekend kan worden in de toestand van objectief bewustzijn. Hoe kunnen we dan liegen? Dit lijkt in tegenspraak met elkaar maar in werkelijkheid is dat niet zo. We kunnen de waarheid niet kennen maar we kunnen wel doen alsof we die kennen. Dat is liegen. Liegen vult ons hele leven. Mensen pretenderen van alles te weten omtrent van alles en nog wat: over God, het toekomstige leven, het heelal, de afstamming van de mens, evolutie, over alles; maar in werkelijkheid weten ze niets, zelfs niet over zichzelf. En telkens wanneer ze over iets dat ze niet weten praten alsof ze het wèl weten, liegen ze. Daarom is in de psychologie de studie van het liegen van het allergrootste belang.

En dit kan zelfs tot de derde omschrijving van psychologie leiden: psychologie is de studie van het liegen.

In de psychologie nemen de leugens die een mens over zichzelf zegt en denkt een zeer belangrijke plaats in. Deze leugens maken de studie van een mens bijzonder moeilijk. Een mens, zoals hij is, is niet echt. Hij is een imitatie van iets, en een hele slechte.

Stel u een geleerde voor op de een of andere verre planeet, die van de aarde verschillende soorten kunstbloemen ontvangen heeft en niets afweet van echte bloemen. Het zal dan heel moeilijk voor hem zijn ze te beschrijven, hun vorm en kleur te verklaren, en ook het materiaal waarvan ze gemaakt zijn: ijzerdraad, gekleurd papier en plastic; en ze op de een of andere manier in te delen.

De psychologie bevindt zich in vrijwel dezelfde toestand met betrekking tot de mens. Ze moet een kunstmatige

48

mens bestuderen zonder de werkelijke mens te kennen. Het is vanzelfsprekend niet makkelijk een wezen als de mens te bestuderen dat zelf niet weet wat werkelijk en wat denkbeeldig in hem is. De psychologie moet daarom eerst een scheiding maken tussen het werkelijke en het denkbeeldige in een mens. Het is ónmogelijk de mens als geheel te bestuderen omdat hij in twee delen is verdeeld: één deel dat in sommige gevallen bijna helemaal werkelijk en een ander deel dat in sommige gevallen bijna helemaal denkbeeldig kan zijn. Bij de meeste gewone mensen zijn de beide delen vermengd en zijn deze niet makkelijk te onderscheiden, hoewel ze beide aanwezig zijn en beide hun eigen betekenis en gevolgen hebben.

In het stelsel dat we bestuderen, worden deze twee delen essentie en persoonlijkheid genoemd.

Essentie is wat een mens is aangeboren, persoonlijkheid is wat verworven is.

Essentie is wat zijn eigendom is. Persoonlijkheid is wat niet zijn eigendom is. De essentie kan niet verloren gaan en kan niet zo makkelijk veranderd of beschadigd worden als de persoonlijkheid. De persoonlijkheid kan door een verandering in de omstandigheden bijna volledig worden veranderd. Ze kan verloren gaan en kan makkelijk beschadigd worden. Wanneer ik probeer te omschrijven wat de essentie is, moet ik allereerst opmerken dat het de basis is van de fysieke en psychische structuur van een mens. Zo heeft de ene mens bijvoorbeeld van nature last van zeeziekte, de andere heeft er geen last van. De een heeft een goed gehoor voor muziek, de ander niet. De een heeft aanleg voor talen, de ander niet. Dit alles behoort tot de

49

essentie.

De persoonlijkheid bestaat uit alles wat op de een of andere manier — ‘bewust’ of ‘onbewust’ volgens het gewone spraakgebruik - is aangeleerd. In de meeste gevallen betekent ‘onbewust’: aangeleerd door imitatie. Deze speelt een zeer belangrijke rol bij de vorming van de persoonlijkheid. Zelfs in de instinctfuncties, die van nature los behoorden te staan van de persoonlijkheid, zijn er gewoonlijk een groot aantal zogenaamde ‘verworven smaken’, dat wil zeggen alle mogelijke soorten kunstmatige ‘daar houd ik van’ en ‘daar houd ik niet van’, die zich allemaal door verbeelding en imitatie hebben gevormd en die een zeer belangrijke en noodlottige rol in het leven van een mens spelen. Van nature zou iemand moeten houden van wat goed voor hem is en een afkeer moeten hebben van wat verkeerd voor hem is. Maar dit is alleen maar het geval zolang de essentie de persoonlijkheid overheerst, zoals het zou moeten zijn, met andere woorden, wanneer een mens gezond en normaal is. Wanneer de persoonlijkheid de essentie begint te overheersen en een mens minder gezond wordt, begint hij te houden van wat slecht voor hem is, en een afkeer te krijgen van wat goed voor hem is.

Dit alles hangt samen met het voornaamste wat er verkeerd kan zijn in de onderlinge verhouding tussen essentie en persoonlijkheid.

Wanneer deze verhouding juist is, overheerst de essentie de persoonlijkheid. In dat geval kan de persoonlijkheid heel nuttig zijn. Maar als de persoonlijkheid de essentie overheerst, heeft dit allerlei verkeerde gevolgen.

We moeten begrijpen dat ook de persoonlijkheid noodzakelijk is voor een mens. Iemand kan niet leven zonder persoonlijkheid en uitsluitend functioneren met een essentie. De essentie en de persoonlijkheid moeten samen groeien en de een moet de ander niet overwoekeren. Gevallen waarin de essentie de overhand neemt over de persoonlijkheid komen soms voor bij onontwikkelde mensen. Deze zogenaamde eenvoudige heden kunnen heel goed en zelfs schrander zijn, maar ze zijn niet in staat zich op dezelfde manier te ontwikkelen als mensen met een rijpere persoonlijkheid.

Gevallen waarin de persoonlijkheid de essentie voorbijstreeft, worden vaak gevonden onder meer beschaafde mensen, en in dergelijke gevallen blijft de essentie in half-volgroeide of half-ontwikkelde toestand steken.

Dit betekent dat bij een snelle en vroegtijdige groei van de persoonlijkheid, de groei van de essentie al op zeer jeugdige leeftijd praktisch tot stilstand kan komen. Het gevolg is dat we mannen en vrouwen zien rondlopen die uiterlijk volwassen zijn, maar van wie de essentie is blijven steken op een leeftijd van tien of twaalf jaar. Er zijn veel omstandigheden in het moderne leven die deze onderontwikkeling van de essentie sterk in de hand werken. Zo kan bijvoorbeeld het gek zijn op sport, vooral wedstrijdsport, de ontwikkeling van de essentie zeer afdoende stopzetten, en soms al op zo jonge leeftijd dat de essentie later nooit meer in staat is zich volledig te herstellen.

Dit laat zien dat het onjuist is de essentie alleen maar verbonden te denken met de lichamelijke constitutie, in de eenvoudigste betekenis van dit begrip. Om duidelijker te

51

verklaren wat de essentie betekent, moet ik weer terugkeren tot de studie van de functies.

In de vorige lezing zei ik dat de studie van de mens begint met de studie van de vier functies: de intellect-, de emotie-, de bewegings- en de instinctfunctie. Uit de gewone psychologie en het gewone denken weten we dat de intel-lectfuncties — gedachten, enzovoorts - voortgebracht en gecontroleerd worden door een bepaald centrum dat we ‘geest’, ‘intellect’ of ‘hersenen’ noemen. En dat is waar. Maar om.een geheel juist inzicht in deze materie te krijgen, moeten we begrijpen dat de andere functies ook elk bestuurd worden door het eigen brein of centrum ervan. Vanuit het gezichtspunt van dit stelsel bestaan er dus vier breinen of centra die onze gewone handelingen besturen: het intellectbrein, het emotiebrein, het bewegingsbrein en het instinctbrein. In het vervolg zullen we deze centra noemen. Ieder centrum is volkomen onafhankelijk van de andere, het heeft zijn eigen werkingssfeer, zijn eigen vermogens en zijn eigen ontwikkelingswijze.

De centra, dat wil zeggen de structuur, de vermogens en de sterke en zwakke kanten ervan, behoren tot de essentie. De inhoud ervan, dat wil zeggen alles wat een centrum verwerft, behoort tot de persoonlijkheid. Wat bedoeld wordt met de inhoud van de centra zal later worden verklaard.

Zoals ik al gezegd heb, is de persoonlijkheid even noodza-kelijk voor de ontwikkeling van een mens als de essentie; alleen, ze moet haar juiste plaats innemen. Dit nu is vrijwel onmogelijk, omdat de persoonlijkheid vervuld is van

52

verkeerde denkbeelden over zichzelf. Ze wenst haar juiste plaats niet in te nemen, omdat haar juiste plaats secundair en ondergeschikt is; en ze wenst de waarheid over zichzelf niet te kennen, want het kennen van de waarheid betekent het opgeven van haar ten onrechte overheersende positie, en het innemen van de ondergeschikte positie die haar eigenlijk toekomt.

Deze verkeerde verhouding waarin de essentie en de persoonlijkheid met betrekking tot elkaar staan, is bepalend voor de huidige disharmonische toestand van de mensen. En de enige manier om aan deze disharmonie te ontkomen, is via zelfkennis.

‘Ken uzelf’- dat was het eerste beginsel en het eerste vereiste van de oude psychologische scholen. Deze woorden leven voort in onze herinnering, maar de betekenis ervan hebben we vergeten. We menen dat onszelf kennen het kennen betekent van onze eigenaardigheden, onze verlangens, onze smaak, en onze vermogens en bedoelingen, terwijl het in werkelijkheid betekent onszelf te kennen als machines, dat wil zeggen de structuur van onze machine, de onderdelen ervan, de functies van de verschillende onderdelen, de omstandigheden die van invloed zijn op het functioneren ervan, enzovoorts. In algemene zin beseffen we dat we een willekeurige machine niet kunnen leren kennen zonder haar te bestuderen. We moeten dit ook bedenken met betrekking tot onszelf en moeten onze eigen machine als machine bestuderen. Het middel tot deze studie is zelfwaarneming. Er is geen ander middel en niemand anders kan dit werk voor ons doen. We moeten

53

het zelf doen. Maar eerst moeten we leren hoe waar te nemen. Ik bedoel dat we de technische kant van het waarnemen moeten begrijpen: we moeten weten dat het noodzakelijk is de verschillende functies waar te nemen en die van elkaar te onderscheiden, en ons tegelijkertijd rekenschap te geven van de verschillende bewustzijnstoestanden, van onze slaap en van de vele ikken in ons. Dergelijke waarnemingen zullen al snel resultaat opleveren. Allereerst zal iemand opmerken dat het hem niet mogelijk is alles wat hij in zichzelf opmerkt, onpartijdig waar te nemen. Sommige dingen zullen hem plezier doen, andere zullen hem ergeren, irriteren en zelfs met afschuw vervullen. Dit kan niet anders. Een mens kan zichzelf niet bestuderen als een ver verwijderde ster of een merkwaardig fossiel. Volkomen vanzelfsprekend zal hij in zichzelf graag zien wat zijn ontwikkeling bevordert en een hekel hebben aan wat zijn ontwikkeling bemoeilijkt of zelfs ónmogelijk maakt. Dit betekent dat hij spoedig nadat hij begonnen is zichzelf waar te nemen, zal beginnen onderscheid te maken tussen nuttige en schadelijke trekken in zichzelf, dat wil zeggen, nuttig of schadelijk vanuit het oogpunt van zijn mogelijke zelfkennis, zijn mogelijk ontwaken, zijn mogelijke ontwikkeling. Hij zal in zichzelf kanten zien die bewust kunnen worden, en kanten die niet bewust kunnen worden en moeten worden verwijderd. Tegelijkertijd zal hij zich bij het waarnemen van zichzelf voortdurend moeten realiseren dat zijn studie van zichzelf de eerste stap is op de weg naar zijn mogelijke evolutie.

We zullen nu trachten na te gaan wat deze schadelijke

54

trekken zijn die een mens in zichzelf vindt.

In het algemeen gesproken zijn het alle mechanische uitingen. De eerste is, zoals ik al gezegd heb, liegen. Liegen is onvermijdelijk in het mechanische leven. Niemand ontkomt eraan, en hoe meer iemand denkt er vrij van te zijn, des te dieper zit hij erin. Het leven zoals het vandaag de dag is, kan zonder liegen niet bestaan. Maar van de psychologische kant bezien, heeft liegen een andere betekenis. Het betekent spreken over dingen die men niet weet en niet eens kan weten, alsof men ze wel weet en kan weten.

U moet begrijpen dat ik niet vanuit enig moreel gezichtspunt spreek. We zijn nog niet toe aan de vraag wat op zichzelf goed of kwaad is. Ik plaats mij uitsluitend op het praktische standpunt van wat nuttig en wat schadelijk is voor de studie van onszelf en voor zelfontwikkeling.

Op die manier leert iemand spoedig tekenen te ontdekken waarin hij schadelijke uitingen in zichzelf kan herkennen. Hij ontdekt dat een uiting minder schadelijk is naarmate hij deze beter kan beheersen, en dat hoe minder hij haar kan beheersen, dat wil zeggen, hoe mechanischer ze is, des te schadelijker ze kan worden.

Wanneer iemand dit inziet, wordt hij bang voor liegen, opnieuw niet vanuit moreel oogpunt, maar omdat hij zijn liegen niet kan beheersen en het liegen hem, dat wil zeggen zijn andere functies, beheerst.

Een tweede gevaarlijke trek die hij in zichzelf opmerkt is verbeelding. Heel spoedig nadat hij met zelfwaarneming is begonnen, komt hij tot de conclusie dat de voornaamste hinderpaal voor waarneming verbeelding is. Hij wil iets

55

ondernemen maar in plaats daarvan werpt zijn verbeelding zich op hetzelfde onderwerp en vergeet hij waar te nemen. Al gauw beseft hij dat mensen aan het woord verbeelding een volkomen kunstmatige en onverdiende betekenis toekennen, in de zin van scheppend of selectief vermogen. Hij geeft zich er rekenschap van dat verbeelding een vernietigende kracht is die hij nooit kan beheersen, en dat deze hem altijd van zijn meer bewuste beslissingen wegtrekt in een richting die hij niet van plan was in te slaan.Verbeelding is bijna net zo verderfelijk als liegen, het is in feite liegen tegen zichzelf. Een mens begint ermee zich iets te verbeelden om zichzelf plezier te doen maar al heel gauw begint hij te geloven in wat hij zich verbeeldt, of althans in iets ervan.

Vervolgens, of misschien ook ervóór, ziet men hoe gevaarlijk de gevolgen kunnen zijn van het uiting geven aan negatieve emoties. Onder ‘negatieve emoties’ verstaan we alle gevoelens van geweld of neerslachtigheid: zelfmedelijden, kwaadheid, achterdocht, angst, ergernis, verveling, wantrouwen, jaloezie, enzovoorts. Gewoonlijk aanvaardt men dit uiting geven aan negatieve emoties als volkomen natuurlijk en zelfs noodzakelijk. Heel vaak wordt het ‘eerlijkheid’ genoemd. Natuurlijk heeft het niets met eerlijkheid te maken; het is eenvoudig een teken van zwakte in een mens, een teken van humeurigheid en van zijn onvermogen om zijn grieven voor zich te houden. Een mens beseft dat wanneer hij probeert zich ertegen te verzetten. En hiervan leert hij nog een les. Hij realiseert zich dat het niet voldoende is de mechanische uitingen waar te nemen, maar dat het nodig is zich ertegen te verzetten, omdat men

56

ze zonder verzet ertegen niet kan waarnemen. Ze voltrekken zich zo snel, we zijn er zo aan gewend en ze ontstaan zo onmerkbaar, dat het onmogelijk is ze op te merken wanneer men zich niet voldoende inspant om er hindernissen tegen op te werpen.

Na het uiting geven aan negatieve emoties merkt men in zichzelf of in anderen nog een merkwaardige mechanische trek op: praten. In praten steekt op zich geen kwaad. Maar bij sommige mensen, in het bijzonder bij hen die zich daar het minst bewust van zijn, wordt het werkelijk een ziekelijke ondeugd. Ze praten voortdurend, waar ze ook zijn, onder het werk, op reis, zelfs in hun slaap. Ze houden nooit op met tegen iemand te praten zolang er iemand is om tegen te praten, en als er niemand is praten ze tegen zichzelf. Ook dit moet niet alleen waargenomen worden, maar men moet zich er zoveel mogelijk tegen verzetten. Als men het praten ongeremd zijn gang laat gaan, kan iemand niets waarnemen, en alle resultaten van het waarnemen zullen onmiddellijk vervluchtigen in praten.

De moeilijkheid die iemand ondervindt bij het waarnemen van deze vier uitingen — liegen, verbeelding, het uiting geven aan negatieve emoties, en onnodig praten — maken hem duidelijk hoe volkomen mechanisch hij is en hoe onmogelijk het is zonder hulp tegen deze mechaniciteit te strijden; dat wil zeggen, zonder nieuwe kennis en zonder daadwerkelijke hulp. Want zelfs als iemand bepaald materiaal ontvangen heeft, vergeet hij het te gebruiken, vergeet hij zichzelf waar te nemen; met andere woorden: hij vervalt weer in slaap en moet telkens wakker gemaakt worden. Dat ‘in slaap vallen’ vertoont enkele typische kenmerken

57

die de gewone psychologie niet kent; althans ze schenkt er geen aandacht aan en noemt ze zelfs niet. Deze trekken vereisen een nadere studie.

Er zijn er twee. De eerste wordt identificatie genoemd. ‘Identificatie’ is een merkwaardige toestand waarin een mens meer dan de helft van zijn leven doorbrengt. Hij ‘identificeert’ zich met alles: met wat hij zegt, met wat hij voelt, met wat hij gelooft of niet gelooft, met wat hij wenst of niet wenst, met wat hem aantrekt of afstoot. Alles slorpt hem op, en hij kan zich niet losmaken van het denkbeeld, het gevoel of het voorwerp dat hem in beslag neemt. Dit betekent dat een mens in de toestand van identificatie niet in staat is het onderwerp van zijn identificatie onpartijdig te bekijken. Het is moeilijk ook maar iets, hoe klein ook, te vinden waarmee een mens zich niet kan identificeren. Tegelijkertijd heeft iemand in de toestand van identificatie minder dan ooit beheersing over zijn mechanische reacties. Uitingen als liegen, verbeelding, het uiten van negatieve emoties en het zonder ophouden praten hebben identificatie nodig. Zonder identificatie kunnen ze niet bestaan. Indien een mens zich van identificatie zou kunnen bevrijden, zou hij vrij kunnen worden van veel nutteloze en dwaze uitingen.

Identificatie, de werkelijke betekenis, de oorzaken en de gevolgen ervan, dit alles wordt bijzonder goed beschreven in de Philokalia, waarover ik in de eerste lezing heb gesproken. Maar in de moderne psychologie vindt men geen spoor van het begrip identificatie. Het is een volkomen vergeten ‘psychologische ontdekking’.

De tweede slaapverwekkende factor — nauw verwant aan

identificatie - is consideratie. ‘Consideratie’ is in feite identificatie met anderen. Het is een toestand waarin iemand er voortdurend mee bezig is zich zorgen te maken over wat anderen van hem denken: behandelen ze hem wel gepast? Bewonderen ze hem wel voldoende? Enzovoorts, enzovoorts. ‘Consideratie’ speelt een heel belangrijke rol in ieders leven, maar bij sommige mensen wordt het tot een obsessie. Hun hele leven wordt gevuld met ‘consideratie’, dat wil zeggen met bezorgd zijn, twijfel en achterdocht. Daardoor blijft er geen plaats over voor iets anders.

Het fabeltje van het ‘minderwaardigheidscomplex’ en andere complexen, vindt zijn oorsprong in de vaag gevoelde, maar niet begrepen verschijnselen van ‘identificatie’ en ‘consideratie’.

Beide verschijnselen, ‘identificatie’ en ‘consideratie’ moeten heel grondig worden waargenomen. Alleen een volledig begrijpen ervan kan ze doen afnemen. Wanneer we ze niet in onszelf kunnen zien, kunnen we ze makkelijk in anderen opmerken. Maar we moeten er wel aan denken dat we in geen enkel opzicht van die anderen verschillen. In deze zin zijn we allemaal gelijk.

Terugkomend op wat hiervóór gezegd is, moeten we proberen een duidelijker inzicht te krijgen in de wijze waarop de ontwikkeling van een mens moet beginnen en hoe de studie van onszelf hierbij kan helpen. Daarbij stuiten we al direct op een moeilijkheid in onze taal. We willen bijvoorbeeld spreken over de mens vanuit het gezichtspunt van de evolutie. Maar het woord ‘mens’ laat in het

59

gewone spraakgebruik geen variatie of gradatie toe. Een mens die nooit bewust is en dit nooit beseft, een mens die worstelt om bewust te worden, een mens die volledig bewust is, het is allemaal hetzelfde in onze taal. In al deze gevallen is het altijd ‘mens’. Om deze moeilijkheid te vermijden en de leerling te helpen bij het rangschikken van zijn nieuwe denkbeelden, verdeelt dit stelsel de mens in zeven categorieën.

De eerste drie categorieën staan praktisch op hetzelfde niveau:

Mens nummer één is een mens in wie het bewegings- of het instinctcentrum de overhand heeft over het intellecten het emotiecentrum; dit wil zeggen, de fysieke mens. Mens nummer twee is de mens in wie het emotiecentrum de overhand heeft over het intellect-, het bewegings- en het instinctcentrum: de emotionele mens.

Mens nummer drie is de mens in wie het intellectcentrum de overhand heeft over het emotie-, het bewegings- en het instinctcentrum: de intellectuele mens.

In het gewone leven komen we alleen deze drie categorieën van mensen tegen. Ieder van ons, en iedereen die we kennen, is óf nummer één, óf nummer twee, óf nummer drie. Er bestaan hogere categorieën van mensen, maar er worden geen mensen geboren die al tot deze categorieën behoren. Ze worden allemaal geboren als nummer één, nummer twee, of nummer drie en kunnen de hogere categorieën alleen bereiken via scholen.

Mens nummer vier wordt niet als zodanig geboren. Hij is het product van schoolonderricht. Hij verschilt van mens

nummer één, nummer twee en nummer drie door de kennis die hij van zichzelf heeft, door het begrijpen van de positie waarin hij zich bevindt, en, zoals dat technisch wordt uitgedrukt, doordat hij een duurzaam zwaartepunt heeft verworven. Dit laatste betekent dat het denkbeeld van het verkrijgen van eenheid, bewustzijn, een duurzaam ‘Ik’ en wil, het denkbeeld dus van zijn ontwikkeling, voor hem belangrijker is geworden dan al het andere.

Aan de kenmerken van mens nummer vier moet worden toegevoegd dat zijn functies en centra meer in evenwicht zijn, en wel op een niveau dat hij nooit zou hebben kunnen bereiken zonder werk aan zichzelf in overeenstemming met schoolprincipes en —methoden.

Mens nummer vijf is de mens die eenheid en zelfbewustzijn heeft bereikt. Hij verschilt van de gewone mens, doordat in hem al een van de hogere centra werkzaam is, en hij bezit veel functies en vermogens die een gewoon mens, dat wil zeggen mens nummer één, nummer twee of nummer drie, niet bezit.

Mens nummer zes is de mens die objectief bewustzijn heeft bereikt. In hem is nog een ander hoger centrum werkzaam. Hij bezit veel nieuwe kwaliteiten en vermogens die het begrip van een gewone mens te boven gaan. Mens nummer zeven is de mens die alles bereikt heeft wat een mens kan bereiken. Hij heeft een duurzaam ‘Ik’ en vrije wil. Hij kan alle bewustzijnstoestanden in zichzelf beheersen en hij kan niets verliezen van wat hij verworven heeft.Volgens een andere beschrijving is hij onsterfelijk binnen de grenzen van het zonnestelsel.

61

Het is heel belangrijk deze verdeling van de mens in zeven categorieën goed te begrijpen, want ze vindt tal van toepassingen in de vele wijzen waarop de menselijke activiteit bestudeerd kan worden. In de handen van hen die haar begrijpen, is deze indeling een bijzonder sterk en fijn instrument of werktuig voor het omschrijven van uitingen die anders onmogelijk omschreven zouden kunnen worden.

Laten we bijvoorbeeld de algemene opvattingen over godsdienst, kunst, wetenschap en wijsbegeerte nemen. Om met de godsdienst te beginnen: we zien direct dat er een godsdienst van mens nummer één moet zijn, dat wil zeggen alle vormen van fetisjisme, hoe ze ook genoemd worden; een godsdienst van mens nummer twee: een emotionele en sentimentele godsdienst, die soms in fanatisme overgaat en in de grofste vormen van onverdraagzaamheid, kettervervolging, enzovoort; een godsdienst van mens nummer drie: een theoretische, schoolse godsdienst, vol van geharrewar over woorden, vormen en rituelen, die van meer belang worden dan wat dan ook; een godsdienst van mens nummer vier: de godsdienst van de mens die werkt aan zelfontwikkeling; een godsdienst van mens nummer vijf: de godsdienst van de mens die eenheid bereikt heeft en veel dingen kan zien en weten die de mensen nummer één, twee en drie niet kunnen zien en niet kunnen weten; en tenslotte een godsdienst van mens nummer zes en een godsdienst van mens nummer zeven, maar over geen van deze beide kunnen we iets weten. Dezelfde verdeling is van toepassing op kunst, wetenschap en wijsbegeerte. Er moet een kunst zijn van mens num-

mer één, nummer twee en nummer drie; een wetenschap van mens nummer één, een wetenschap van mens nummer twee, een wetenschap van mens nummer drie, een wetenschap van mens nummer vier, enzovoorts. U moet proberen hier zelf voorbeelden van te vinden.

Deze uitbreiding van begrippen geeft ons een veel grotere mogelijkheid tot het vinden van de juiste oplossingen voor veel van onze problemen.

En dit betekent dat dit stelsel de mogelijkheid opent tot het bestuderen van een nieuwe taal — dat wil zeggen, een taal die nieuw is voor ons; deze taal laat ons het verband zien tussen begrippen van verschillende categorieën die in werkelijkheid één zijn, en maakt het ons mogelijk te onderscheiden tussen begrippen die ogenschijnlijk tot dezelfde categorie behoren maar in wezen verschillend zijn. De verdeling van het woord ‘mens’ in zeven woorden: nummer één, twee, drie, vier, vijf, zes en zeven, met alles wat daarmee samenhangt, is een voorbeeld van deze nieuwe taal. Dit levert ons de vierde omschrijving van psychologie als de studie van een nieuwe taal. En deze nieuwe taal is een universele taal, die mensen soms proberen te vinden of uit te vinden.

De uitdrukking ‘universele’ of‘wijsgerige taal’ moet niet in overdrachtelijke zin worden opgevat. De taal is universeel in dezelfde zin als wiskundige symbolen universeel zijn. En bovendien omvat ze in zichzelf alles waarover een mens kan denken. U kent nog pas de paar woorden van deze taal die al zijn uitgelegd; toch geven zelfs die u al de mogelijkheid met een grotere precisie te denken en te spreken dan in de gewone taal mogelijk is, zelfs wanneer u

63

gebruik maakt van welke wetenschappelijke of filosofische terminologie en nomenclatuur dan ook.

III

Het denkbeeld dat een mens een machine is, is niet nieuw. Het is in feite het enige wetenschappelijk verantwoorde standpunt; dat wil zeggen, een standpunt gegrond op waarneming en proefondervindelijk onderzoek. Een zeer goede beschrijving van de mechaniciteit van de mens werd gegeven in de zogenaamde ‘psychofysiologie’ in de tweede helft van de 19e eeuw. Daarin werd een mens tot geen enkele beweging in staat geacht zonder indrukken van buitenaf te ontvangen. De geleerden uit die tijd beweerden dat indien het mogelijk zou zijn een mens vanaf zijn geboorte alle uiterlijke en inwendige impressies te onthouden en hem tegelijkertijd in leven te houden, hij niet in staat zou zijn ook maar de kleinste beweging te maken.

Een dergelijk experiment is natuurlijk onmogelijk, zelfs met een dier, omdat het proces van de instandhouding van het leven: ademhaling, eten, enzovoorts, allerlei soorten indrukken zal voortbrengen die eerst verschillende reflexbewegingen in gang zetten en vervolgens het bewegingscentrum doen ontwaken. Maar dit denkbeeld is belangrijk want het toont duidelijk aan dat de werkzaamheid van de machine afhankelijk is van uiterhjke indrukken en begint met reacties op deze indrukken.

65

Elk van de centra van de machine is er volkomen op ingesteld zijn eigen soort indrukken te ontvangen en er op de juiste wijze op te reageren. En wanneer de centra goed werken, is het mogelijk het werk van de machine te berekenen en vele toekomstige gebeurtenissen en reacties van de machine te voorzien en te voorspellen, en men kan deze bestuderen en ze zelfs besturen.

Maar helaas werken de centra, zelfs in wat men een gezond en normaal mens noemt, zelden zoals ze zouden moeten werken.

Dit komt doordat de centra zo zijn ingericht dat ze elkaar tot op zekere hoogte kunnen vervangen. De oorspronkelijke opzet van de natuur was ongetwijfeld om daardoor de ononderbroken werking van de centra te verzekeren en een waarborg te scheppen tegen mogelijke storingen in het werk van de machine, omdat een onderbreking in sommige gevallen noodlottig zou kunnen zijn.

Maar bij ongedisciplineerde machines — zoals we allemaal zijn — leidt het vermogen van de centra om eikaars werk over te nemen tot excessen, met het gevolg dat de machine maar zelden zo functioneert dat elk centrum zijn eigen werk doet. Bijna iedere minuut laat het ene of het andere centrum zijn werk in de steek en probeert dan het werk van een ander centrum te doen, dat op zijn beurt weer het werk van een derde centrum tracht over te nemen.

Ik zei dat de centra elkaar tot op zekere hoogte kunnen vervangen, maar niet helemaal. Het is onvermijdelijk dat ze in dergelijke gevallen veel minder doelmatig werken. Zo kan het bewegingscentrum tot op zekere hoogte het werk van het denkcentrum nabootsen, maar het kan alleen

maar heel vage en onsamenhangende gedachten voortbrengen, zoals in dromen en dagdromen. Op zijn beurt kan het denkcentrum het werk van het bewegingscentrum verrichten. Probeer bijvoorbeeld maar eens te schrijven en daarbij te denken aan iedere letter die u gaat opschrijven en hoe u die zult schrijven. U kunt tal van dergelijke experimenten doen en proberen uw denken te gebruiken om iets te doen dat uw handen of benen zonder deze hulp kunnen: bijvoorbeeld een trap aflopen en elke beweging volgen, of met uw handen een routine-werkje doen en iedere beweging met uw denken berekenen en voorbereiden. U zult onmiddelhjk merken hoeveel moeilijker het werk wordt, hoeveel langzamer en onhandiger het denkcentrum is dan het bewegingscentrum. U zult dit ook merken wanneer u een nieuwe beweging aanleert, zoals bij het leren typen of wanneer een soldaat moet leren schieten. Voor een bepaalde tijd zijn al uw of zijn bewegingen afhankelijk van het denkcentrum en pas na enige tijd gaan ze over op het bewegingscentrum. Iedereen kent de opluchting wanneer bewegingen tot een gewoonte worden, wanneer de juiste uitvoering ervan automatisch is geworden en het niet meer nodig is iedere beweging uit te denken en te berekenen. Dit betekent dat de beweging is overgegaan naar het bewegingscentrum waar ze normaal thuishoort.

Het instinctcentrum kan voor het emotiecentrum werken en het emotiecentrum kan in bepaalde gevallen voor alle andere centra werken. En een enkele keer moet het denkcentrum werk van het instinctcentrum overnemen, hoe-

67

wel het dit maar voor een heel klein deel kan doen, het deel namelijk dat verbonden is met zichtbare bewegingen, zoals de beweging van de borstkas bij het ademhalen. Het is zeer gevaarlijk te interfereren in de normale functies van het instinctcentrum, zoals bijvoorbeeld met ademhalingsoefeningen, die soms beschreven worden als ‘yoga-adem-haling’ en die alleen ondernomen moeten worden onder toezicht van een deskundig en geoefend leraar.

Wat het verkeerd werken van de centra betreft, moet ik verder opmerken dat dit vrijwel ons hele leven vult. Onze oppervlakkige indrukken, onze geringe ontvankelijkheid voor impressies, traagheid van begrip van veel dingen, heel vaak ook onze ‘identificatie’ en ‘consideratie’, ja zelfs ons liegen, berusten alle op het verkeerd werken van de centra.

Ons gewone denken en weten kent het denkbeeld van het verkeerd werken van de centra niet en we realiseren ons niet hoeveel schade hierdoor wordt berokkend, hoeveel energie we op deze manier verspillen en hoeveel moeilijkheden dit verkeerde werk van de centra ons bezorgt. Een onvoldoende begrip omtrent het verkeerd werken van onze machines houdt gewoonlijk verband met de illusie die we koesteren met betrekking tot onze innerlijke eenheid. Wanneer wij beseffen hoe we in onszelf verdeeld zijn, beginnen we het gevaar te beseffen dat schuilt in het feit dat één deel van ons het werk van een ander deel overneemt zonder dat we dat weten.

Bij de studie van onszelf en bij zelfwaarneming is het daar-

68

om noodzakelijk niet alleen de juiste maar ook de verkeerde werkwijze van de centra te bestuderen en waar te nemen. Het is nodig alle vormen van verkeerd werken te kennen, alsmede de karakteristieke trekken daarvan bij bepaalde mensen. Het is onmogelijk zichzelf te kennen zonder de eigen gebreken en verkeerdheden te kennen. En behalve de algemene gebreken die iedereen heeft, heeft ieder van ons zijn eigen specifieke gebreken, en ook deze moeten te zijner tijd bestudeerd worden.

In het begin wees ik erop dat het denkbeeld dat een mens een machine is die door uiterlijke invloeden in beweging wordt gezet, in wezen een wetenschappelijk denkbeeld is.Wat de wetenschap niet weet, is:

Ten eerste, dat de menselijke machine niet op volle capaciteit werkt, en in werkelijkheid zelfs ver daaronder; dat wil zeggen niet op volle kracht functioneert en niet met al haar delen.

Ten tweede, dat ze ondanks vele hinderpalen in staat is zich te ontwikkelen en zich tot een geheel ander niveau van ontvankelijkheid en werkzaamheid op te werken.

We moeten nu de voorwaarden onderzoeken die noodzakelijk zijn voor ontwikkeling, want we moeten wel beseffen dat ontwikkeling, al is deze dan mogelijk, tegelijkertijd erg zeldzaam is en dat hiervoor aan een groot aantal uiterlijke en innerlijke voorwaarden moet worden voldaan.

Welke zijn deze voorwaarden?

De eerste is dat een mens zijn toestand, zijn moeilijkheden en zijn mogelijkheden moet begrijpen, en daarbij óf intens

69

moet verlangen aan zijn huidige toestand te ontkomen, óf een diepe belangstelling moet hebben voor de nieuwe, onbekende toestand waar de verandering hem naartoe moet voeren. Kortom, ofwel zijn huidige toestand moet hem sterk tegenstaan, ofwel hij moet sterk aangetrokken worden door de toekomstige toestand die bereikt kan worden.

Verder moet er een zekere voorbereiding zijn. Iemand moet in staat zijn te begrijpen wat hem verteld wordt. Ook moet hij in de juiste uiterlijke omstandigheden verkeren: hij moet voldoende tijd voor studie beschikbaar hebben en hij moet leven onder omstandigheden die studie veroorloven.

Het is onmogelijk alle voorwaarden op te noemen waaraan moet worden voldaan. Maar ze vereisen allereerst een school. En dit houdt in dat er in het gegeven land zodanige sociale en politieke toestanden moeten heersen dat er een school kan bestaan, want dit is lang niet onder alle omstandigheden mogelijk: daarvoor is een min of meer geordend leven en bovendien een bepaald niveau van beschaving en persoonlijke vrijheid noodzakelijk. Onze tijd is in dit opzicht wel bijzonder moeilijk. In het Oosten zijn de scholen snel aan het verdwijnen. In bolsjewistisch Rusland, Hitlers Duitsland, Mussolini’s Italië of Kemals Turkije zou bijvoorbeeld geen school kunnen bestaan.

In ‘Een nieuw model van het heelal’ heb ik enkele verzen uit de Wetten van Manoe met betrekking tot dit onderwerp aangehaald.

Uit de wetten voor een Snataka (goed huisvader):

61 Hij mag niet wonen in een land, geregeerd door Soedra’s, noch in een land bevolkt door goddeloze lieden, noch in een door ketters overwonnen land, noch in een land waarin veel mensen van lagere kasten wonen.

79 Hij mag niet regelmatig verkeren met uitgeworpenen, noch met Kandala’s, laagstaande mensen, noch met Pukkases, noch met idioten, noch met hovaardigen, noch met lieden van lagere klasse, noch met Antyava Sayins (grafdelvers).

Hoofdstuk VIII.

22 Een rijk, dat bijna geheel bevolkt wordt door Soedra’s, gevuld is met goddelozen, en gespeend is van twee-maalgeborenen, zal spoedig geheel vergaan en getroffen worden door honger en ziekte.

Deze denkbeelden uit de wetten van Manoe zijn van groot belang omdat ze ons een grondslag bieden voor het beoordelen van verschillende politieke en sociale voorwaarden vanuit het oogpunt van schoolwerk. Ook leren ze ons onderscheid maken tussen omstandigheden die tot een werkelijke vooruitgang kunnen bijdragen en omstandigheden die alleen maar leiden tot de vernietiging van alle echte waarden, ook al wenden de aanhangers daarvan voor dat deze omstandigheden bevorderlijk zijn en slagen ze er zelfs in grote aantallen zwakken van geest te misleiden.

De uiterlijke omstandigheden zijn echter niet van ons afhankelijk. Tot op zekere hoogte kunnen we — soms met

71

grote moeilijkheden — het land uitkiezen waar we bij voorkeur willen leven, maar we kunnen geen invloed uitoefenen op de tijdsperiode of de eeuw waarin we leven en moeten dus wel proberen te vinden wat we zoeken in de tijdsperiode waarin we door het lot zijn geplaatst.

We moeten dus begrijpen dat zelfs voor het begin van de voorbereiding tot ontwikkeling een combinatie van uiterlijke en innerlijke omstandigheden nodig is en dat deze zelden gelijktijdig aanwezig zijn.

Tegelijkertijd moeten we echter beseffen dat een mens, althans wat de innerlijke voorwaarden betreft, niet geheel aan de wet van het toeval is overgeleverd. Er zijn veel lichten voor hem ontstoken die hem kunnen helpen zijn weg te vinden als hij dat wenst en als hij geluk heeft. Zijn mogelijkheden zijn zó klein dat het element geluk niet uitgeschakeld kan worden.

Laten we nu proberen de vraag te beantwoorden: Wat doet een mens ernaar verlangen nieuwe kennis te verwerven en zichzelf te veranderen?

Een mens leeft onder twee soorten invloeden. Dit moet heel goed begrepen worden en het verschil tussen de twee soorten invloeden moet duidelijk worden onderkend.

De eerste soort bestaat uit interessen en attracties die hun oorsprong vinden in het leven zelf: belangstelling voor onze gezondheid, onze veiligheid, rijkdom, genoegens, amusement, zekerheid, ijdelheid, trots, roem, enzovoorts. De tweede soort bestaat uit interessen van een hele andere orde, gewekt door denkbeelden die niet voortkomen uit het leven maar oorspronkelijk van scholen afkomstig

72

zijn. Deze invloeden bereiken de mens niet rechtstreeks. Ze komen terecht in de algemene maalstroom van het leven, vinden hun weg door vele geesten, en bereiken een mens via wijsbegeerte, wetenschap, godsdienst en kunst, maar altijd vermengd met invloeden van de eerste soort en in het algemeen weinig gelijkend op wat ze eerst waren. In de meeste gevallen beseffen mensen niet dat de tweede soort een andere oorsprong heeft, en denken zij dat ze allemaal uit dezelfde bron komen.

Al weet een mens niets af van het bestaan van twee soorten invloeden, ze werken beide op hem in, en op de een of andere wijze respondeert hij erop.

Hij kan uitsluitend openstaan voor één of enkele invloeden van de eerste soort en volkomen onontvankelijk zijn voor invloeden van de tweede soort. Of hij kan aangetrokken en geraakt worden door de een of andere invloed van de tweede soort. De uitkomst is in beide gevallen verschillend.

We zullen de eerste soort A-invloeden en de tweede soort B-invloeden noemen.

Als een mens volledig in de macht van A-invloeden is, of van één speciale A-invloed, en volkomen onverschillig voor B-invloeden, gebeurt er niets met hem en wordt zijn mogelijkheid tot ontwikkeling elk jaar van zijn leven kleiner; en op een bepaalde leeftijd, vaak al heel vroeg, verdwijnt ze helemaal. Dit betekent dat die mens sterft terwijl hij fysiek nog in leven blijft, zoals een zaadkorrel die niet kan ontkiemen en een plant voortbrengen.

Maar als een mens daarentegen niet volledig in de macht van A-invloeden is en als B-invloeden hem aantrekken en

73

doen voelen en denken, voegen de gevolgen van de indrukken die ze in hem voortbrengen zich in hem samen, trekken ze invloeden van dezelfde soort aan en groeien, zodat ze een steeds belangrijker plaats in zijn denken en leven gaan innemen.

Indien de door B-invloeden veroorzaakte gevolgen sterk genoeg worden, smelten ze samen en vormen in een mens wat een magnetisch centrum wordt genoemd. Hierbij moet worden aangetekend dat het woord ‘centrum’ hier niet hetzelfde betekent als in de termen ‘denkcentrum’ of ‘bewegingscentrum’. Dit zijn centra in de essentie. Het magnetisch centrum daarentegen wordt in de persoonlijkheid gevormd, het is eenvoudig een groep van interessen die, wanneer ze sterk genoeg worden, tot op zekere hoogte als leidinggevende en besturende factor dienen. Het magnetisch centrum geeft aan iemands belangstelling een bepaalde richting en helpt deze daar vast te houden.

Uit zichzelf kan het magnetisch centrum echter niet veel doen. Een school is noodzakelijk. Het magnetisch centrum kan een school niet vervangen, maar het kan wel helpen de behoefte eraan te doen beseffen; en ook om te beginnen naar een school uit te kijken of, wanneer men toevallig met een school in aanraking komt, deze als zodanig te herkennen en te proberen haar niet te verliezen. Want niets is makkelijker dan een school te verliezen.

Het bezit van een magnetisch centrum is het eerste, zij het niet expliciet geformuleerde vereiste van een school. Wanneer iemand zonder een magnetisch centrum, of met een klein of zwak magnetisch centrum, of met verschillende tegenstrijdige magnetische centra — dat wil zeggen,

74

met een gelijktijdige belangstelling voor een aantal onderling onverenigbare dingen — met een school in aanraking komt, is hij er niet in geïnteresseerd, of hij oefent direct kritiek uit nog voor hij er iets van kan weten, of zijn interesse verdwijnt heel snel zodra hij geconfronteerd wordt met de eerste moeilijkheden van het schoolwerk. Dit is de voornaamste beveiliging van een school. Anders zou de school vol zitten met een heel verkeerd soort mensen die het schoolonderricht onmiddellijk zouden verdraaien.

Een juist magnetisch centrum helpt niet alleen een school te herkennen, maar helpt ook bij het opnemen van het schoolonderricht, dat verschilt van zowel A-invloeden als B-invloeden en gevoeglijk C-invloed kan worden genoemd.

Een C-invloed kan alleen mondeling worden overgedragen, door rechtstreeks onderricht, rechtstreekse uitleg en demonstratie.

Wanneer iemand in aanraking met een C-invloed komt en in staat is deze op te nemen, wordt van hem gezegd dat hij in één punt in zichzelf, dat wil zeggen in zijn magnetisch centrum, vrij wordt van de wet van het toeval. Op dat moment heeft het magnetisch centrum zijn taak vervuld en houdt het op een rol te spelen. Hij heeft een mens tot een school gebracht of hem daar geholpen bij zijn eerste stappen. Vanaf dit punt zijn het de ideeën en het onderricht van de school die de plaats innemen van het magnetisch centrum en deze beginnen langzaam door te dringen in de verschillende delen van de persoonlijkheid en na verloop van tijd ook in de essentie.

Men kan veel over scholen, over de organisatie en activi-

75

teiten ervan, te weten komen op de gewone manier door erover te lezen en door het bestuderen van tijdperken in het verleden toen scholen nog meer in de openbaarheid traden en makkelijker toegankelijk waren. Maar bepaalde zaken over scholen kan iemand alleen in de scholen zelf leren. En de verklaring van schoolbeginselen en schoolregels neemt een zeer belangrijke plaats in het schoolonderricht in.

Een van de belangrijkste principes die men zo leert, is dat werkelijk schoolwerk gelijktijdig langs drie verschillende lijnen moet plaatsvinden. Eén of twee lijnen van werk kunnen geen echt ‘schoolwerk’ genoemd worden.

Welke zijn deze drie lijnen?

In de eerste lezing heb ik al gezegd dat deze lezingen geen school zijn. Nu kan ik uitleggen waarom dit zo is.

Eens werd mij tijdens een lezing de vraag gesteld: werken mensen die dit stelsel bestuderen alleen voor zichzelf of werken ze voor anderen? Ook deze vraag zal ik beantwoorden.

De eerste lijn van werk is de studie van zichzelf en van het

#•

stelsel, of van de ‘taal’. Langs deze lijn werkt men duidelijk voor zichzelf.

De tweede lijn is werken met anderen in de school, en door met hen te werken, werkt men ook voor hen. Langs de tweede lijn leert iemand dus te werken met en voor mensen.

Dit maakt de tweede lijn zo bijzonder moeilijk voor sommige mensen.

Langs de derde lijn werkt men voor de school. Om voor

76

de school te kunnen werken, moet iemand eerst het werk van de school begrijpen, de doeleinden en behoeften ervan begrijpen. En dit kost tijd - tenzij iemand werkelijk goed voorbereid is, want sommige mensen kunnen met de derde lijn beginnen of deze in ieder geval heel makkelijk vinden.

Toen ik zei dat deze lezingen geen school vormen, bedoelde ik dat ze alleen maar de mogelijkheid tot één lijn van werk openen, dat wil zeggen tot de studie van het stelsel en van onszelf. Wel is het zo dat mensen, alleen al door samen te leren, het begin van de tweede lijn van werken bestuderen. Ze leren elkaar tenminste te verdragen, en als ze ruim genoeg denken en snel genoeg aanvoelen, kunnen ze zelfs iets begrijpen van de tweede en de derde lijn van werk. Maar toch kan men van lezingen alleen niet veel verwachten.

Langs de tweede lijn van werk, in een volledige schoolorganisatie, moeten mensen niet alleen met elkaar praten, maar ook samen werken, en dit werk kan heel divers zijn maar het moet altijd op de een of andere wijze nuttig zijn voor de school. Dit betekent dus dat men in het werk langs de eerste lijn de tweede lijn bestudeert, en in het werk langs de tweede lijn de derde lijn bestudeert. Later zult u inzien waarom drie lijnen noodzakelijk zijn en waarom alleen langs drie lijnen met succes gewerkt kan worden in de richting van een bepaald doel.

Zelfs nu kunt u echter de voornaamste reden al begrijpen waarom drie lijnen van werk noodzakelijk zijn, wanneer u beseft dat een mens slaapt en dat hij, waarmee hij ook begint, spoedig zijn belangstelling ervoor verliest en

77

mechanisch verder gaat. Drie lijnen van werk zijn in de eerste plaats nodig omdat een mens die langs de ene lijn inslaapt, door een andere wakker wordt gemaakt. Als hij werkelijk langs drie lijnen werkt, kan hij niet zo rustig slapen als voorheen. Hij zal altijd weer wakker worden en beseffen dat zijn werk stilstaat.

Ik kan nog een heel karakteristiek verschil tussen de drie lijnen van werk aangeven.

Langs de eerste lijn werkt iemand voornamelijk aan de studie van het stelsel of aan de studie van zichzelf en zelfwaarneming, en hij moet in zijn werk een bepaalde hoeveelheid initiatief met betrekking tot zichzelf aan de dag leggen.

Langs de tweede lijn werkt een mens in het verband van een bepaald georganiseerd werk en moet hij alleen doen wat hem opgedragen wordt. Er is geen initiatief vereist of zelfs toegestaan in de tweede lijn en het voornaamste is discipline en precies doen wat er gezegd wordt, zonder eigen denkbeelden tussenbeide te laten komen, zelfs al lijken deze beter dan wat er opgedragen is.

Bij de derde lijn kan iemand weer meer initiatief ontwikkelen, maar men moet zichzelf steeds controleren en geen beslissingen nemen tegen de regels en beginselen, of in strijd met de gegeven opdracht.

Ik zei reeds dat het werk begint met de studie van de taal. Het zal heel nuttig zijn als u op dit punt tracht u te realiseren dat u al een aantal woorden van deze nieuwe taal kent, en ook probeert deze nieuwe woorden te tellen en

78

op te schrijven. Alleen, ze moeten opgeschreven worden zonder commentaar; dat wil zeggen, zonder verklaring -commentaar en verklaring of uitleg moeten deel uitmaken van uw begrip. _U kunt ze niet op papier zetten. Als dat mogelijk was zou de studie van psychologische leringen heel eenvoudig zijn. Het zou voldoende zijn een soort woordenlijst of woordenboek te publiceren en de mensen zouden alles weten wat nodig is. Maar dit is — gelukkig of helaas - onmogelijk en de mensen moeten ieder voor zichzelf leren en werken.

We moeten nogmaals terugkeren tot de centra en proberen te ontdekken waarom we ons niet sneller kunnen ontwikkelen zonder langdurig schoolwerk.

We weten dat we bij het leren van iets nieuws, nieuw materiaal in ons geheugen verzamelen. Maar wat is ons geheugen? Om dit te begrijpen moeten we ieder centrum leren zien als een afzonderlijk en onafhankelijk apparaat dat bestaat uit gevoelig materiaal, vergelijkbaar met het materiaal van fonografische rollen.* Alles wat ons overkomt, wat we zien, horen, voelen en leren, wordt op deze rollen vastgelegd. Dit betekent dat alle uiterlijke en innerlijke voorvallen bepaalde ‘indrukken’ op deze rollen achterlaten. ‘Indrukken’ is daar een heel goed woord voor, omdat het inderdaad een indruk is, een stempelindruk. Een indruk kan diep of heel oppervlakkig zijn, of zo vluchtig dat hij zeer snel weer verdwijnt en geen enkel spoor achterlaat. Maar diep of vluchtig, het zijn indruk-

* Fonografische rollen horen bij een fonograaf, een apparaat dat in 1878 werd gepatenteerd doorT.A. Edison. Hiermee was het voor het eerst mogeliijk geluid op te nemen en af te spelen

79

ken. En deze indrukken op de rollen zijn alles wat we hebben, ze vormen ons hele bezit. Alles wat we weten, alles wat we hebben geleerd en ondervonden — het is allemaal geregistreerd op onze rollen. Op precies dezelfde manier bestaan al onze denkprocessen en onze berekeningen en speculaties uit het vergelijken van wat er op die rollen is geregistreerd, het lezen en herlezen ervan en het proberen ze te begrijpen door ze samen te voegen en te vergelijken, enzovoorts. We kunnen niets nieuws denken, niets wat niet op onze rollen staat. We kunnen niets zeggen noch iets doen dat niet correspondeert met de een of andere registratie op onze rollen. We kunnen geen nieuwe gedachte denken, evenmin als we een nieuw dier kunnen uitvinden omdat al onze denkbeelden over dieren zijn gebaseerd op onze waarnemingen van bestaande dieren.

De registraties of indrukken op de rollen zijn verbonden door associaties. Deze associaties verbinden indrukken die ofwel gelijktijdig zijn ontvangen, ofwel op de een of andere wijze op elkaar lijken.

In mijn eerste lezing zei ik dat de herinnering afhankelijk is van het bewustzijn en dat we ons alleen die ogenblikken herinneren waarin we flitsen van bewustzijn hadden. Het spreekt vanzelf dat verschillende indrukken die gelijktijdig ontvangen en onderling verbonden zijn, langer in de herinnering blijven dan los van elkaar staande indrukken. In een flits van zelfbewustzijn of zelfs van iets dat het benadert, worden alle indrukken van het ogenblik onderling verbonden en ze blijven dat in de herinnering. Dit is ook het geval met indrukken die verbonden zijn door hun innerlijke gelijkenis. Wanneer een mens bewust is op het

ogenblik waarop indrukken worden ontvangen, verbindt hij deze nieuwe indrukken vaster met gelijksoortige oude indrukken en blijven ze in de herinnering verbonden. Wanneer hij daarentegen indrukken ontvangt in een toestand van identificatie, merkt hij ze eenvoudig niet op en de sporen ervan verdwijnen voordat ze op hun waarde beoordeeld en geassocieerd kunnen worden. In de toestand van identificatie ziet noch hoort men. Iemand wordt volkomen in beslag genomen door zijn ergernis, zijn begeerten of zijn verbeelding. Hij kan zich niet losmaken van de dingen, van gevoelens en herinneringen, en is volkomen afgesloten van de buitenwereld.

81

IV

We zullen vandaag beginnen met een meer gedetailleerd onderzoek van de centra. Het diagram van de vier centra ziet er als volgt uit:





















Dit diagram stelt in zijaanzicht een mens voor die naar links kijkt en laat zeer schematisch de plaats van de centra zien ten opzichte van elkaar.

In werkelijkheid is ieder centrum in het hele lichaam aanwezig, doordringt als het ware het hele organisme. Maar toch heeft ieder centrum een soort ‘zwaartepunt’. Het zwaartepunt van het denkcentrum is in de hersenen, dat van het emotie- of gevoelscentrum in de solar plexus (zonnevlecht) of plexus coeliaca en dat van het bewe-

83

gings- en het instinctcentrum in het ruggenmerg.

We moeten begrijpen dat we bij de huidige stand van de wetenschappelijke kennis deze bewering niet kunnen staven, en dit des te minder omdat ieder centrum vele eigenschappen bezit die in de gewone wetenschap — zelfs in de anatomie - nog onbekend zijn. Het klinkt misschien vreemd, maar het is een feit dat de anatomie van het menselijk lichaam een nog verre van voltooide wetenschap is. De studie van de centra moet, omdat deze als zodanig verborgen voor ons zijn, dus beginnen met het observeren van hun functies, die wél helemaal voor ons onderzoek openstaan.

Dit is een volkomen normale werkwijze. In tal van wetenschappen - fysica, chemie, astronomie, fysiologie - is het heel vaak zo dat we niet kunnen doordringen tot de voorwerpen of stoffen zelf die we willen bestuderen, waardoor we moeten beginnen met een onderzoek van de effecten van hun werkzaamheid of de gevolgen van hun aanwezigheid. In dit geval hebben we te maken met de directe functies van de centra. Alles wat we dus omtrent de functies vaststellen, kan op de centra worden toegepast.

Alle centra hebben veel gemeen en tegelijkertijd heeft ieder centrum zijn eigen specifieke eigenschappen die steeds in het oog gehouden moeten worden.

Een van de belangrijkste beginselen die begrepen moeten worden in verband met de studie van de centra, is het grote verschil in de snelheid ervan, dat wil zeggen, het verschil in snelheid van de functies ervan.

Het langzaamste is het denkcentrum. Daarop volgen — al

veel en veel sneller — het bewegings- en instinctcentrum, die ongeveer dezelfde snelheid hebben. Het snelst van alle is het emotiecentrum, hoewel dit in de toestand van ‘wakende slaap’ maar hoogst zelden ook maar bij benadering op zijn werkelijke snelheid werkt; in de regel werkt het met dezelfde snelheid als het instinct- en bewegingscentrum.

Waarnemingen kunnen ons helpen het grote verschil in snelheid van de functies vast te stellen, maar ze leveren ons niet de juiste getallen op. In werkelijkheid is het verschil zeer groot, groter dan men voor mogelijk zou houden tussen functies van hetzelfde organisme. Zoals ik zei, kunnen we met onze gewone middelen het verschil in snelheid van de centra niet berekenen; maar wanneer ons de getallen worden genoemd, kunnen we veel feiten vinden die, al kunnen ze de getallen niet bevestigen, wél het bestaan van het enorme verschil aantonen.

Voordat we het over deze getallen hebben, wil ik het hebben over enkele gewone waarnemingen die we zonder enige speciale kennis kunnen doen.

Probeert u bijvoorbeeld eens de snelheid van denkprocessen te vergelijken met bewegingsfuncties. Tracht uzelf te observeren wanneer u verschillende snelle bewegingen tegelijkertijd moet uitvoeren, zoals bijvoorbeeld een auto besturen in een drukke straat of hard rijden op een slechte weg, of iets anders dat een snel oordeel en snelle bewegingen vereist. U zult onmiddellijk opmerken dat u niet al uw bewegingen kunt waarnemen. Ofwel u zult het tempo aanmerkelijk moeten verlagen, ófwel het grootste deel van uw waarnemingen ontgaat u, want anders riskeert u een

85

ongeluk - en krijgt u er naar alle waarschijnlijkheid een wanneer u doorgaat met waarnemen. Zo kunnen veel van deze waarnemingen worden gedaan, in het bijzonder met betrekking tot het emotiecentrum, dat nog sneller is. Iedereen heeft het verschil in snelheid tussen de functies talloze keren waargenomen, maar we kennen slechts zelden de juiste waarde toe aan deze waarnemingen en ervaringen. Pas wanneer we het principe kennen, beginnen we onze vroegere waarnemingen te begrijpen.

In schoolstelsels echter zijn de getallen die op deze verschillende snelheden betrekking hebben, vastgesteld en bekend. Zoals we later zullen zien is het verschil in snelheid van de centra een heel merkwaardig getal met een kosmische betekenis, dat wil zeggen, het komt voor in vele kosmische processen, of beter gezegd, het scheidt vele kosmische processen van elkaar. Dit cijfer is 30.000. Dit betekent dat het bewegings- en het instinctcentrum 30.000 maal zo snel zijn als het denkcentrum. En het emotiecentrum, wanneer het met zijn eigen snelheid werkt, is weer

30.000 maal zo snel als het bewegings- en het instinctcentrum.

Het is moeilijk te geloven dat er zulke enorme verschillen in snelheid bestaan tussen de functies in één en hetzelfde organisme. Het betekent in feite, dat de verschillende centra een geheel verschillende tijd hebben. Het instinct- en het bewegingscentrum hebben 30.000 maal zo lang de tijd als het denkcentrum, en het emotiecentrum heeft 30.000 maal zo lang de tijd als het bewegings- en het instinctcentrum.

Is het u helemaal duidelijk wat ‘langer de tijd’ betekent?

Het wil zeggen dat voor ieder soort werk dat een centrum moet verrichten, het ene centrum zoveel meer tijd beschikbaar heeft als het andere. Hoe vreemd het misschien ook lijkt, door dit feit van het grote verschil in snelheid tussen de centra wordt een groot aantal welbekende verschijnselen verklaard die de gewone wetenschap niet kan verklaren en waaraan ze gewoonlijk stilzwijgend voorbijgaat of die ze eenvoudig weigert te bespreken. Ik doel hier op de verbazingwekkende en volkomen onverklaarbare snelheid van bepaalde fysiologische processen. Iemand drinkt bijvoorbeeld een glas cognac en onmiddellijk, in minder dan een seconde, ervaart hij tal van nieuwe gevoelens en gewaarwordingen: een gevoel van warmte, ontspanning, opluchting, vrede, tevredenheid, welbehagen; of aan de andere kant: boosheid, irritatie, enzovoorts. Wat hij voelt kan van geval tot geval anders zijn, maar het is steeds zo dat het lichaam zeer snel, bijna onmiddellijk, op de prikkel reageert.

Het is overigens niet nodig over alcohol of een andere stimulans te spreken: wanneer iemand erg dorstig of hongerig is, heeft een glas water of een stuk brood precies dezelfde snelle uitwerking.

Soortgelijke verschijnselen waarbij de enorme snelheid van bepaalde processen aan de dag treedt, kunnen bijvoorbeeld bij het waarnemen van dromen worden opgemerkt. Ik haalde hiervan enkele voorbeelden aan in ‘Een nieuw model van het heelal’.

Eenzelfde verschil bestaat er tussen het instinct- en het denkcentrum, en eveneens tussen het bewegings- en het denkcentrum. Maar we zijn zo gewend aan deze ver-

87

schijnselen dat we zelden beseffen hoe vreemd en onbegrijpelijk ze zijn.

Voor iemand die nooit over zichzelf heeft nagedacht en nooit geprobeerd heeft zichzelf te bestuderen, ligt hierin -of in wat dan ook - natuurlijk niets bijzonders. Maar in werkelijkheid zijn deze verschijnselen vanuit het oogpunt van de gewone fysiologie bijna wonderbaarlijk.

De fysioloog weet hoeveel ingewikkelde processen er moeten plaatsvinden tussen het drinken van een glas cognac of water, en het ervaren van het effect daarvan. Iedere substantie die door de mond binnenkomt in het lichaam, moet geanalyseerd en op verschillende manieren onderzocht worden en wordt pas daarna aangenomen of verworpen. En dit alles vindt plaats in één seconde of minder. Het is een wonder en ook weer niet. Want als we het verschil in snelheid tussen de centra kennen en ons herinneren dat het instinctcentrum dat dit werk moet doen,

30.000 maal zo veel tijd heeft als het denkcentrum waarvan we ons bedienen voor het meten van onze gewone tijd, begrijpen we hoe dit mogelijk is. Het betekent dat het instinctcentrum niet één seconde, maar ruim acht uur van zijn eigen tijd ter beschikking heeft, en in acht uur kan dit werk best in een gewoon laboratorium en zonder onnodige haast worden uitgevoerd. Ons denkbeeld over de buitengewone snelheid van dit werk is dus zuiver een illusie die veroorzaakt wordt doordat we menen dat onze gewone tijd, dat wil zeggen de tijd van het denkcentrum, de enige is die er bestaat.

Later komen we nog op de studie van het verschil in snelheid van de centra terug. We moeten nu eerst proberen

nog iets anders met betrekking tot de centra te begrijpen dat ons later uitstekend materiaal voor zelfwaarneming en voor het werk aan onszelf zal opleveren.

Aangenomen wordt dat ieder centrum in tweeën is verdeeld, in een positief en een negatief deel. Deze verdeling is heel duidelijk in het denkcentrum en in het instinct-centrum.

Al het werk van het denkcentrum bestaat uit twee delen: bevestiging en ontkenning, ja en nee. Op ieder tijdstip overheerst in ons denken één van deze beide delen of ze houden elkaar een ogenblik in evenwicht, en dan zijn we besluiteloos. Het negatieve deel van het denkcentrum is even nuttig als het positieve, en iedere vermindering van sterkte van het ene deel in verhouding tot het andere leidt tot geestelijke verwarring.

In het werk van het instinctcentrum is de verdeling ook heel duidelijk en beide delen, positief en negatief, of aangenaam en onaangenaam, zijn in gelijke mate nodig voor een goede oriëntatie in het leven. Aangename gewaarwordingen van smaak, geur, aanraking, warm of koel, frisse lucht, enzovoorts, duiden alle op toestanden die heilzaam zijn voor het leven; en negatieve gewaarwordingen van onaangename smaak of geur, onaangename aanraking, een gevoel van drukkende hitte of doordringende koude, wijzen alle op toestanden die schadelijk kunnen zijn voor het leven.

We kunnen met zekerheid stellen dat zonder zowel aangename als onaangename gewaarwordingen een juiste oriëntatie in het leven ónmogelijk is. Ze zijn het wezenlijke richtsnoer voor het hele dierenleven op aarde, en

89

ieder gebrek eraan leidt tot een onvoldoende oriëntatie en dus tot gevaar voor ziekte of dood. Denk maar eens hoe snel een mens zichzelf niet zou vergiftigen wanneer hij alle smaak- en reukzin verloor, of als hij door de een of andere kunstgreep zijn natuurlijke afkeer van onaangename gewaarwordingen zou overwinnen.

In het bewegingscentrum heeft de verdeling in twee delen, positief en negatief, uitsluitend een logische betekenis; dat wil zeggen, beweging in tegenstelling tot rust. Deze heeft geen betekenis voor de praktische waarneming.

In het emotiecentrum is de verdeling op het eerste gezicht heel eenvoudig en duidelijk. Wanneer we aangename emoties, als vreugde, sympathie, aanhankelijkheid, zelfvertrouwen, beschouwen als tot het positieve deel te behoren, en onaangename emoties als verveling, geprikkeldheid, jaloezie, afgunst, angst, als behorende tot het negatieve deel, lijken de zaken heel simpel. In werkelijkheid liggen ze echter veel gecompliceerder.

Om te beginnen is er in het emotiecentrum geen natuurlijk negatief deel. Het merendeel van de negatieve emoties is kunstmatig; ze behoren eigenlijk niet tot het emotiecentrum en zijn gebaseerd op instinctieve emoties die er in geen enkel verband mee staan maar die ontaard zijn door verbeelding en identificatie. Dit is de werkelijke betekenis van de theorie van James en Lange die indertijd veel opgang maakte en die inhield dat alle emoties in werkelijkheid gewaarwordingen waren van veranderingen in inwendige organen en weefsels. Deze veranderingen traden vóór de gewaarwordingen op en waren er de eigen-

lijke oorzaak van. Ze stelden dus in feite dat uiterlijke voorvallen en innerlijke gewaarwordingen geen emoties voortbrengen. Uiterlijke gebeurtenissen en innerlijke gewaarwordingen veroorzaken volgens hen inwendige reflexen die op hun beurt gewaarwordingen voortbrengen; en deze werden als emoties beschouwd. Anderzijds zijn positieve emoties zoals ‘liefde’, ‘hoop’, ‘geloof’, in de zin van wat we daar gewoonlijk onder verstaan — dat wil zeggen duurzame emoties - voor een mens in de gewone bewustzijnstoestand niet mogelijk. Deze vereisen hogere bewustzijnstoestanden en innerlijke eenheid, zelfbewustzijn, een permanent ‘Ik’, en wil.

Positieve emoties zijn emoties die niet negatief kunnen worden. Maar al onze aangename emoties als vreugde, sympathie, aanhankelijkheid, zelfvertrouwen, kunnen ieder ogenblik omslaan in verveling, irritatie, afgunst, angst, enzovoorts. Liefde kan omslaan in jaloezie of angst om te verliezen wat men liefheeft, of in woede en haat. Hoop kan omslaan in dagdromen en de verwachting van iets ónmogelijks, en geloof kan omslaan in bijgeloof en een zwak zich overgeven aan troostende onzin.

Zelfs een zuiver intellectuele emotie — het verlangen naar kennis — of een esthetische emotie — een gevoel van schoonheid of harmonie — is, zodra er identificatie in het spel is, onmiddellijk verbonden met emoties van negatieve aard, als trots, ijdelheid, zelfzucht, verwaandheid, enzovoorts.

We kunnen dus met absolute zekerheid vaststellen dat we geen positieve emoties kunnen hebben. Maar ook is het zo dat er zonder verbeelding en identificatie geen nega-

91

tieve emoties kunnen bestaan. Het kan natuurlijk niet ontkend worden dat een mens, behalve de vele soorten van fysiek lijden die tot het instinctcentrum behoren, ook vele soorten van psychisch lijden kent die tot het emotiecentrum behoren. Hij heeft veel droefheid, leed, angsten en zorgen, enzovoorts die onvermijdelijk zijn en even hecht verweven met het menselijk leven als ziekte, pijn en dood. Maar dit psychische lijden is iets heel anders dan de negatieve emoties die op verbeelding en identificatie berusten.

Deze negatieve emoties zijn een verschrikkelijk verschijnsel. Ze nemen een enorme plaats in ons leven in. Bij veel mensen wordt hun hele leven bepaald, beheerst en tenslotte geruïneerd door negatieve emoties.

Bovendien vervullen deze negatieve emoties geen enkele nuttige rol in ons leven. Ze helpen ons niet bij onze oriëntatie, ze brengen ons helemaal geen kennis, ze leiden ons op geen enkele verstandige wijze. Integendeel, ze vergallen onze genoegens, ze maken het leven tot een last en ze vormen een groot obstakel voor onze mogelijke ontwikkeling, want er is niets mechanischer in ons leven dan negatieve emoties.

Negatieve emoties kunnen we nooit beheersen. Mensen die menen dat ze dat wel kunnen en dat ze uiting aan hun negatieve emoties kunnen geven wanneer ze dat willen, houden zichzelf gewoon voor de gek. Negatieve emoties zijn afhankelijk van identificatie; wanneer identificatie in een bepaald geval vernietigd wordt, verdwijnen ze. Het wonderlijkste en onbegrijpelijkste is wel dat negatieve emoties door de mensen feitelijk worden verafgood. Ik

92

geloof dat het voor een gewoon, mechanisch mens wel het allermoeilijkste is tot het inzicht te komen dat zijn eigen negatieve emoties en die van anderen geen enkele waarde hebben en niets edels, moois of sterks inhouden. In werkelijkheid zijn negatieve emoties niets anders dan zwakheid en heel vaak het begin van hysterie, krankzinnigheid of misdaad. Het enige goede ervan is dat ze zonder enig bezwaar vernietigd kunnen worden omdat ze volkomen nutteloos zijn en door verbeelding en identificatie kunstmatig in leven worden geroepen. En dit is de enige kans die een mens heeft om zich ervan te bevrijden.

Als negatieve emoties nuttig of nodig waren ter verwezenlijking van ook maar het geringste doel en als ze een functie waren van een werkelijk bestaand deel van het emotiecentrum, zou een mens geen kans hebben, omdat innerlijke ontwikkeling niet mogelijk is zolang hij zijn negatieve emoties blijft koesteren.

In de taal van de scholen wordt met betrekking tot de strijd tegen negatieve emoties gezegd: een mens moet zijn lijden opofferen.

‘Wat kan er makkelijker opgeofferd worden?’ zal men vragen. Maar in werkelijkheid offeren mensen alles liever op dan hun negatieve emoties. Er is geen genoegen en geen vreugde die een mens niet bereid is zelfs voor een kleinigheid op te offeren, maar nooit zijn lijden. En in zekere zin is daar een reden voor.

Op de een of andere bijgelovige manier verwacht een mens iets te krijgen door zijn genoegens op te offeren, maar hij meent niets te kunnen verwachten als gevolg van het opofferen van zijn lijden. Hij zit vol verkeerde denk-

93

beelden over het lijden — hij denkt nog steeds dat het lijden hem door God of door góden als straf wordt toegediend of hem voor zijn opvoeding wordt gegeven. En hij zal zelfs bang worden als hij hoort dat het mogelijk is om op zo’n eenvoudige manier van zijn lijden af te komen. Dit denkbeeld wordt des te moeilijker doordat er veel leed bestaat dat een mens inderdaad niet kwijt kan raken, en veel ander lijden dat uitsluitend berust op iemands verbeelding, en dat hij niet kan of wil opgeven - zoals het denkbeeld van onrechtvaardigheid bijvoorbeeld, en zijn geloof in de mogelijkheid om een eind te maken aan onrecht. Bovendien hebben veel mensen uitsluitend negatieve emoties. Al hun ‘ikken’ zijn negatief. Als u hun alle negatieve emoties zou ontnemen, zouden ze eenvoudig instorten en in rook opgaan.

En wat zou er van ons hele leven overblijven zonder negatieve emoties? Wat zou er gebeuren met wat we kunst noemen, met theater, drama, en met de meeste romans? Jammer genoeg bestaat er geen kans dat negatieve emoties vanzelf verdwijnen. Ze kunnen alleen overwonnen worden en verdwijnen met de hulp van scholen en door middel van schoolkennis en schoolmethoden. De strijd tegen negatieve emoties maakt deel uit van de schoolopvoeding en is nauw verbonden met alle schoolwerk.

Als negatieve emoties kunstmatig, onnatuurlijk en nutteloos zijn, waar komen ze dan vandaan? Aangezien we de oorsprong van de mens niet kennen, kunnen we deze vraag niet bespreken, en kunnen we het slechts over negatieve emoties en hun oorzaak hebben in verband met ons-

zelf en ons eigen leven. Bijvoorbeeld, wanneer we kinderen gadeslaan kunnen we zien hoe negatieve emoties hen aangeleerd worden, en hoe ze deze zelf leren door imitatie van volwassenen en oudere kinderen.

Als een kind vanaf zijn vroegste jeugd zou kunnen opgroeien onder mensen zonder negatieve emoties, zou het die waarschijnlijk zelf ook niet krijgen of maar zo weinig dat deze door een juiste opvoeding makkelijk overwonnen zouden kunnen worden. Maar in het werkelijke leven gebeuren de dingen heel anders; en als gevolg van alle voorbeelden die het ziet en hoort, door wat het leest, ziet in films, enzovoorts, kent een kind van een jaar of tien al het hele scala aan negatieve emoties, en kan het zich deze net zo goed voorstellen als een willekeurige volwassene, ze weergeven en zich ermee identificeren.

Bij volwassenen worden negatieve emoties ondersteund door de voortdurende rechtvaardiging en verheerlijking ervan in de literatuur en de kunst en door persoonlijke zelfrechtvaardiging en het toegeven eraan. Zelfs al zijn we ze beu, dan nog geloven we niet dat we ons er helemaal van kunnen bevrijden.

In werkelijkheid hebben we veel meer macht over negatieve emoties dan we denken, vooral als we al weten hoe gevaarlijk ze zijn, en hoe dringend nodig het is ertegen te strijden. Maar we vinden er te veel excuses voor en zwemmen in een zee van zelfmedelijden of egoïsme, al naar gelang de omstandigheden, en zoeken de fout overal behalve in onszelf.

Dit alles toont duidelijk aan dat we ons wat ons emotiecentrum betreft in een heel vreemde situatie bevinden.

95

Het heeft geen positief deel en ook geen negatief deel. De meeste van zijn negatieve functies zijn verzonnen en er zijn veel mensen van wie hun tijd zo volledig door denkbeeldige emoties in beslag wordt genomen dat ze nog nooit in hun leven een werkelijke emotie hebben ervaren. We kunnen dus niet zeggen dat ons emotiecentrum in twee delen, een positief en een negatief deel is verdeeld. We kunnen alleen maar zeggen dat we aangename en onaangename emoties hebben, en dat alle emoties die op een bepaald moment niet negatief zijn, bij de minste aanleiding of zelfs zonder enige aanleiding, kunnen omslaan in negatieve emoties.

Dit is het werkelijke beeld van onze gevoelens, en als we eerlijk zijn tegenover onszelf, moeten we wel tot de conclusie komen dat we, zolang we deze giftige emoties in ons voeden en bewonderen, niet kunnen verwachten in staat te zijn eenheid, bewustzijn of wil te ontwikkelen. Als een dergelijke ontwikkeling mogelijk zou zijn, zouden al deze negatieve emoties deel gaan uitmaken van ons nieuwe wezen en permanent in ons worden. Dit zou betekenen dat het onmogelijk voor ons zou worden ze ooit kwijt te raken. Gelukkig voor ons kan zoiets niet gebeuren.

Het enige goede in verband met onze tegenwoordige toestand is dat er niets duurzaams in ons is. Als er in onze tegenwoordige toestand iets duurzaam in ons wordt, betekent dit krankzinnigheid. Alleen krankzinnigen kunnen een duurzaam ‘ik’ hebben.

Tussen haakjes, dit feit rekent tegelijkertijd af met een andere verkeerde term die vanuit de zogenaamde psycho-

analyse in het huidige psychologische taalgebruik is binnengeslopen: ik bedoel het woord ‘complex’. In ons psychologisch samenstel is er niets dat met het begrip ‘complex’ overeenkomt. Wat nu een ‘complex’ wordt genoemd, heette in de psychiatrie van de negentiende eeuw een ‘idee-fixe’; en dit werd als een teken van krankzinnigheid beschouwd. En dat is nog altijd volkomen juist.

Een normaal mens kan geen ‘idee-fixe’,‘complex’, of'fixa-tie’ hebben. Het kan zijn nut hebben dit te bedenken voor het geval iemand probeert complexen in u te vinden. Wij hebben al genoeg slechte eigenschappen zoals we zijn, en onze kansen zijn ook zonder complexen al heel klein.

Terugkomend op de kwestie van werken aan onszelf, moeten we ons afvragen waar onze kansen eigenlijk liggen. We moeten in onszelf functies en uitingen ontdekken waarover tot op zekere hoogte controle mogelijk is, en die controle moeten we uitoefenen en proberen zo veel mogelijk te versterken. We hebben bijvoorbeeld in zekere zin macht over onze bewegingen, en in bepaalde scholen, voornamelijk in het Oosten, begint het werk aan zichzelf met het verkrijgen van een zo volledig mogelijke beheersing over de bewegingen. Dit vereist echter een speciale training, heel veel tijd en de bestudering van zeer ingewikkelde oefeningen. Onder de omstandigheden van het moderne leven hebben we meer macht over onze gedachten en in verband hiermee bestaat er een speciale methode met behulp waarvan we aan de ontwikkeling van ons bewustzijn kunnen werken door het instrument te gebruiken dat het beste aan onze wil gehoorzaamt, dat wil zeg-

97

gen onze geest, of liever gezegd het denkcentrum.

Om beter te begrijpen wat ik nu ga zeggen, moet u proberen u te herinneren dat wij geen macht over ons bewustzijn hebben. Toen ik zei dat we meer bewust kunnen worden, of dat iemand voor een ogenblik bewust kan worden gemaakt door hem eenvoudig te vragen of hij bewust is of niet, gebruikte ik het woord ‘bewust’ en ‘bewustzijn’ in relatieve zin. Er zijn namelijk veel graden van bewustzijn, en iedere hogere graad betekent ‘bewustzijn’ met betrekking tot een lagere. Maar al hebben we dan geen macht over het bewustzijn zelf, we hebben wel een zekere macht over ons denken over het bewustzijn en we kunnen ons denken een richting geven die bevorderlijk is voor bewustwording. Ik bedoel dat we bewustzijn kunnen opwekken door aan onze gedachten de richting te geven die ze zouden hebben in een ogenblik van bewustzijn.

Tracht nu onder woorden te brengen wat u hebt opgemerkt toen u probeerde uzelf waar te nemen.

U hebt drie dingen opgemerkt.

Ten eerste, dat u zichzelf niet herinnert*; dat wil zeggen, dat u zich niet bewust bent van uzelf op het ogenblik dat u probeert uzelf waar te nemen.

Ten tweede, dat zelfwaarneming bemoeilijkt wordt door de voortdurende stroom van gedachten, beelden, echo’s van gesprekken, fragmenten van emoties die door uw geest waren en heel vaak uw aandacht afleiden van het waarnemen.

* Omdat ‘zich herinneren’ een wederkerig werkwoord is, zou hier strikt genomen moeten staan:‘dat u zich zichzelf niet herinnert’. We hebben gemeend deze voor ons gevoel hinderlijke verdubbeling weg te mogen laten. [Vert.]

98

En ten derde, dat zodra u met zelfwaarneming begint, uw verbeelding begint te werken en het observeren, indien u dit werkelijk probeert te doen, een voortdurende strijd tegen de verbeelding is.

Dit is het voornaamste punt van het werk aan zichzelf. Wanneer u inziet dat alle moeilijkheden in het werk veroorzaakt worden door het feit dat u zichzelf niet kunt herinneren, weet u al wat u moet doen. Iemand moet proberen zichzelf te herinneren.

Om dit te kunnen doen, moet men strijden tegen mechanische gedachten en tegen de verbeelding.

Wanneer iemand dit gewetensvol en met volharding doet, zal hij in betrekkelijk korte tijd resultaten zien. Maar u moet niet denken dat dit makkelijk is of dat u deze oefening onmiddellijk onder de knie krijgt.

Het beoefenen van zelfherinnering, zoals het genoemd wordt, is heel moeilijk. De zelfherinnering moet niet gebaseerd worden op de verwachting van resultaten want dan loopt iemand de kans zich met zijn eigen pogingen te identificeren; maar op de erkenning van het feit dat we onszelf niet herinneren en tevens dat we onszelf kunnen herinneren als we dit intens genoeg en op de juiste wijze proberen.

We kunnen niet naar believen bewust worden op het ogenblik dat we dit wensen omdat we geen macht hebben over onze bewustzijnstoestanden. Maar we kunnen onszelf gedurende korte tijd herinneren wanneer we dat willen, omdat we enige macht over onze gedachten hebben. En wanneer we beginnen met onszelf te herinneren, door een bijzondere vorm aan onze gedachten te geven, dat wil

zeggen, door te beseffen dat we onszelf niet herinneren, dat niemand zichzelf herinnert, en door ons er rekenschap van te geven wat dit allemaal betekent, zal dit ons tot bewustzijn brengen.

U herinnert zich de zwakke plek die we in de muren van onze mechaniciteit gevonden hebben. Dit is het feit dat we weten dat we onszelf niet herinneren; en inzien dat wij kunnen proberen onszelf te herinneren. Tot nu toe heeft onze taak alleen bestaan uit zelfstudie. Nu echter begint, met het begrijpen van de noodzaak van een werkelijke verandering in onszelf, het eigenlijke werk.

Later zult u leren dat de praktische beoefening van zelfherinnering, verbonden met zelfwaarneming en de strijd tegen verbeelding, niet alleen een psychologische betekenis heeft, maar ook het meest subtiele deel van onze stofwisseling verandert en bepaalde chemische, of misschien beter gezegd: alchemistische, gevolgen in ons lichaam teweegbrengt. Zo zijn we dan vandaag van de psychologie tot de alchemie gekomen; dat wil zeggen tot het denkbeeld van de omzetting van grovere in fijnere elementen.

100

V

We moeten nog één zeer belangrijk punt betrekken in onze studie van de mogelijke ontwikkeling van de mens. Er zijn twee kanten aan een mens die beide ontwikkeld moeten worden. Anders gezegd: zijn ontwikkeling moet zich gelijktijdig langs twee lijnen voltrekken. Deze twee kanten van een mens, of de twee lijnen van zijn mogelijke ontwikkeling, zijn kennis en ‘zijn’.

Ik heb al een paar keer gesproken over de noodzakelijkheid van de ontwikkeling van kennis, en in het bijzonder van zelfkennis, omdat een van de meest kenmerkende aspecten van de tegenwoordige toestand van de mens is dat hij zichzelf niet kent.

In het algemeen wordt het denkbeeld dat er verschillende niveaus van kennis zijn wel begrepen, en ook het denkbeeld van de relativiteit van kennis en van de noodzakelijkheid van nieuwe kennis.

Wat meestal echter niet wordt begrepen, is het denkbeeld van ‘zijn’ als iets dat geheel los staat van kennis; en verder, het denkbeeld van de relativiteit van ‘zijn’, de mogelijkheid van verschillende niveaus van ‘zijn’ en de noodzakelijkheid van het ontwikkelen van ‘zijn’, los van de ontwikkeling van kennis.

Een Russische filosoof Wladimir Solovieff, gebruikte de

101

term ‘zijn’ in zijn werken. Hij sprak over het ‘zijn’ van een steen, het ‘zijn’ van een plant, het ‘zijn’ van een dier, het ‘zijn’ van een mens en het goddelijke ‘zijn’.

Dit is beter dan de gewone opvatting, want in het algemeen wordt het ‘zijn’ van een mens niet geacht in enig opzicht te verschillen van het ‘zijn’ van een steen, het ‘zijn’ van een plant of het ‘zijn’ van een dier. Dit betekent dus dat een steen, een plant of een dier op precies dezelfde wijze zou zijn of bestaan als een mens is of bestaat. In werkelijkheid bestaan ze volkomen verschillend. Maar Solovieffs indeling is niet voldoende. Er bestaat niet zoiets als het ‘zijn’ van de mens. Daarvoor zijn mensen te verschillend.

Ik heb al uiteengezet dat in het stelsel dat we bestuderen het begrip mens is onderverdeeld in zeven begrippen: mens nummer één, mens nummer twee, enzovoorts, tot en met mens nummer zeven. Dit betekent dat er zeven niveaus of categorieën bestaan van ‘zijn’; ‘zijn’ nummer één, ‘zijn’ nummer twee, enzovoorts. Bovendien kennen we al fijnere onderverdelingen. We weten dat er heel verschillende mensen nummer één kunnen zijn, heel verschillende mensen nummer twee en heel verschillende mensen nummer drie. Ze kunnen helemaal onder A-invloeden leven. Ze kunnen de invloeden A en B tegelijk ondergaan. Ze kunnen meer onder B-invloeden dan onder A-invloeden staan. Ze kunnen een magnetisch centrum hebben. Ze kunnen in aanraking zijn gekomen met de school- of C-invloed. Ze kunnen op weg zijn om mens nummer vier te worden. Al deze categorieën wijzen op verschillende niveaus van ‘zijn’. Het denkbeeld van ‘zijn’

102

vormde de wezenlijke grondslag van het denken en spreken over de mens in de religieuze gedachtenwereld, en hierbij vergeleken werden alle andere verdelingen van de mens als onbelangrijk beschouwd. De mensen werden verdeeld in heidenen, ongelovigen of afvalligen aan de ene kant, en in ware gelovigen, rechtvaardigen, heiligen, profeten, enzovoorts, aan de andere kant. Al deze onderscheidingen hadden geen betrekking op verschillen in gezichtspunt en overtuiging, dat wil zeggen, niet op kennis maar op ‘zijn’.

In het moderne denken wordt het denkbeeld van ‘zijn’ en van verschillende niveaus van ’zijn’ genegeerd. Men is zelfs van mening dat hoe meer verschillen en tegenstrijdigheden er in het ‘zijn’ van een mens worden aangetroffen, des te interessanter en talentvoller hij kan zijn. Over het algemeen wordt stilzwijgend - en lang niet altijd stilzwijgend -aangenomen dat iemand leugenachtig kan zijn en bovendien onbetrouwbaar, onredelijk en gedegenereerd, en tegelijkertijd een groot geleerde, een groot filosoof of een groot kunstenaar.

Dit is natuurlijk totaal onmogelijk.

Deze aanwezigheid van onverenigbare aspecten in het ‘zijn’ van een mens die gewoonlijk beschouwd wordt als originaliteit, betekent in werkelijkheid zwakheid. Iemand kan geen groot denker of kunstenaar zijn met een gedegenereerde of onstandvastige geest, net zo min als men met een ernstige ziekte bokser of circusatleet kan zijn. De wijdverbreide aanvaarding van het denkbeeld dat onstandvastigheid en immoraliteit kenmerken van originaliteit zijn, is verantwoordelijk voor het vele wetenschappelijke,

103

artistieke en godsdienstige bedrog van de tegenwoordige tijd, en waarschijnlijk van alle tijden.

We moeten duidelijk inzien wat ‘zijn’ betekent, en waarom het hand in hand met kennis, en toch onafhankelijk daarvan, moet groeien en zich ontwikkelen. Wanneer kennis de overhand krijgt op ‘zijn’, of‘zijn’ op kennis, is het gevolg altijd een eenzijdige ontwikkeling, en met een eenzijdige ontwikkeling komen we niet ver. Deze zal onvermijdelijk tot een of andere ernstige innerlijke tegenspraak leiden en daar stil blijven staan.

Later zullen we misschien spreken over de verschillende soorten van eenzijdige ontwikkeling en hun gevolgen. Gewoonlijk ontmoeten we daar in het leven maar één vorm van, namelijk die waarin kennis het ‘zijn’ overheerst. Het resultaat neemt de vorm aan van een zelfverzekerd vasthouden aan bepaalde denkbeelden, met als gevolg dat de kennis zich ónmogelijk verder kan ontwikkelen doordat het begrijpen ontbreekt.

We moeten het nu over begrijpen hebben. Wat is begrijpen?

Probeer uzelf deze vraag te stellen en u zult merken dat u er geen antwoord op kunt geven. U hebt begrijpen altijd met kennen verward, of het beschikken over informatie. Maar kennen en begrijpen zijn twee totaal verschillende dingen en u moet leren deze duidelijk te onderscheiden. Om iets te begrijpen, moet men het in verband met iets groters zien, met een groter geheel, en de mogelijke gevolgen van dit verband. Begrijpen is altijd het begrijpen van een kleiner probleem in relatie tot een groter probleem.

104

Veronderstel bijvoorbeeld dat ik u een oude Russische zilveren roebel laat zien. Het is een geldstuk ter grootte van een halve kroon. U kunt dit geldstuk bekijken, het bestuderen, opmerken in welk jaar het geslagen is, alles onderzoeken omtrent de tsaar wiens beeldenaar aan de ene zijde staat, het wegen, er zelfs een chemische analyse van maken en precies het gehalte aan zilver bepalen. U kunt nagaan wat het woord roebel betekent en hoe het in gebruik kwam. Dit alles en nog veel meer kunt u erover leren, maar u zult de roebel en zijn betekenis niet begrijpen zolang u niet hebt ontdekt dat de koopkracht ervan vóór de wereldoorlog van 1914 — 1918 in veel gevallen overeenkwam met de waarde van een Engels pond, terwijl de tegenwoordige papieren roebel in bolsjewistisch Rusland nog maar net één cent waard is. Als u dit ontdekt, zult u iets van de roebel begrijpen, en misschien ook van een aantal andere dingen, want het begrijpen van één ding leidt onmiddellijk tot het begrijpen van veel andere.

Veelal is men van mening dat begrijpen betekent het vinden van een naam, een woord, een titel of een etiket voor een nieuw en onverwacht verschijnsel. Dit vinden of bedenken van woorden voor onbegrijpelijke dingen heeft niets met begrijpen te maken. Integendeel, wanneer we de helft van onze woorden zouden kunnen opruimen, zouden we misschien een betere kans hebben tot iets van begrijpen te komen.

Als we onszelf afvragen wat het betekent iemand te begrijpen of niet te begrijpen, denken we in de eerste plaats aan het geval dat we met iemand niet in zijn eigen

105

taal kunnen spreken. Natuurlijk zijn twee mensen zonder gemeenschappelijke taal niet in staat elkaar te begrijpen. Ze moeten een gemeenschappelijke taal hebben, of met elkaar bepaalde tekens of symbolen overeenkomen waarmee ze dingen aanduiden. Maar stel nu eens dat u het tijdens een gesprek met iemand oneens wordt over de betekenis van bepaalde woorden, tekens of symbolen, dan begrijpt u elkaar weer niet.

Hieruit volgt dat het principieel onmogelijk is elkaar te begrijpen en het tegelijkertijd niet eens te zijn. In een gewoon gesprek zeggen we vaak: ‘Ik begrijp hem maar ik ben het niet met hem eens’. Volgens het stelsel dat wij bestuderen is dit onmogelijk. Als u iemand begrijpt, bent u het met hem eens. Als u het niet met hem eens bent, begrijpt u hem niet.

Het is heel moeilijk dit denkbeeld te aanvaarden, en dit betekent dat het moeilijk is het te begrijpen.

Ik heb u zojuist al gezegd dat er twee kanten aan een mens zijn die zich bij een normale groei beide moeten ontwikkelen: kennis en ‘zijn’. Maar kennis noch ‘zijn’ kunnen stilstaan of in dezelfde toestand blijven. Als één van beide niet groter en sterker wordt, wordt ze kleiner en zwakker. Begrijpen kan beschouwd worden als het rekenkundig gemiddelde tussen kennis en ‘zijn’. Dit toont de noodzakelijkheid van een gelijktijdige groei van beide aan. De groei van de een en het afnemen van de ander zal het rekenkundig gemiddelde niet doen veranderen.

Dit verklaart ook waarom ‘begrijpen’ betekent ‘het samen eens zijn’. Twee mensen die elkaar begrijpen, moeten niet alleen gelijke kennis maar ook een gelijk ‘zijn’ hebben.

106

Alleen dan is wederzijds begrijpen mogelijk.

Een ander verkeerd denkbeeld dat speciaal in onze tijd gehuldigd wordt, is dat begrijpen verschillend kan zijn; dat mensen één en dezelfde zaak op verschillende manieren kunnen begrijpen, dat wil zeggen daar het recht toe hebben.

Volgens het stelsel is dit volkomen onjuist. Begrijpen kan niet verschillend zijn. Er kan maar één begrijpen zijn, al het andere is niet-begrijpen of onvolledig begrijpen.

Maar toch denken mensen dikwijls dat ze de dingen op verschillende wijze begrijpen. Daar zien we dagelijks voorbeelden van. Hoe is deze schijnbare tegenstrijdigheid te verklaren?

In werkelijkheid is er geen tegenstrijdigheid. Begrijpen betekent: begrijpen van een deel in zijn relatie tot het geheel. Maar het denkbeeld dat mensen hebben van het geheel, kan zeer verschillend zijn, afhankelijk van hun kennis en hun ‘zijn’. Dit is een reden te meer waarom het stelsel noodzakelijk is. Mensen leren begrijpen door het stelsel te begrijpen en al het andere met betrekking tot het stelsel.

Maar op het gewone niveau, los van het denkbeeld van een school of stelsel, moet worden toegegeven dat er evenveel soorten van begrijpen zijn als mensen. Iedereen begrijpt alles op zijn eigen manier, of volgens de een of andere mechanische scholing of gewoonte; maar dit alles is subjectief en relatief begrijpen. De weg tot objectief begrijpen loopt via schoolstelsels en een verandering van ‘zijn’.

107

Om dit duidelijk te maken moet ik terugkomen op de verdeling van een mens in zeven categorieën.

U moet begrijpen dat er een groot verschil bestaat tussen de mensen nummer één, twee en drie enerzijds en anderzijds mensen van hogere categorieën. In werkelijkheid is het verschil veel groter dan we ons kunnen voorstellen. Het is zo groot dat vanuit dit gezichtspunt het hele leven verdeeld kan worden in twee concentrische cirkels: de innerlijke en de uiterlijke cirkel van de mensheid.






















Tot de innerlijke cirkel behoren de mensen nummer vijf, zes en zeven, tot de uiterlijke cirkel de mensen nummer één, twee en drie. De mensen nummer vier staan op de drempel van de innerlijke cirkel of tussen de beide cirkels in.

De innerlijke cirkel is op haar beurt weer verdeeld in drie concentrische cirkels: de binnenste, waartoe de mensen nummer zeven, de middelste, waartoe de mensen nummer zes en de buitenste innerlijke cirkel waartoe de mensen nummer vijf behoren.

108



















Met deze onderverdeling hoeven we ons nu echter niet bezig te houden. Voor ons vormen de drie innerlijke cirkels één geheel.

De uiterlijke cirkel, waarin wij leven, heeft verschillende namen die de verschillende aspecten ervan aanduiden. Deze wordt de mechanische cirkel genoemd, omdat alles er gebeurt, alles mechanisch is en omdat de mensen die er leven machines zijn. Ze wordt ook de cirkel van de spraakverwarring genoemd, omdat de mensen die in deze cirkel leven allen in verschillende talen spreken en elkaar nooit begrijpen.

Iedereen begrijpt alles anders. We komen zo tot een zeer belangrijke omschrijving van begrijpen: begrijpen is iets dat tot de innerlijke cirkel van de mensheid behoort en helemaal niet tot ons.

Als de mensen in de uiterlijke cirkel beseffen dat ze elkaar niet begrijpen, en als ze de noodzakelijkheid voelen om te begrijpen, moeten ze proberen tot de innerlijke cirkel door te dringen, want alleen daar is wederzijds begrijpen tussen mensen mogelijk.

109

De verschillende soorten scholen dienen als poorten waardoor mensen de innerlijke cirkel kunnen binnengaan. Maar dit doordringen tot een cirkel die hoger is dan die waarin iemand geboren werd, vereist lang en moeilijk werk. De allereerste stap in dit werk is de studie van een nieuwe taal.‘Wat is de taal dan die we bestuderen?’, zult u vragen. Nu kan ik deze vraag beantwoorden. Het is de taal van de innerlijke cirkel, de taal waarin mensen elkaar kunnen begrijpen.

U moet bedenken dat wij buiten de innerlijke cirkel leven en dat het daarom alleen maar mogelijk is de eerste beginselen van deze taal te leren kennen. Maar zelfs deze eerste beginselen kunnen ons al helpen elkaar beter te begrijpen dan anders ooit mogelijk zou zijn.

De drie innerlijke cirkels hebben ieder een eigen taal. We bestuderen de taal van de buitenste van de innerlijke cirkels. Mensen in deze cirkel bestuderen de taal van de middelste cirkel en mensen in de middelste cirkel bestuderen de taal van de binnenste cirkel.

Als u mij vraagt hoe dit alles bewezen kan worden, moet ik antwoorden dat dit alleen mogelijk is door voortgezette studie en waarneming van uzelf. Wanneer we ontdekken dat wij door de bestudering van het stelsel onszelf en anderen leren begrijpen, of bijvoorbeeld bepaalde boeken of denkbeelden beter begrijpen dan voorheen, en vooral wanneer we bepaalde feiten ontdekken waaruit blijkt dat dit nieuwe begrijpen zich verder ontwikkelt, zal dit, zoal niet een bewijs, dan toch tenminste een aanwijzing zijn van de mogelijkheid tot bewijs.

We moeten niet vergeten dat ons begrijpen, net zomin als ons bewustzijn, steeds op hetzelfde niveau is. Het beweegt zich voortdurend op en neer. Dit betekent dat we nu eens meer of beter en dan weer minder goed of minder begrijpen. Als we deze verschillen in begrijpen in onszell opmerken, zullen we in de eerste plaats beseffen dat er een mogelijkheid is onszelf op deze hogere niveaus van begrijpen te handhaven, en in de tweede plaats er bovenuit te stijgen.

Maar theoretische studie alleen is niet voldoende. U moet aan uw ‘zijn’ werken en aan verandering van dit ‘zijn’. Wanneer u uw doel formuleert vanuit het gezichtspunt dat u anderen wilt begrijpen, moet u één zeer belangrijk schoolprincipe in gedachten houden: u kunt andere mensen alleen maar begrijpen voor zover u zichzelf begrijpt, en uitsluitend op het niveau van uw eigen ‘zijn’.

Dit betekent dat u wel de kennis van anderen kunt beoordelen maar niet hun ‘zijn’. U kunt alleen maar zoveel in hen zien als u in uzelf hebt gezien. Maar we maken altijd de fout dat we menen het ‘zijn’ van de anderen te kunnen beoordelen. In werkelijkheid moeten wij, als we met mensen van hogere ontwikkeling dan wijzelf in aanraking wensen te komen en hen willen begrijpen, eraan werken om ons eigen ‘zijn’ te veranderen.

We moeten terugkeren tot de studie van de centra, en tot de studie van aandacht en zelfherinnering, omdat dit de enige wegen zijn die tot begrijpen leiden.

Behalve de verdeling in twee delen, positief en negatief

111

- die, zoals we gezien hebben, niet hetzelfde is in de verschillende centra — wordt elk van de vier centra nog in drieën verdeeld. Deze drie delen komen overeen met de onderverdeling tussen de centra zelf. Het eerste is het ‘mechanische’ deel en omvat de bewegings- en instinctieve aspecten, of één van beide in overheersende mate. Het tweede is het ‘emotionele’ en het derde het ‘intellectuele’ deel.

Het volgende diagram toont de plaats van de delen in het denkcentrum. Dit centrum is verdeeld in een positief en een negatief deel en ieder van deze twee delen is weer onderverdeeld in drieën. Het denkcentrum bestaat dus eigenlijk uit zes delen.

Elk van deze zes delen is op zijn beurt weer onderverdeeld in drie delen: mechanisch, emotioneel en intellectueel. Deze onderverdeling zullen we echter pas veel later

112

behandelen, behalve één deel, het mechanische deel van het denkcentrum, waarover we nu zullen spreken.

De verdeling van een centrum in drie delen is heel eenvoudig. Het mechanische deel ervan werkt bijna volledig automatisch: het vereist geen enkele aandacht. Maar als gevolg daarvan kan het zich niet aanpassen aan een verandering van omstandigheden. Het kan niet ‘denken’ en het gaat door met te werken zoals het begon, ook al zijn de omstandigheden totaal veranderd.

In het denkcentrum omvat het mechanische deel al het werk dat verbonden is met het registreren van indrukken, herinneringen en associaties. Dat is alles wat het onder normale omstandigheden zou moeten doen, dat wil zeggen wanneer de andere delen hun eigen werk doen. Het zou nooit moeten antwoorden op vragen die aan het hele centrum worden gesteld, nooit moeten proberen de problemen daarvan op te lossen en nooit iets moeten beslissen. Helaas echter staat het altijd klaar om een beslissing te nemen en beantwoordt het altijd allerlei vragen, en wel op een heel kortzichtige en beperkte wijze, met standaardgezegden, populaire uitdrukkingen of partijleuzen. Al deze en veel andere elementen van onze gebruikelijke reacties vormen het werk van het mechanische deel van het denkcentrum.

Dit deel heeft een eigen naam: het wordt ‘formatorisch apparaat’ genoemd of ook wel ‘formatorisch centrum’. Veel mensen, en speciaal mensen nummer één - met andere woorden, de overgrote meerderheid van de mensen — leven hun hele leven alleen maar met dit formatorisch apparaat, zonder dat ooit de andere delen van hun

113

denkcentrum worden ingeschakeld. Voor alle directe behoeften van het leven, voor het ontvangen van A-invloeden en het reageren daarop, en ook voor het verdraaien of verwerpen van C-invloeden, is het formatorisch apparaat volkomen toereikend.

Het is altijd mogelijk ‘formatorisch denken’ te herkennen. Het kan bijvoorbeeld alleen maar tot twee tellen. Het verdeelt altijd alles in tweeën: ‘bolsjewisme en fascisme’, ‘arbeiders en bourgeois’, ‘proletariërs en kapitalisten’, enzovoorts. De meeste moderne leuzen komen voort uit dit formatorische denken, en niet alleen leuzen maar ook alle moderne populaire theorieën. Misschien zou men zelfs kunnen zeggen dat in alle tijden alle populaire theorieën formatorisch zijn.

Het emotionele deel van het denkcentrum bestaat voornamelijk uit wat intellectuele emoties genoemd worden, dat wil zeggen het verlangen naar weten en begrijpen, voldoening in het weten, onbevredigdheid door niet te weten, vreugde om een ontdekking, enzovoorts, hoewel al deze emoties zich wederom op zeer verschillende niveaus kunnen uiten.

Het werk van het emotionele deel vereist de volle aandacht, maar in dit deel van het centrum is voor de aandacht geen enkele inspanning nodig. Ze wordt opgewekt en vastgehouden door het onderwerp zelf, heel vaak door identificatie, die gewoonlijk ‘belangstelling’, ‘enthousiasme’, ‘passie’, of‘toewijding’ wordt genoemd.

Het intellectuele deel van het denkcentrum omvat het scheppend, opbouwend vermogen, het vermogen tot ont-

114

dekken en uitvinden. Het kan niet werken zonder aandacht, maar in dit deel van het centrum moet de aandacht onder controle staan en worden gehouden door de wil en door inspanning.

Dit is het belangrijkste criterium bij het bestuderen van de delen van de centra. Als we ze beschouwen vanuit het oogpunt van aandacht, weten we onmiddellijk in welk deel van een centrum we zijn. Zonder aandacht of met een in alle richtingen dwalende aandacht zijn we in het mechanische deel; wanneer onze aandacht door het onderwerp van onze waarneming of overdenking wordt aangetrokken en vastgehouden, zijn we in het emotionele deel; en met een door de wil beheerste en bij het onderwerp gehouden aandacht zijn we in het intellectuele deel. Deze zelfde methode laat ons ook zien hoe we de intellectuele delen van de centra tot werkzaamheid kunnen activeren. Door attent te zijn en te trachten de aandacht te beheersen, dwingen we onszelf in het intellectuele deel van de centra te werken; want hetzelfde principe is gelijkelijk bij alle centra van toepassing, al is het misschien niet zo makkelijk voor ons het intellectuele deel in andere centra te herkennen, zoals bijvoorbeeld het instinctcen-trum, waarvan het intellectuele deel niet werkt met enigerlei soort aandacht die we kunnen waarnemen of beheersen.

Laten we het emotiecentrum nemen. De negatieve emoties laten we even buiten beschouwing. We zullen alleen de verdeling van het centrum in drie delen bekijken, het mechanische, emotionele en intellectuele deel.

115

Het mechanische deel omvat de goedkoopste soort platvloerse humor en een grove zin voor het komische, belustheid op sensatie, spectaculaire vertoningen en praal, geneigdheid tot sentimentaliteit, plezier beleven aan het zijn in een mensenmenigte en daarin op te gaan, aangetrokken worden door massa-emoties van allerlei aard, en een volkomen ondergaan in lagere halfdierlijke gevoelens van wreedheid, zelfzucht, lafheid, afgunst, jaloezie, enzovoorts.

Het emotionele deel kan bij verschillende mensen heel verschillend zijn. Het kan gevoel voor humor of voor het komische inhouden, ofwel godsdienstige, esthetische of morele gevoelens, en in dit geval kan het leiden tot het ontwaken van het geweten. Maar als de identificatie zich er meester van maakt, kan het iets heel anders worden: dan kan het erg ironisch, sarcastisch, spottend, wreed, koppig, slecht en jaloers zijn - echter op een minder primitieve manier dan het mechanische deel.

Het intellectuele deel van het emotiecentrum omvat (ondersteund door het intellectuele deel van het bewegings- en van het instinctcentrum) het vermogen tot artistiek scheppen. Soms zijn de intellectuele delen van het bewegings- en instinctcentrum, die noodzakelijk zijn voor de uiting van het scheppend vermogen, onvoldoende ontwikkeld, ofwel hun ontwikkeling komt niet overeen met die van het intellectuele deel van het emotiecentrum. In dat geval kan dit vermogen zich openbaren in dromen. Dit verklaart de prachtige en kunstzinnige dromen van sommige overigens volkomen onartistieke mensen.

Het intellectuele deel van het emotiecentrum is ook de

116

hoofdzetel van het magnetisch centrum. Ik bedoel dat het magnetisch centrum, als het alleen aanwezig is in het denkcentrum of in het emotionele deel van het emotiecentrum, niet sterk genoeg is om effectief te kunnen zijn en altijd het gevaar zal lopen fouten te begaan of te kort te schieten. Maar het intellectuele deel van het emotiecentrum opent, wanneer het volledig ontwikkeld is en op volle kracht werkt, een weg naar de hogere centra.

In het bewegingscentrum is het mechanische deel automatisch. Alle automatische bewegingen, die in het gewone spraakgebruik ‘instinctief’ genoemd worden, behoren tot dit deel, evenals nabootsing en het vermogen tot nabootsing dat zo’n belangrijke rol speelt in het leven. Het emotionele deel van het bewegingscentrum is vooral verbonden met plezier hebben in het bewegen. De liefde voor sport en spelen zou normaal tot dit deel van het bewegingscentrum moeten behoren; maar wanneer identificatie en andere emoties ermee vermengd worden, is dit maar heel zelden het geval, en meestal zetelt de ‘liefde voor sport’ in het bewegingsdeel van het denkcentrum of het emotiecentrum.

Het intellectuele deel van het bewegingscentrum is een zeer belangrijk en in hoge mate interessant instrument. Iedereen die ooit enig lichamelijk werk, wat het ook zij, goed heeft gedaan, weet dat iedere soort werk tal van ‘uitvindingen’ vereist. Voor alles wat men doet moet men zijn eigen kleine methodes ontdekken. Deze uitvindingen zijn het werk van het intellectuele deel van het bewegingscentrum, zoals dit trouwens ook het geval is bij veel andere uitvindingen van de mens. Het vermogen dat acteurs

117

bezitten om naar willekeur de stem, intonaties en bewegingen van anderen na te bootsen, behoort ook tot het intellectuele deel van het bewegingscentrum; maar voor het bereiken van een hoger of beter niveau moet dit vermogen ondersteund worden door het werk van het intellectuele deel van het emotiecentrum.

Het werk van het instinctcentrum is zeer goed voor ons verborgen. We kennen in feite alleen het zintuiglijk waarneembare en emotionele deel. Ik bedoel dat we alleen deze delen kunnen voelen en waarnemen.

Het mechanische deel omvat de gewone gewaarwordingen die we vaak helemaal niet opmerken, maar die als achtergrond dienen van andere gewaarwordingen; en eveneens de instinctieve bewegingen in de juiste betekenis van het woord, dat wil zeggen alle inwendige bewegingen zoals de bloedsomloop en de spijsvertering, en inwendige en uitwendige reflexen.

Het intellectuele deel neemt een zeer grote en belangrijke plaats in. In de toestand van zelfbewustzijn, of wanneer deze benaderd wordt, kan men in contact komen met dit intellectuele deel van het instinctcentrum en er veel van leren over het functioneren van de machine en haar mogelijkheden. Het intellectuele deel van het instinctcentrum is het brein achter al het werk van het organisme, een brein dat zeer sterk verschilt van dat van het intellectuele denken.

De studie van de onderdelen van de centra en hun speciale functies vereist een zekere graad van zelfherinnering. Zonder zelfherinnering is het onmogelijk zichzelf lang en

118

duidelijk genoeg waar te nemen om het verschil aan te voelen tussen de functies die tot de verschillende delen van de afzonderlijke centra behoren en deze verschillen te begrijpen.

De studie van de aandacht laat ons beter dan wat ook de delen van de centra zien, maar deze studie van de aandacht vereist op haar beurt weer een zekere graad van zelfherinnering.

U zult heel snel inzien dat alle werk aan uzelf verbonden is met zelfherinnering en dat het zonder zelfherinnering niet met succes kan doorgaan. En zelfherinnering is gedeeltelijk ontwaken, of een begin van ontwaken. We moeten heel duidelijk begrijpen dat er in slaap geen enkel werk mogelijk is.

Wat is Beelddenken

DE MENS EN ZIJN MOGELIJKE EVOLUTIE is een heldere samenvatting van de belangrijkste psychologische ideeën van Georges Ivanovitch Gurdjieff. De grondgedachte daarin is dat de mens beschikt over grote mogelijkheden die echter alleen tot ontwikkeling kunnen worden gebracht door een zeer specifiek en doelgericht ‘werk aan onszelf’. De aarrf1 van dit werk wordt door Ouspensky uitvoerig toegelicht, onder meer aan de hand van de volgende vragen:

- Wat is zelfkennis?

- Wat is bewustzijn?

- Kan iemand zichzelf veranderen en zo ja, hoe?

- Welke mogelijkheden heeft de mens om te evolueren?

P.D. Ouspensky (geboren in 1878 in Moskou, overleden in 1947 in Londen) genoot voor de eerste wereldoorlog in Rusland grote bekendheid als denker, filosoof en als onderzoeker op natuurwetenschappelijk en psychologisch gebied. Ouspensky’s ontmoeting met G.I. Gurdjieff in 1915 was van beslissende betekenis voor zijn verdere leven. Gurdjieff werd zijn leermeester en er ging een wereld van volstrekt nieuwe kennis en inzichten voor hem open. Deze ontmoeting en de daaropvolgende samenwerking met Gurdjieff wordt uitvoerig beschreven in ‘Op zoek naar het wonderbaarlijke’, dat alom wordt beschouwd als de meest betrouwbare introductie tot Gurdjieff’s leer.

NUR 730

ISBN B0-bS71-S13-3

9 789062 715138

www.synthese.ws

9789062715138

De mens en zijn mogelijke evolutie

P.D. Ouspensky

De mens en zijn mogelijke evolutie

P.D. Ouspensky

Ouspensky en Gurdjieff

De ontmoeting van P.D. Ouspensky met G.l. Gurdjieff in 1915 is van beslissende bete­kenis geweest voor zijn verdere leven. Gurdjieff werd zijn leermeester en gedurende een jarenlange periode van intensieve samenwerking ging er een wereld van volstrekt nieuwe kennis en inzichten voor hem open. Ouspensky’s ‘OP zoek naar het wonderbaarlijke’ vormt het boeiende verslag van deze jaren met Gurdjieff en wordt nog steeds beschouwd als de meest betrouwbare introductie tot Gurdjieff’s leer.

Georges Ivanovitch Gurdjieff (1866-1949) heeft, voortbouwend op zowel oosterse als westerse religieuze tradities, een groot aantal ideeën en praktische aanwijzingen voor innerlijke groei en bewustwording nagelaten. Daarmee heeft hij een grote invloed gehad op het spirituele denken van de twintigste eeuw. Het door hem gebrachte ‘werk aan onszelf' heeft velen diep geraakt en gebracht tot een geheel nieuwe ervaring van de zin van het leven. Behalve met Ouspensky werkte Gurdjieff met vele groepen leerlingen in Europa en Amerika. Na zijn dood werd dit groepswerk vanuit het centrum in Parijs voortgezet en verder ontwikkeld onder leiding van Jeanne de Salzmann, een leerling van het eerste uur.

Gurdjieff Stichting Nederland

Op verzoek van Jeanne de Salzmann introduceerde ir. drs. Martin Ekker in 1964 de ideeën van Gurdjieff in Nederland. De intensieve samenwerking met het centrum in Parijs heeft zich in de loop der jaren steeds verder ontwikkeld. Andere belangrijke centra bevinden zich in Londen, New York en Caracas.

De belangrijkste activiteiten van de Gurdjieff Stichting Nederland, die in 1968 is opgericht, zijn het organiseren van groepsbijeenkomsten, werk- en studieweken en ‘movementsklassen’. De movements worden uitgevoerd met behulp van pianocom­posities van Gurdjieff en De Hartmann, Deze bewegingsoefeningen nodigen uit tot ‘zelfherinnering’, een kwaliteit van aandacht die het denken, het voelen en het lichaam met elkaar in evenwicht brengt. Het werken aan zichzelf staat ook centraal in het praktische werk en in de gespreksgroepen die plaatsvinden in het centrum te Loenen aan de Vecht.

Voor meer informatie:

Gurdjieff Stichting Nederland Postbus 951 1200 AZ Hilversum


gsn@gurdjieff.nl

www.gurdjieff.nl